nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

"Prijs- en margeanalyse maakt van Prijzenobservatorium niet de waakhond van de voedselketen"
07.03.2016  Peter Van Herreweghe & Mathias Ingelbrecht (FOD Economie)

Welke taak is er in de voedselketen weggelegd voor het Prijzenobservatorium, die van objectieve scheidsrechter of waakhond met scherpe tanden? Met die vraag klopt VILT aan bij Peter Van Herreweghe en Mathias Ingelbrecht, respectievelijk hoofd van de afdeling economische analyses van de FOD Economie en adviseur prijzen en marktwerking. Alleen door het woord ‘objectief’ voelen ze zich aangesproken. “Het prijsverloop in de zuivel-, rundvlees- en varkensvleeskolom werd door ons in kaart gebracht, alsook de marge van de verschillende schakels in de keten. Zo objectiveren we de discussies tussen toeleveranciers, producenten en afnemers.” De FOD Economie in het algemeen en het Prijzenobservatorium in het bijzonder speelt dus een eerder analyserende rol in de agrovoedingsketen. De opdracht van het Prijzenobservatorium is echter veel ruimer dan dat. Die bestaat sedert de prijsschok van energie en landbouwgrondstoffen in 2008 uit het bestuderen van de inflatie. In 2013 zijn er bovendien nieuwe opdrachten bijgekomen zoals de analyse van de marktwerking.

Omschrijf kort de opdracht van het Prijzenobservatorium binnen de FOD Economie.
Peter Van Herreweghe: Prijsobservatie is een taak die wordt uitgeoefend door een afdeling van de directie Economische Analyses en Internationale Economie binnen de federale overheidsdienst Economie. Na de zeer hoge inflatie in 2008, veroorzaakt door stijgende energie- en voedselprijzen, werd in 2009 het Prijzenobservatorium opgericht als een uitbreiding van het takenpakket van het Instituut voor Nationale Rekeningen. Zoals onze naam verraadt, is prijsobservatie en -analyse onze taak. We bestuderen de inflatie van een korf van vijf productgroepen (niet alleen voeding maar bijvoorbeeld ook energie en diensten). In het federale regeerakkoord van 2008 luidde dat als volgt: “Het observatorium zal de eindprijzen aan de consumenten onderzoeken en de regering in staat stellen om meer inzicht te verwerven in de goede werking of de concurrentievervalsing op de Belgische markt.”

Hoe gaat dat in de praktijk in zijn werk? En wat doen jullie rond de thema’s landbouw en voeding?
Mathias Ingelbrecht: Een team van zeven analisten staat in voor drie kwartaalverslagen en een jaarverslag over de inflatie van energie, bewerkte en niet-bewerkte voeding, diensten en industriële goederen. De voorbije twee jaren hebben we daarnaast de prijzen, kosten en margeverdeling bestudeerd in de zuivel- en rundvleeskolom en afgelopen zomer nog in de varkenskolom. Daarbij hebben we goed samengewerkt met de Vlaamse en Waalse overheden en veelvuldig gebruikgemaakt van hun boekhoudkundige bedrijfsgegevens. Onze focus ligt niet alleen op landbouw, want vergelijkbaar werk hebben we vorig jaar nog gedaan voor de sector van de hoorapparaten.

varkensvlees.geVILT.jpg

Peter Van Herreweghe: Voeding is maar één vijfde van de korf producten en diensten waarvoor we de inflatie bestuderen. We mogen onze andere taken niet verwaarlozen en moeten rekening houden met wettelijke deadlines voor (kwartaal)verslagen. Als ons gevraagd wordt om op korte termijn de kostprijs van een liter melk te becijferen, dan kadert dat niet in de reguliere opdracht van het Prijzenobservatorium. De rol van ‘objectivator’ binnen het Ketenoverleg voeren we dan uit onder de noemer ‘FOD Economie’, maar steunt evengoed op het team van zeven mensen dat geleid wordt door Mathias. Een samenwerkingsovereenkomst tussen de FOD Economie en het Ketenoverleg voorziet in juridische ondersteuning bij onduidelijkheden in de wetgeving, het verstrekken van objectief cijfermateriaal als basis voor de onderhandelingen tussen de partners in de voedselketen en, tenslotte, actief toezicht op de toepassing van de wet door alle schakels. Denk bijvoorbeeld aan het ijken en controleren van de weeghaken in slachthuizen.

Ieder kwartaal zien we van het Prijzenobservatorium een verslag binnenlopen over de inflatie in ons land. Wakker je zo het ‘prijsbewustzijn’ bij de consument aan of is dat niet de bedoeling?
Peter Van Herreweghe: Onze rol spelen door de inflatie te analyseren, is niet hetzelfde als de consument aanzetten tot een ander koopgedrag. Als wij vaststellen dat de prijs van voeding of een ander product of dienst (te) sterk gestegen is, dan ziet geen enkele sector dat graag in de pers verschijnen. Het Prijzenobservatorium neemt waar en schrijft in zijn verslagen de prijsontwikkelingen die het pertinent acht.
Mathias Ingelbrecht: We maken in onze verslagen altijd de vergelijking met de buurlanden. De alarmbel moet vooral rinkelen wanneer de prijsontwikkeling in ons land systematisch afwijkt van die in de buurlanden. Heel recent merkten we voor zuivel nog een matige inflatie in België op terwijl de prijs van melkproducten in de winkelrekken in Duitsland al aan het dalen was. Maar over het algemeen ligt de inflatie voor bewerkte voedingswaren in België hoger dan in de buurlanden.
Peter Van Herreweghe: Een verschil in marktmacht kan maar hoeft dat niet noodzakelijk te verklaren. Hogere loon- en energiekosten kunnen ook een reden zijn. In onze jaarverslagen gaan we evoluties van die componenten opvolgen en duiding geven bij de prijsontwikkeling.

Zou het Prijzenobservatorium de productiekosten kunnen meten om de term crisis in de landbouw te ‘objectiveren’?
Mathias Ingelbrecht: De rendabiliteit van de deelsectoren in de landbouw meten we door beroep te doen op de officiële gegevens, bijvoorbeeld de boekhoudkundige gegevens uit het Landbouwmonitoringsnetwerk van het Departement Landbouw en Visserij. Aangezien boekhoudkundige informatie met een vertraging van twee tot drie jaar beschikbaar is, extrapoleren wij dat naar de huidige situatie. Voor onze analyse van de varkenskolom beschikten we over gegevens tot en met 2012. Toen waren de opbrengsten voldoende om de kosten te dekken maar niet om de eigen arbeid te vergoeden. Als we dat doortrekken en kijken naar de sterk negatieve evolutie van de varkenskarkasprijs (-11% tussen 2012 en 2015) terwijl de voederprijs slechts 2,6 procent daalde, dan zie je dat er een groot probleem is in de sector. Op soortgelijke wijze maken we voor de andere landbouwsectoren een inschatting van de meest recente periode.

voeder.geVILT.jpg

Beschrijf de onderzoeksopdracht van het Prijzenobservatorium. Waar zit het verschil met de Economische Inspectie van de FOD Economie?
Peter Van Herreweghe: De Economische inspectie gaat de toepassing van de reglementering controleren, bijvoorbeeld de juistheid van de etikettering van voedingswaren. Zit er iets niet in de haak, dan wordt er een pv opgemaakt. Het Prijzenobservatorium doet daarentegen financieel-economische analyses waarbij het prijsverloop bestudeerd wordt. Stel dat we een vermoeden hebben van machtsmisbruik door een schakel in de keten, dan kunnen we dat signaleren aan de Belgische mededingingsautoriteit. Zij zullen de betrokken marktspelers horen om daarna al dan niet een onderzoek op te starten. Deze signaalfunctie van het Prijzenobservatorium staat sinds 2013 in de wetgeving ingeschreven. Sindsdien hebben we op regelmatige basis onze verslagen toegelicht aan de mededingingsautoriteit, maar tot concrete acties heeft dat nog niet geleid. Mogelijk zijn er eerste onderzoeksdaden gesteld, maar door de geheimhouding van de onderzoeken door de mededingingsautoriteit weten we dat niet.
Mathias Ingelbrecht: Onze verslagen kunnen ook tot gevolg hebben dat de wetgeving wordt aangepast of dat de FOD Economie een sensibiliseringscampagne start. Dat is bijvoorbeeld gebeurd toen we jaren na elkaar in de jaarverslagen gemeld hebben dat de consumptieprijsstijgingen voor energie systematischer hoger waren in België dan in de buurlanden. Herinner je de campagne ‘Durf vergelijken’ die consumenten aanspoorde om hun energiefactuur te vergelijken en eventueel over te stappen naar een andere leverancier. Dat zorgde voor een grotere dynamiek op de energiemarkt.

Het Prijzenobservatorium maakte reeds enkele analyses van de kosten en de marges in de agrovoedingsketen. Wat is daaruit gebleken?
Mathias Ingelbrecht: Onze onderzoeken bevestigen dat de marges in de zuivel-, rundvlees- en varkenskolom (heel) klein zijn, zeker in het begin van de keten. Voor vele veehouders is de situatie heel ongunstig, al zijn er bedrijven die nog winst maken. Stroomafwaarts in de keten zijn slachthuizen en uitsnijderijen de minst rendabele schakel van de Belgische vleeskolom. Gemiddeld bedraagt hun netto bedrijfsmarge niet meer dan één procent. In de varkenssector hebben we vastgesteld dat op het einde van de keten de marges toch wel wat hoger zijn. De gemiddelde bedrijfsmarges in de detailhandel liggen het hoogst.
We baseren onze berekeningen op de winstcijfers uit de gepubliceerde jaarrekeningen van de bedrijven. Het gaat dus over gemiddelden. In het geval van de detailhandel is dat de winstmarge op het ganse assortiment, niet alleen op varkensvlees. De marge per productcategorie is niet eenvoudig te achterhalen. Indien je vlees beschouwt als een lokmiddel om de consument tot een bezoek aan de supermarkt te bewegen, dan zou je kunnen veronderstellen dat de marge hierop lager ligt dan gemiddeld.

vlees.supermarkt.geVILT.jpg

Verder zien we dat de marge van de veevoederindustrie het midden houdt tussen die van de slachthuizen en de detailhandel. De vleesverwerkende industrie zit met zijn marge ook tussen die schakels, maar doet het wel beter dan de veevoederindustrie. Door de transparantie die we brachten binnen de keten, zitten de verschillende schakels minder afgunstig naar elkaars marge te kijken maar wordt nagedacht over een oplossing die de volledige keten overspant. In het algemeen zijn de marges in de vlees- en zuivelsector lager dan het gemiddelde van de voedingsindustrie.
Peter Van Herreweghe: Een oplossing die alle schakels van de keten ten goede komt, wil niet noodzakelijk zeggen dat de prijs van voeding voor de consument omhoog moet. De Belgische producenten kunnen ook proberen om een groter deel van de Europese koek naar zich toe te halen. Daar heb je producten met toegevoegde waarde voor nodig, producten met een betere reputatie dan die van de concurrenten. Zo creëer je een ‘unique selling proposition’ en daar profiteert de hele keten van. Met een weinig gedifferentieerd bulkproduct daarentegen bots je op andere verkopers die hetzelfde product aanbieden tegen de laagst mogelijke prijs.

Na een meerjarige analyse van de rundvlees- en de zuivelketen hebben jullie ook de varkensketen doorgelicht. Benieuwd naar jullie vaststellingen.
Peter Van Herreweghe: Sinds het handelsboycot van Rusland is de varkensprijs in elkaar gestort. De jaren voordien, van 2012 tot 2014, was het vooral de kostprijs die de varkenshouders parten speelde. 2005 staat bekend als één van de laatste jaren waarin er goed geld verdiend werd in de varkenshouderij. Tien jaar later is de verkoopprijs van varkens de helft lager terwijl het varkensvoeder ongeveer de helft duurder is dan toen.

De rundvleesindex werd met veel bombarie aangekondigd als het instrument om de vleesveehouder een eerlijk inkomen te gunnen. Gelet op de klaagzang in die sector lijkt een positief effect uit te blijven…
Peter Van Herreweghe: De rundvleesindex doet nochtans waarvoor ie bedoeld is: ernstige prijsschokken in de kostprijs van voeder en de verkoopprijs van rundvlees signaleren. Voor het ketenoverleg werkt de index als een knipperlicht. Slaat de index oranje of rood uit omdat de volatiliteit van prijzen het landbouwinkomen bedreigt, dan moeten de partners uit de rundvleesketen rond de tafel gaan zitten en een oplossing zoeken.
Mathias Ingelbrecht: We zijn in 2013 gestart met de rundvleesindex. Sindsdien is de voederprijs sterker neerwaarts gericht dan de karkasprijs zodat de index steeg en binnen de afgesproken marge bleef. Een bruuske prijsschok die alle partijen tot crisisoverleg aanmaant, bleef uit. Misschien is dat wel de beperking van de index: als het in een sector al een tijdje bergaf gaat, zonder al te grote volatiliteit van de prijzen, dan blijft het alarmsignaal uit. Anderzijds is het zo dat we 2005 als referentiejaar namen en dat staat toch bekend als een normaal jaar voor het inkomen van de vleesveehouders.

vleesvee.geVILT.jpg

Welke rol is het Prijzenobservatorium op het lijf geschreven: stok achter de deur van het ketenoverleg, objectieve scheidsrechter of waakhond met scherpe tanden?
Peter Van Herreweghe: Het Belgisch ketenoverleg werkt vanuit het consensusmodel en is bovendien een privé initiatief. Men is geen vragende partij voor een politieagent die zich als een olifant in een porseleinenkast beweegt. Die boodschap krijgen we voortdurend, dus denk ik dat men tevreden is met de meer ondersteunende rol die we nu spelen.
Mathias Ingelbrecht: Het woord scheidsrechter is voor ons niet van toepassing, objectief wel. Het prijsverloop van een landbouwproduct en de marges in de keten proberen we op een objectieve manier in kaart te brengen. Vroeger had de landbouwsector de indruk dat de boer steevast met verlies werkt terwijl de andere schakels in de keten floreren. Wij hebben aangetoond dat dat niet zo is en dat bijvoorbeeld ook slachthuizen met flinterdunne marges werken. Bovendien maakten we duidelijk dat lonen, verpakking en dergelijke mee de marge van de afnemer bepalen, dus niet alleen de aankoopprijs van het vlees. Wij hebben de indruk dat de verschillende partijen in de keten elkaar minder de zwarte piet toespelen sinds ze die kennis hebben.

Het VRT-duidingsprogramma Panorama zond vorig jaar de reportage ‘De prijs van goedkoop eten’ uit. Daaruit bleek dat de prijzenslag tussen grootwarenhuizen de leveranciers onder extreme druk zet. Jeuken jullie handen dan om dat te onderzoeken of is het maar normaal dat de goedkoopste mag leveren?
Peter Van Herreweghe & Mathias Ingelbrecht: Elke onderneming kan misbruik van machtspositie door een handelspartner aankaarten bij de mededingingsautoriteiten. Nieuwe informatie leverde die uitzending volgens ons niet op, maar de zwakke positie van de landbouwer werd wel scherp aan de kaak gesteld. Het probleem van de landbouw is dat productdifferentiatie lastig te realiseren is, waardoor de concurrentie groot is. Als vraag en aanbod dan uitgespeeld worden, staat de producent niet sterk.

Landbouworganisaties klagen vaak over het gebrek aan transparantie in de voedselketen. De kostprijs van de primaire producenten wordt te grabbel gegooid in publiek consulteerbare overheidsrapporten terwijl de andere schakels angstvallig hun marge afschermen…
Mathias Ingelbrecht: Uit de rapporten van het Prijzenobservatorium kan je nochtans de marge afleiden van alle schakels van de voedselketen. Via het Landbouwmonitoringsnetwerk van de Vlaamse overheid vergaren we informatie over de producenten. De andere schakels in de keten zijn grotere ondernemingen die verplicht een jaarrekening neerleggen bij de Nationale Bank van België.

brood.ColruytCRU_geVILT.jpg

Van brood en frietjes wordt vaak gezegd dat ze duurder worden wanneer de prijs van graan, respectievelijk aardappelen, stijgt terwijl ze niet goedkoper worden bij lage grondstoffenprijzen. Is die bewering correct?
Mathias Ingelbrecht: Ons onderzoek wees inderdaad op deze asymmetrie. Wanneer de prijs van een grondstof stijgt, dan passen verwerkers en distributie hun prijzen snel en significant aan. Omgekeerd reageren ze trager en minder uitgesproken bij een daling van de grondstoffenprijzen. Als gevolg daarvan merkt de consument in de winkel weinig van goedkopere landbouwgrondstoffen. Dat is zo in ons land, maar ook in de buurlanden. Daaruit mag je echter niet concluderen dat afnemers hun rendabiliteit opkrikken in perioden met dalende grondstofnoteringen. Andere factoren, zoals de loon- en energiekost, spelen immers ook een rol. Het is evenmin zo dat de marge bij de afnemers van landbouwproducten systematisch toeneemt. Tussen 2008 en 2012 was er een stijging maar daarna viel hun marge weer terug op het niveau van 2008.
Peter Van Herreweghe: De Europese Centrale Bank definieert prijsstabiliteit als prijzen die ieder jaar met minder dan twee procent stijgen. Voor alle producten samen, voedingswaren en andere, is de trend dus effectief stijgend maar daarom neemt de prijs nog niet voortdurend toe aan hetzelfde tempo. Landbouwers zullen de bedenking maken dat ze sommige van hun producten vandaag moeten slijten aan lagere in plaats van hogere prijzen dan 20 of 30 jaar geleden. Het zal een schrale troost wezen, maar weet dat de landbouw niet de enige sector is die daarmee geconfronteerd wordt. Ook kleding en telecommunicatie zijn nu goedkoper dan jaren geleden.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via