nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

25.07.2016 Rekenkamer neemt de maat van certificering biobrandstof

In de Europese Unie tankt men een hoeveelheid biobrandstoffen die het equivalent is van 7,8 miljoen hectare, exclusief de overzeese import van biodiesel en bio-ethanol. Op grote schaal wordt gebruikgemaakt van biobrandstof omdat het, gelet op de huidige stand van de techniek, de enige manier is waarop lidstaten tegen 2020 één tiende van hun transportsector op hernieuwbare energie kunnen laten rijden. Biobrandstoffen stoten effectief minder CO2 uitstoot dan fossiele brandstoffen, maar hun duurzaamheid wordt ondermijnd door bijkomende emissies als gevolg van veranderingen in landgebruik. Om zeker te zijn dat het klimaat en de samenleving er wel bij varen, moeten biobrandstoffen gecertificeerd zijn. Sluitend is die certificering evenwel niet volgens de Europese Rekenkamer.

Volgens de richtlijn hernieuwbare energiebronnen moet elke lidstaat tegen 2020 minstens tien procent van alle vormen van vervoer op hernieuwbare energie laten rijden, vliegen of varen. In de praktijk worden daartoe grote hoeveelheden biobrandstoffen ingezet. Ze stoten minder CO2 uit dan fossiele brandstoffen aangezien de uitstoot zich beperkt tot de hoeveelheid koolstof die tijdens de teelt is opgenomen door de planten. De duurzaamheid van biobrandstoffen wordt evenwel ondermijnd door bijkomende emissies als gevolg van directe en indirecte veranderingen in grondgebruik.

Om te verzekeren dat de in de EU in de handel gebrachte biobrandstoffen duurzaam zijn, bevat de richtlijn omtrent hernieuwbare energie een aantal duurzaamheidscriteria. Alleen de als duurzaam gecertificeerde biobrandstoffen komen in aanmerking voor het behalen van het streefcijfer van tien procent hernieuwbare energie in het vervoer. Voor de meeste biobrandstoffen die hier in de handel worden gebracht, neemt de Commissie na een positieve beoordeling van de certificeringsprocedure een erkenningsbesluit dat vijf jaar geldt.

Een audit door de Europese Rekenkamer wijst uit dat het certificeringssysteem niet geheel betrouwbaar is. In de erkenningsprocedure van de Europese Commissie zijn tekortkomingen vastgesteld. De Commissie wordt onder meer aangewreven dat de gevolgen van indirecte veranderingen in landgebruik niet worden meegenomen. De productie van biomassa vindt doorgaans op akkerland plaats dat voorheen werd gebruikt voedsel- of diervoederproductie. Deze teelten worden mogelijk verplaatst naar voormalig grasland of bos waar veel koolstof is opgeslagen dat vrijkomt na ploegen.

Eenvoudig is het niet om de indirecte verandering in grondgebruik (internationaal aangeduid als ILUC, nvdr.) in aanmerking te nemen, zo geven de auditeurs toe, “maar de waarde van het certificeringssysteem wordt ondermijnd indien deze informatie buiten beschouwing wordt gelaten”. Ook het risico op ongewenste sociaal-economische effecten wordt onvoldoende geverifieerd. Denk daarbij aan conflicten rond grondbezit, dwang- en kinderarbeid, slechte arbeidsomstandigheden en risico’s voor de menselijke gezondheid en veiligheid.

Verder is het toezicht op eenmaal erkende certificeringssystemen voor biobrandstoffen onvoldoende. Bij gebrek aan toezicht kan de Commissie naar verluidt niet garanderen dat de certificeringsnormen die ter erkenning zijn voorgelegd ook worden toegepast. Zo ontbreekt het aan harde garanties dat biobrandstof gemaakt van afval daadwerkelijk uit afval of reststromen afkomstig is, en dat landbouwteelten aan de milieuvoorschriften voldoen. Nog een punt van kritiek is dat de statistieken waaraan de 2020-doelstelling wordt afgetoetst te flatterend zijn doordat de lidstaten biobrandstoffen als duurzaam kunnen meetellen waarvan de duurzaamheid niet is gecontroleerd.

Volgens gegevens van Eurostat werd in 2014 in de EU in totaal 14.370 ktoe (duizend ton aardolie-equivalent) aan biobrandstoffen gebruikt, waarvan 11.367 ktoe biodiesel (rond 4% van het totale brandstofverbruik in het vervoer) en 2.637 ktoe biobenzine (circa 0,9%). De meest recente cijfers van de Commissie leren dat 79 procent van de biodiesel en 71 procent van de bio-ethanol in de Unie geproduceerd worden. Aangezien uit landbouwgewassen geproduceerde biobrandstof concurreert met voedselproductie, heeft de Europese wetgever in 2015 een bovengrens van zeven procent vastgesteld voor de bijdrage van biobrandstoffen van de eerste generatie aan het streefcijfer van tien procent. De bijdrage van tweede generatie biobrandstoffen uit afval en reststromen zal daarentegen dubbel geteld worden.

Meer info: Europese Rekenkamer

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via