nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

19.02.2016 Pluimveehouderij in een steeds veranderende wereld

Tijdens de seminaries op de Agridagen kon het publiek, dat telkens voor de helft uit landbouwers bestond, zijn mening kwijt via elektronische stemming. Zo gaf 81 procent van de aanwezigen te kennen dat de consument in Vlaanderen ook in de toekomst van kippenvlees en eieren voorzien zal worden door lokale producenten. Er is dus vertrouwen in de toekomst maar vanuit het panel werden de uitdagingen scherp geformuleerd: de kostprijs onder controle houden en zelfs dan is het twijfelachtig dat verse Vlaamse kip en eieren concurrentieel zijn op de wereldmarkt. Dat zou de indruk kunnen wekken dat efficiëntie (groei & voederconversie) zaligmakend is, maar in de selectie van genetica zou net meer aandacht moeten komen voor een betere diergezondheid. Na een korte uiteenzetting van professor-emeritus Eddy Decuypere zet het seminariepubliek efficiëntie toch weer met stip op één.

Hoewel de pluimveehouderij een hyper-concurrentiële sector is, gaven de ruim 200 aanwezigen op het pluimveeseminarie van de Agridagen in Ravels blijk van veel vertrouwen in de lokale producenten. De pluimveehouders en alle andere stakeholders in Vlaanderen geloven dat het kippenvlees en de eieren voor de Vlaamse consument van eigen bodem zullen blijven komen. Hugo De Ruyck, die door zijn werk bij Petersime de pluimveesector wereldwijd ziet evolueren, benadrukt wel dat een lage kostprijs en toekomstgerichte investeringen noodzakelijke voorwaarden zijn. Elders in de wereld is men de achterstand in technische resultaten ten opzichte van de Europese pluimveehouderij snel aan het inhalen.

Professor-emeritus Eddy Decuypere, jarenlang als pluimveeonderzoeker verbonden aan de KU Leuven, gelooft zelfs niet dat verse Vlaamse kip en eieren concurrentieel zijn op de wereldmarkt. “Op vlak van kostenefficiëntie moeten we de duimen leggen voor een land als Brazilië.” Met verwerkt product komen we wellicht beter weg. De Ruyck verzet zich overigens tegen de grote exportbegoocheling. “Slechts 15 tot 20 procent van de mondiale productie wordt in- en uitgevoerd. De meeste economen zijn ervan overtuigd dat dat niet spectaculair zal toenemen, al staan de groeilanden voor een uitdaging op vlak van zelfvoorziening. Voor een exporterend land als België heeft een wijziging van de mondiale afzetmarkt, bijvoorbeeld het wegvallen van Rusland, een groot effect op de prijs.”

Door de focus op kostprijs werd in de selectie gewerkt aan kippen met een lagere voederconversie en hogere groei. Eén op de drie aanwezigen vindt dat nog steeds het belangrijkste selectiedoel. Ongeveer de helft zou liever meer aandacht zien uitgaan naar de diergezondheid. Bij die 48 procent is Luc Levrouw, werkzaam voor veevoederspecialist DSM Nutritional Products. Hij verwacht dat de druk op het gebruik van antibiotica hoe langer hoe meer zal toenemen. Aangezien er geen voederadditief bestaat met het effect van een antibioticum zal de oplossing wel van een gezondere kip moeten komen.

Een verbetering van het welzijn en de vleeskwaliteit acht 22 procent van de aanwezigen op het seminarie erg wenselijk. “In de genetica gaan er keuzes gemaakt moeten worden”, stelt Hugo De Ruyck van Petersime. “De voorbije decennia is ingezet op efficiënt kip produceren maar onder invloed van de retail en de consument worden de twee andere aspecten belangrijker.” Dierenarts Johan Van Erum (Galluvet) ziet de diergezondheid uitgroeien tot het voornaamste aandachtspunt, maar mondiaal blijft de selectie volgens hem inzetten op groei en voederconversie. De voorkeur van Vlaams parlementslid Tinne Rombouts, tevens burgemeester van een gemeente met veel pluimveebedrijven, gaat naar diergezondheid omdat je dierenwelzijn dan automatisch ook meeneemt in de selectie, “en efficiëntie moet altijd deel uitmaken van de selectie”.

Dat we selecteren op productiviteit staat in feite niet ter discussie want we houden kippen net om hun vlees, of hun eieren. “Alleen is men in de selectie op groei zo erg doorgeschoten dat randvoorwaarden zoals diergezondheid in het gedrang komen”, zegt professor Eddy Decuypere. Gezondheid wordt nu al meegenomen in de selectie omdat het een kenmerk is dat niet te zwaar ten koste gaat van de groei. “De pootproblemen van zware kuikens zijn er bijna uit geselecteerd”, geeft de professor een voorbeeld. “Lange tijd durfde men daarop niet selecteren omdat de vrees bestond dat er een causaal verband was tussen gewicht en pootproblemen.” Reproductie en groei is een voorbeeld waar er wel zo’n causaal verband bestaat. Dat verband ligt overigens aan de basis van de scheiding tussen de leghennen- en de braadkippensector.

Inzake diergezondheid focust de pluimveesector sterk op antibiotica. De nood aan een mentaliteitsverandering wordt door dierenarts Van Erum als volgt verwoord: “Naarmate de veehouderij intensiever werd, werden antibiotica beter beschikbaar en goedkoper.” Hij ziet het als een gedeelde verantwoordelijkheid voor pluimveehouder en dierenarts om overmatig gebruik te bannen. “We moeten op dat vlak een weg afleggen die niet over rozen zal lopen.” Als dierenarts vindt hij het tegelijk belangrijk dat het streven naar minder antibiotica niet te ver doorslaat. “Zieke dieren moeten nog altijd behandeld kunnen worden.” Volgens Tinne Rombouts is het niet evident om die boodschap mee te geven in het politiek debat, “ziektepreventie heeft de bovenhand”. Dierenarts Johan Van Erum wijst op de duidelijke keuzes die het sectorale lastenboek Belplume maakt: “Er mag geen depot op het bedrijf zijn zodat een dierenarts altijd tussenkomt alvorens antibiotica toegediend worden.”

Tot slot werd de vraag in de groep gegooid hoe de pluimveehouderij in Vlaanderen ruimtelijk het best georganiseerd kan worden. Slechts negen procent acht grote clustergebieden zinvol terwijl een ruime meerderheid (84%) de huidige mogelijkheden voor uitbreiding graag gehandhaafd ziet. De dierenarts in het panel kant zich tegen clustering omdat dierziekten moeilijker te beheersen zijn wanneer pluimveebedrijven op een morzel grond geconcentreerd worden. Over de keuze van het publiek om alles bij het oude te laten, zegt Vlaams parlementslid Tinne Rombouts: “De mogelijkheden voor nieuwbouw en uitbreiding zijn er maar zijn er elders ook niet, bijvoorbeeld door de natuurdoelstellingen. Bovendien staan we voor een maatschappelijke uitdaging.”

Rombouts legt de link met het parlementaire debat over schaalvergroting in landbouw: “Het is de eerste keer dat dat zo uitdrukkelijk op de agenda staat van het Vlaams Parlement. Niet iedereen kijkt er hetzelfde tegenaan zodat we goed moeten nadenken over waar en hoe bedrijven kunnen uitbreiden. We moeten op het platteland een aantal keuzes maken om voor bedrijfs- en rechtszekerheid te kunnen zorgen.” De ervaringen met glastuinbouwclusters leren volgens haar dat het met de aanvaarding van clusters niet goed gesteld is. Als de uitbreiding van één bedrijf dikwijls al moeilijk ligt, dan verwacht ze navenant grote problemen in het geval van een cluster van pluimveebedrijven.

Emeritus-professor Eddy Decuypere zou voor clusters kiezen als de pluimveehouderij van een wit blad kon starten. “Meer als keten denken en handelen, zou de sector vooruithelpen. En het risico op verspreiding van dierziekten mag je niet overdrijven.” Gelet op de concentratie van de sector in Antwerpen en West-Vlaanderen kan je met enige zin voor overdrijving stellen dat de Vlaamse pluimveehouderij reeds in clusters georganiseerd is.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Loonwerk Defour

Volg VILT ook via