nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

17.07.2015 Praktijkonderzoek doet geesten rijpen voor nicheteelten

Landbouwers zijn er op uit om hun teeltrotaties te verruimen met nieuwe gewassen die een meerwaarde betekenen tegenover de gangbare gewassen. De provincie Vlaams-Brabant ondersteunt dat actief via de proefveldwerking op het praktijkcentrum in Herent. Daar wordt geëxperimenteerd met het (energie)gewas miscanthus en met nicheteelten die een interessant saldo per hectare kunnen opleveren zoals quinoa en goudsbloem. Dankzij de expertise die in Herent opgebouwd wordt, kan een landbouwer nieuwe teelten uitproberen zonder grote risico’s te lopen. Je wil als landbouwer immers niet voor de verrassing komen te staan dat je een hectare goudsbloem elke drie dagen met de hand moet plukken bij gebrek aan mechanisatie. Zulke praktische problemen zullen weggewerkt zijn zodra de teelt op praktijkschaal toegepast wordt. Het beste bewijs daarvan is de experimentele oogstmachine die onderzoeksinstituut ILVO ontwikkelde en – met succes – demonstreerde in Herent.

Via de praktijkcentra in Herent en Pamel doet de provincie Vlaams-Brabant onderzoek naar innovatieve teelten en groene biogebaseerde grondstoffen. De laatste jaren werd veel aandacht besteed aan gewassen die energie opwekken, zoals koolzaad en miscanthus. Dat laatste is een meerjarige, bijna drie meter hoge plant die in de tuin als siergras opduikt maar op veldschaal gehakseld kan worden voor gebruik als brandstof, stalstrooisel of vezelproductie. Het Vlaamse areaal zou een bescheiden 40 hectare bedragen, een vierde van de oppervlakte miscanthus die in Wallonië groeit. Het proefcentrum Herent bekwaamde zich in deze teelt. Op een gelijkaardige manier wordt nu expertise opgebouwd met twee beloftevolle nicheteelten, namelijk goudsbloem en quinoa.

Landbouwers die met een nieuwe teelt aan de slag willen gaan, kunnen zich de afwijkende teelttechniek eigen maken in Herent. Tijdens de jongste 'openvelddag non & new food' kwamen ze meer te weten over de aard van de nieuwe gewassen, de aandachtspunten bij de teelt, de mogelijke toepassingen en uiteraard ook de rendabiliteit van goudsbloem en quinoa. Volgens Mieke Vandermersch van de dienst Land- en tuinbouw van de provincie Vlaams-Brabant is goudsbloem een teelt die economisch rendabel kan zijn voor landbouwers, op voorwaarde dat zowel de bloemen- als de zadenolie gewonnen wordt. Tegen import uit lageloonlanden is met duur betaalde Belgische handenarbeid niet op te boksen zodat ook een mechanische oogst een noodzakelijke voorwaarde voor succes is. Een eerste test in 2014, op een smalle perceelstrook, leerde dat handmatig oogsten extreem arbeidsintensief is en derhalve onbetaalbaar. Voor de halve hectare goudsbloem die in 2015 geteeld wordt, is gelukkig een oogstmachine voorhanden, met dank aan het Vlaamse onderzoeksinstituut ILVO.

Praktijkonderzoek is een leerproces en de oogstmachine voor goudsbloem is daarvan een mooi voorbeeld. De transportband doet dankzij een geïmproviseerde geleiding in karton goed zijn werk en ook het etiket ‘machine in onderzoeksfase’ verraadt dat een commercialisatie nog niet voor morgen is. Maar het resultaat mag reeds gezien worden, het merendeel van de bloemknoppen wordt netjes afgesneden en belandt via de transportband in een juten zak. “Deze machine werd ontwikkeld voor de oogst van kamille maar leverde van de eerste keer een verrassend goed oogstresultaat in goudsbloem”, preciseert ILVO-onderzoeker Bart Eloot. Goed wil in deze zeggen dat twee derde van de bloemenoogst de gewenste kwaliteit heeft, dus geen te lange stelen of te kleine knoppen. De machine wordt niet eens geholpen door de stand van het gewas want die is nogal dun in het gortdroge veld. “Bij een beter gesloten gewas, zal de bloem hoger zitten en heb je een meer gelijkmatig gewas dat mechanisch beter geoogst kan worden”, legt praktijkonderzoeker Jonas De Win (proefcentrum Herent) uit. Goudsbloem oogsten, is naar verluidt een compromis zoeken, een kwestie van zo veel mogelijk bloemen maaien uitgezonderd de gesloten knoppen.

In één oogstjaar levert goudsbloem zowel verse bloemen als op het veld gedroogde zaden op. Daarvan wordt bloemen-, respectievelijk zadenolie gemaakt. De bloemenolie gaat naar de farmaceutische en de cosmetische industrie, voor verwerking in bijvoorbeeld huidzalven, shampoo, schoonmaakdoekjes voor baby’s, boter (als natuurlijke kleurstof, nvdr.). De aard van die producten verklaart meteen waarom afnemers biologische teelt genegen zullen zijn, of alleszins graag zien dat de onkruidbestrijding gebeurt zonder inzet van chemische gewasbeschermingsmiddelen. De zadenolie heeft mogelijke toepassingen in voeding, bijvoorbeeld in margarines, maar dat vergt nog meer onderzoek.

Pas bij de laatste oogstronde worden de zaden gedorst, voordien worden de bloemen gemaaid met een tijdsinterval van een drietal weken. Na iedere maaibeurt moeten de bloemen gedroogd worden. Dat is best lastig als je je probeert te behelpen met luchtcirculatie in open bewaarpakken zodat het Vlaams-Brabantse proefcentrum naar betere oplossingen zoekt samen met het ILVO. Een nateelt goudsbloem, na gerst, werd vorig jaar een laatste keer begin november geoogst. Dit jaar staat het gewas er als hoofdteelt, wat meer oogstbeurten van de bloemknoppen en derhalve een hoger saldo oplevert. Mieke Vandermersch rekent de landbouwers voor: “De teelt heeft een kostprijs van naar schatting 1.565 euro, exclusief de kosten voor het oogsten, drogen en transporteren van de bloemen.”

In Herent gaat men uit van een zaadoogst van anderhalve ton, omgerekend 300 à 400 liter olie. De prijs is wat in het duister tasten maar kan vergelijkbaar zijn met de 400 à 500 euro per ton bij koolzaad. De bloemen zijn veel duurder, ze kosten 2,5 euro per kilo droog gewicht, en het is voor de olie die uit de bloemen wordt geëxtraheerd dat er vandaag al kopers op de markt zijn. Bij een handmatige oogst is anderhalve ton een normale oogst, bij machinaal oogsten moet 800 kilo haalbaar zijn als de experimentele oogstmachine verder verbetert. Als streefdoel wordt één ton vooropgesteld. Tel je de financiële opbrengst van bloemen en zaad op, dan kom je uit op 2.600 à 2.750 euro per hectare. De aandacht op het proefcentrum gaat logischerwijze uit naar een optimalisatie van de oogst van de bloemen. De opbrengsten zijn van die aard dat het geloof groeit dat de akkers in Vlaams-Brabant op termijn oranje-geel kunnen kleuren.

Gedeputeerde van Landbouw Monique Swinnen rekent erop dat de hier besproken alternatieve teelten de productie van traditionele voedsel- en voedergewassen kunnen aanvullen en landbouwbedrijven economische ademruimte zullen geven. “Het is onwaarschijnlijk dat deze teelten een groot marktvolume zullen innemen, maar als zeer gegeerde grondstof zijn ze een opportuniteit voor landbouwers die hun teelten willen diversifiëren", aldus Swinnen. De gedeputeerde schrijft de nette marktprijzen toe aan de aard van de afnemers, producenten van geneesmiddelen en schoonheidsproducten, want “des te kleiner het potje, des te waardevoller het is”.

Voor landbouwers die vrezen dat het maar een kwestie van tijd is vooraleer een nieuwe teelt het voorwerp wordt van een harde concurrentiestrijd om de goedkoopste grondstof heeft teeltexpert Mark van Waes van Oillin goed nieuws: “Door het laag soortelijk gewicht is goudsbloemzaad duur om te transporteren. Indirect is dat een goede bescherming van de producent want het maakt van goudsbloem een echt lokaal gewas.” Van Waes schat dat er 50 à 100 ton goudsbloem afgezet kan worden als de verwerking blijft steken in gespecialiseerde nicheproducten. Bij een bredere toepassing van goudsbloem lijkt ruim 1.000 ton de Nederlander realistisch. “Een mooie schaal voor teelt in Vlaanderen”, voegt hij er aan toe. Hoe snel goudsbloem de Vlaamse of Vlaams-Brabantse velden zal veroveren, is nog de vraag. In Nederland rekent men met een jaarlijkse groei van factor vier. “Een boer die een eerste test doet met 25 are zaait een jaar later al twee hectare en daarna acht hectare.” Zo snel kan het dus gaan.

Een gewas dat in zijn ontwikkeling al een stap verder staat dan goudsbloem is quinoa. Dat is vooral te danken aan François Gilbert de Cauwer, een jonge bio-ingenieur die van zijn masterproef (UCL) over quinoa zijn beroep maakte door de oprichting van Quinobel. De firma is de Belgische mandataris van de quinoarassen die aan de Universiteit van Wageningen werden veredeld en aangepast zijn aan ons klimaat. Door de contracten die Quinobel landbouwers aanbiedt, is de teelt uitgebreid van 10 hectare biologische teelt in de omgeving van Namen (2014) naar 110 hectare biologische en gangbare teelt in 2015. Onder de producenten zijn dit jaar ook landbouwers uit Riemst (Limburg) en Veurne (West-Vlaanderen). Tijdens de Openvelddag in Herent was de Cauwer present om de interesse van boeren uit Vlaams-Brabant aan te wakkeren.

Jonas De Win van het proefcentrum in Herent en Alex De Vliegher van ILVO vertelden over hun ervaringen met de teelt. Na de zaai in april was de quinoa niet overal gelijkmatig opgekomen zodat de onkruidbestrijding een uitdaging werd. Aan de reacties van de landbouwers merkte je dat de sterke gelijkenis tussen quinoa en een gevreesd onkruid als melganzenvoet angst inboezemt. De onkruidbestrijding moet overigens mechanisch gebeuren, met wiedeg en schoffel, bij gebrek aan chemische gewasbeschermingsmiddelen met een erkenning in deze teelt. De sterk gestegen prijs per kilo, met dank aan de vernieuwde interesse voor humane consumptie, rechtvaardigt deze extra inspanningen van de producent. Landbouwers die een contract afsluiten met Quinobel ontvangen één euro per kilo quinoa. Een geslaagde teelt van quinoa levert zo’n twee ton per hectare op – drie ton volgens Quinobel –, waar na schonen ongeveer 70 procent van overblijft.

In de praktijk worden ook merkelijk hogere bruto opbrengsten gerealiseerd dan de voorzichtige aanname van hierboven, tot zes ton bij een goed bemeste gangbare teelt, zo benadrukt François Gilbert de Cauwer. Hij rekent met een gemiddeld bruto saldo van 3.000 euro per hectare. Netto zou daar ongeveer 1.500 euro van moeten overblijven. Zelf heeft hij de ervaring dat de quinoa best gemaaid wordt en een vijftal dagen droogt op het veld, alvorens te dorsen. Het zaad rijpt niet gelijkmatig en daarom kan het vochtgehalte tegenvallen bij maaien en dorsen in één beweging. Drogen is sowieso noodzakelijk om schimmelvorming tegen te gaan.

Quinobel besteedt zowel het schonen als het drogen uit, maar de Waalse teeltexpert plant een investering in eigen mechanisatie. Daarbij houdt hij in het achterhoofd dat de logistiek zo efficiënt mogelijk moet want vandaag is het een probleem dat kleine volumes quinoa naar drogers gaan met een erg grote capaciteit. ILVO-onderzoeker De Vliegher geeft quinoatelers in spe de wijze raad om te starten op een kleine oppervlakte om ervaring op te doen met de teelt. De onkruidbestrijding mag dan een uitdaging zijn, toch luidt het dat quinoa net zoals goudsbloem kansrijk is. De oprichter van Quinobel en bezieler van quinoateelt in ons land steekt niet weg dat het zijn ambitie is om het areaal stap voor stap uit te breiden, als het even kan op het tempo van de eveneens stijgende consumptie.

Meer info: Proefcentrum Herent & Quinobel

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via