nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

14.11.2016 Paardenvleesketen wordt doorgelicht op vraag van sector

Zes jaar geleden toonde GAIA voor het eerst beelden van de ogenschijnlijk barre omstandigheden waarin paarden in (Latijns-)Amerika afgevoerd worden naar slachthuizen. Sindsdien is de dierenrechtenorganisatie campagne blijven voeren tegen paardenvleeshandel. Met succes, want enkele Belgische warenhuisketens kapten met de verkoop van overzees paardenvlees, of met de verkoop van paardenvlees in het algemeen. De Federatie van het Belgisch Vlees (FEBEV) probeert het vertrouwen in de paardenvleesketen te herstellen met een nieuw dierenwelzijnslastenboek. Dat krijgt nu wetenschappelijke onderbouwing want het zal bijgestuurd worden op basis van de vaststellingen die onderzoekers van de KU Leuven doen bij paardenvleesbedrijven in Argentinië en Uruguay.

Respectful Life, zo heet het onderzoeksproject dat KU Leuven in opdracht van FEBEV uitvoert. “Drie jaar lang gaan wetenschappers polshoogte nemen van de levensomstandigheden van slachtpaarden in Latijns-Amerika. GAIA heeft die op een bepaalde manier belicht zodat onze leden-paardenvleesbedrijven en hun klanten klaarheid wensen”, licht Michael Gore toe. De gedelegeerd bestuurder van FEBEV rekent op de Belgische onderzoekers, die erg vertrouwd zijn met de (hoge) dierenwelzijnsstandaard in eigen land, om een juist beeld te schetsen van de paardenvleessector in Zuid-Amerika. In een volgende fase kan het welzijn van paarden ook elders ter wereld afgetoetst worden aan het Leuvense protocol dat nu scherp wordt gesteld. Gore voegt nog toe dat door de acties van GAIA afnemers vragen naar slachtpaarden van Belgische of Europese origine, “maar er is een algemeen tekort in Europa”. Het komt er dus voor de twee Belgische paardenslachthuizen en de bijbehorende uitsnijderijen op aan om de invoer op orde te hebben.

Bert Driessen en Jos Van Thielen, docenten van de onderzoeksgroep Dier&Welzijn aan de KU Leuven, bekijken hoe het met de paarden gesteld is in de zogenaamde ‘feedlots’, tijdens transport en bij aankomst in het slachthuis. Driessen: “Vorig jaar in november gingen we voor het eerst ter plaatse. We voerden toen een audit uit in drie Argentijnse slachthuizen. Dit jaar zijn we er opnieuw geweest en bezochten we ook paardenvleesbedrijven in Uruguay. De monitoring start bij de verzamelplaatsen, volgt de paarden met camera’s en temperatuurmeting tijdens transport en eindigt in het slachthuis. Daar verblijven de paarden één tot maximum drie dagen in de wachtruimte, waar we hun gedrag opvolgen, en kijken we toe tot ze de ‘knocking box’ instappen en hun karkas opgetakeld wordt.”

De hele paardenvleesketen zal viermaal doorgemeten worden zodat ook het seizoeneffect (temperatuurverschillen, nvdr.) in het onderzoek vervat zit. Riskeren zulke aangekondigde bezoeken geen vertekend beeld van de sector te geven? Het valt immers niet uit te sluiten dat paardenhandelaars en -transporteurs extra hun best doen wanneer ze in de gaten worden gehouden. De Leuvense wetenschapper verwacht dat dit geen probleem oplevert voor het onderzoek. “De sector heeft er zelf alle baat bij om het continu goed proberen te doen. Bovendien is onze monitoring niet de enige, en krijgen slachthuizen en andere paardenvleesbedrijven nog meer organisaties en het plaatselijke voedselagentschap over de vloer”, vertelt Driessen.

Hij benadrukt dat het de bedoeling is om de paardenvleesketen te tonen zoals ze in realiteit te werk gaat, en op basis daarvan te oordelen of er verbeterpunten zijn. Dat de opdracht uitgaat van een belanghebbende, de vleesindustrie, beïnvloedt deze doelstelling geenszins. “Dit onderzoek is vrijwel identiek aan het werk dat we op Vlaamse bodem doen, denk bijvoorbeeld aan de opvolging van Certus-varkens tot in het slachthuis ter verbetering van het kwaliteitslastenboek. Het enige verschil is de historiek van de door GAIA in de media gebrachte welzijnsproblemen die aan paardenvlees kleeft. De KU Leuven financiert dit onderzoek trouwens voor een groot stuk zelf.”

De conclusies en aanbevelingen van de Leuvense onderzoekers zullen publiek beschikbaar gemaakt worden op de website www.respectfullife.com omdat de sector open kaart wil spelen. De paardenvleessector laat zich met andere woorden een spiegel voorhouden, en hoopt dat het beeld dat te zien zal zijn een antwoord is op de continue negatieve berichtgeving rond paardenvlees. Zo niet zal het dierenwelzijnslastenboek aangepast worden zodat de Belgische importeurs van paardenvlees garanties kunnen bieden voor de toekomst. “We willen het vertrouwen terugwinnen. Het onderzoek heeft dan ook tot doel om objectieve en verifieerbare parameters op vlak van paardenwelzijn te identificeren”, zegt Gore, die benadrukt dat de KU Leuven volledig onafhankelijk te werk gaat om wetenschappelijk gevalideerde resultaten te bekomen.

Het onderzoek verloopt volgens de eisen van de KU Leuven en de methodologie houdt rekening met landeigen parameters zoals klimaat, seizoen, beschuttingsmogelijkheden, duurtijd van het transport, transportmethode, enz. Voor een ver transport van levende dieren maakt het immers uit of dat ongehinderd kan gebeuren op lange, rechte wegen of integendeel op kleine wegjes of in de file. Wanneer een veetransport verloopt met een vrachtwagen zonder mechanische koeling is het bijvoorbeeld van belang dat er effectief gereden wordt opdat de wind de dieren koel zou houden. Bij de Federatie van het Belgisch Vlees spreken ze van pionierswerk van de paardenvleessector. “Inmiddels heeft het ook anderen in de vleessector geïnspireerd. Gelijkaardige initiatieven voor andere diersoorten zijn in ontwikkeling”, verklapt Michael Gore.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: onderzoeksgroep Dier&Welzijn KU Leuven

Volg VILT ook via