nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

13.07.2017 Proefcentrum Herent schuwt experimenteel onderzoek niet

Tijdens de openvelddag van de proefboerderij van de provincie Vlaams-Brabant was het uitkijken naar nieuwe teelten die een plek kunnen verwerven in de vruchtwisseling op akkers. Koolzaad is terug van weg geweest maar echt tot de verbeelding spreken, doen de proefvelden quinoa, goudsbloem, zoete aardappel, hennep en soja. De van opzet kleinere innovatietuin van het Proefcentrum Herent laat een eerste kennismaking toe met nog grotere curiosa voor onze regio: karwij, teff, zeekool, zonnekroon, enz. Het onderzoek naar nieuwe teelten wordt in Herent gecombineerd met vernieuwen in een traditionele teelt als witloof. Na afloop van het plattelandsproject ‘Witloofwortels: ook insecten lusten er wel pap van’ weten we of het voor witlooftelers haalbaar is om insecten te kweken.

Tijdens een openvelddag eind vorige maand toonde het Proefcentrum Herent zijn proefveldwerking rond nieuwe gewassen die voedings- en andere toepassingen hebben. “Non & new food teelten passen volledig in het plaatje van de biogebaseerde economie. De bouwstenen voor materialen, chemische stoffen en energie zijn dan afkomstig van hernieuwbare grondstoffen in plaats van fossiele grondstoffen zoals aardolie. De landbouw is een belangrijke leverancier van deze hernieuwbare grondstoffen”, zegt Monique Swinnen, gedeputeerde van Landbouw in Vlaams-Brabant.

Vooraleer deze nieuwe teelten op de akkers groeien, moet hun economische, wettelijke en teelttechnische haalbaarheid ingeschat worden via praktijkonderzoek. “Op het Proefcentrum Herent werden verschillende praktijk- en demoproeven aangelegd van enkele gewassen met potentie voor onze regio. De eerste resultaten voor goudsbloem, quinoa, zoete aardappel, hennep, koolzaad en miscanthus zijn bekend”, aldus Swinnen. Daarvoor werkt de proefboerderij in Herent nauw samen met landbouwonderzoeksinstituut ILVO en met de andere praktijkcentra. In de teelt van bataat (zoete aardappel) heeft het Proefcentrum voor de Groenteteelt (PCG) in Kruishoutem zich bijvoorbeeld verdiept, terwijl onderzoekers van ILVO de teelt van quinoa en soja al aardig in de vingers hebben. Daaraan besteden we later nog meer aandacht.

Van een aantal teelten ga je behalve in Herent (en in Rumbeke-Beitem, bij Inagro) geen proefveldjes tegenkomen omdat ze zo experimenteel zijn – wie heeft al van crosne, zonnekroon, parelgierst en taraxacum gehoord? – dat een kleine proefopzet voorlopig volstaat. Meer is niet nodig om de interesse te wekken van landbouwers en onderzoekers en hopelijk ook van het bedrijfsleven want anders is er geen afzetkanaal. Indien een gewas echt potentie heeft, dan is er meer onderzoek nodig om tot een rendabele teelt en toepassing te komen. Voorlopig klinken namen als deder, karwij en cuphea nog vreemd in de oren. Wat ze met elkaar gemeen hebben, zijn hun oliehoudende zaden. Voor de plantaardige olie die daaruit gewonnen wordt, zijn er commerciële toepassingen. Dat varieert van voedingstoepassingen, geneesmiddelen, cosmetica en shampoo tot industriële toepassingen in verf, zeep, smeermiddelen en biodiesel.

We overlopen een paar teelten uit de innovatietuin. Koriander kennen de meesten als keukenkruid, maar het heeft ook medicinale toepassingen en van de zaden kan je olie maken. De zaadolie leent zich voor zeep en detergenten. Ook karwijzaad wordt vooral als specerij gebruikt maar je kan er ook olie uit persen die rijk is aan het zeldzame petroselinezuur. Bij deder, beter bekend als huttentut, is de olie geschikt voor voeding, cosmectica, biosmeermiddelen en biodiesel. De Romeinen gebruikten deder als massage- en lampolie maar ook voor het koken. Dankzij de Romeinen kennen we eveneens dille want hun legers namen het mee. Zo raakte het verspreid over Oost-Europa, waar het nog altijd een prominente plaats in de keuken inneemt. De abbesijnolie uit crambe (zeekool, nvdr.) is niet-eetbaar maar wel geschikt voor industriële toepassingen. Het oliegehalte van gedroogd crambezaad is bijna het dubbele van dat van sojabonen en acht tot negen procent hoger dan bij koolzaad. Ook cuphea, die in onze contreien als sierplant verkocht wordt, is vooral interessant voor de industrie. Al kan je er ook kauwgom van maken.

De verhoopte commerciële toepassing van teelten uit de innovatietuin zit niet altijd verscholen in de oliehoudende zaden. Bij parelgierst gebruik je de korrels niet voor het persen van olie maar voor het maken van couscous. Het zaad van parelgierst wordt ook gebruikt als vogelvoeder. Van gierstteelt zijn al sporen gevonden in de periode 8.300 tot 6.700 voor Christus. Toen kwam gierstteelt vaker voor dan rijst. Nu nog is gierst op veel plekken in Afrika en Azië het belangrijkste voedingsmiddel. Wat lijkt op gras in de innovatietuin is in werkelijkheid teff, het kleinste graan ter wereld. In Ethiopië worden daar de traditionele platte broden van gemaakt. Teff is een uitzonderlijk voedzaam gewas en wordt tot de ‘superfoods’ gerekend.

Zonnenkroon is een 2,5 tot 3 meter hoog gewas dat ingekuild kan worden zoals maïs en eveneens geschikt is voor energieproductie en veevoeder. In Duitsland wordt het gepromoot als alternatieve grondstof voor biogasinstallaties. In de wortel van taraxacum bevinden zich molecules die geschikte bouwstenen zijn voor natuurrubber, vandaar ook de naam ‘rubberpaardenbloem’. Verwacht wordt dat de vraag naar natuurrubber nog toeneemt omdat het vanwege zijn hoge kwaliteit niet volledig vervangen kan worden door synthetische rubber. In de periode rond de Tweede Wereldoorlog werd wel 60.000 hectare van de rubberpaardenbloem geteeld door Sovjets. Na de oorlog deemsterde deze teelt weg omdat er opnieuw voldoende aanvoer was van tropisch rubber en omdat kunstrubber op basis van petroleum het natuurlijk rubber verving.

De aanleg en demonstratie van de innovatietuin kaderen in het Interreg-project ‘Growing a green future’ dat mikt op nieuwe waardeketens voor de biogebaseerde economie. De keuze van de gewassen kan in de loop van het project nog variëren. De Food Pilot van ILVO bouwt verder op dit veldonderzoek door de toepasbaarheid van een aantal lokaal geteelde oliën in voeding na te gaan. <fr inhoudsstoffen van enkele zaden kunnen verder onderzocht worden door de Karel de Grote Hogeschool van Antwerpen. Met name sterk onverzadigde oliën kunnen zich lenen voor industriële toepassingen. Vaak bevatten deze oliën hoge gehaltes aan omega 3- en omega 6-vetzuren, wat hen ook waardevol maakt in voeding.

Meer nog dan van experimenten met vernieuwende teelten is de proefboerderij van de provincie Vlaams-Brabant bekend van zijn witloofonderzoek. Op dat vlak viel er groot nieuws te rapen want het gebeurt niet vaak dat een innovatie een sector werkelijk door elkaar kan schudden. Begin oktober start het Platteland Plus-project ‘Witloofwortels: ook insecten lusten er pap van’. “Na de forcerie van de witloofkroppen worden de wortels afgevoerd voor compostering of voor gebruik als rundveevoeder. Meer hoogwaardige toepassingen zijn mogelijk indien je de witloofwortels gebruikt als voedingsbodem voor de kweek van insecten”, vertelt Tim De Clercq, wetenschappelijk coördinator van de Nationale Proeftuin voor Witloof. Voor witloofwortels biedt dit een kans om de wortels aan insectenkwekers aan te bieden, of om tijdens de zomermaanden zelf insecten te kweken.

“Dat laatste wordt ernstig overwogen”, verzekert De Clercq, “want witlooftelers beschikken over klimaatgestuurde kweekcellen die buiten het witloofseizoen leeg staan. In zo’n donkere cel waar temperatuur en vochtgehalte regelbaar zijn, kan je met behulp van witloofwortels insecten kweken zoals de meelworm en de zwarte soldatenvlieg. Die kweek heeft potentieel als visvoeder, maar je kan de eiwitten en hoogwaardige vetzuren ook voor andere toepassingen uit de insecten winnen.” De coördinator van het witloofonderzoek toont een bak vol meelwormen die zich tegoed doen aan schijfjes witloofwortel zodat het geen twijfel lijdt dat insecten er wel pap van lusten. Met de projectfinanciering van bijna 145.000 euro, waarvan 94.000 euro cofinanciering door Vlaanderen en de provincie Vlaams-Brabant, moet het mogelijk zijn om de haalbaarheid van commerciële insectenkweek op een witloofbedrijf na te gaan. “Bij de witlooftelers is er interesse want zij zien het als een kans om hun activiteiten te diversifiëren en een neveninkomen te genereren”, vertelt Tim De Clercq.

Het belangrijkste luik binnen het Platteland Plus-project is een haalbaarheidsstudie waarbij behalve naar de praktische kant (noodzakelijke materiaal, afzetmogelijkheden, enz.) ook naar de eisen van de wetgever gekeken zal worden. Als tweede luik van het onderzoek komt er een pilootopstelling op het Proefcentrum Herent, wat een goede wisselwerking met de telers toelaat evenals een heldere kijk op de kennislacunes en de randvoorwaarden voor de opschaling naar de praktijk. De kennis rond het kweken van insecten wordt vergaard door Thomas More Hogeschool. Wij zijn benieuwd of het nieuwe élan dat witloof al een tijdje zoekt met insectenkweek uit een wel heel onverwachte hoek kan komen.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Proefcentrum Herent

Volg VILT ook via