nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

14.11.2016 Samenwerkingsverbanden maken composteren toegankelijker

Als land- en tuinbouwers meer systematisch zélf compost zouden maken van biomassastromen zoals stalmest en oogstresten, dan zouden ze drie vliegen in één klap slaan. Compost sluit de kringloop, gaat het klimaatprobleem via koolstofopslag te lijf en verbetert de bodemkwaliteit. De meeste boeren kennen de voordelen van compost, maar ze haken af op de investering in een compostkeerder, op de wettelijke beperkingen of op het niet beschikbaar zijn van houtige reststromen. Deze en andere moeilijke hordes werden aangepakt in een vier jaar durend onderzoeksproject bij het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO). Lokale samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld van een veehouder, boomkweker en loonwerker, bleken een schot in de roos.

In het kader van het GeNeSys-project gaat onderzoeksinstituut ILVO op zoek naar innovatieve valorisaties van reststromen uit de landbouw. Die reststromen gebruiken als bodemverbeteraar scoort in cascade-systemen niet hoog, en werd recent zelfs gebrandmerkt als het ‘vernietigen’ van oogstoverschotten in de fruitteelt. Toch is er pas echt sprake van sluiten van kringlopen wanneer een voldoende hoeveelheid energie en materiaal, eventueel na een andere valorisatie, terugkeert naar de bodem. Door het composteren van reststromen en het aanwenden van deze compost op eigen velden kan een landbouwer de bodemkwaliteit opkrikken.

Ruim driekwart van de Vlaamse landbouwers weet dat zelfgemaakte compost de bodem vruchtbaarder kan maken. Alleen zijn er maar weinigen die effectief de stap zetten naar composteren op boerderijniveau. De obstakels zijn velerlei: men weet niet hoe je goede compost maakt, de investering in een compostkeerder schrikt af, houtige reststromen om toe te voegen aan de groene biomassa ontbreken, enz. Het doctoraatsonderzoek van Jarinda Viaene (ILVO/UGent) bracht al deze knelpunten aan het licht.

Promotoren Bert Reubens en Bart Vandecasteele van het ILVO-bodemonderzoeksteam lichten er ‘wetgeving’ uit want ook daardoor laten heel wat kandidaat-composteerders zich ontmoedigen. “Verschillende regels vloeien samen wanneer het compost betreft, zodat een landbouwer bijvoorbeeld de mogelijkheid kan verliezen om de compost op een onverharde grond te maken. Het alternatief, een betonplaat, kost geld”, aldus Vandecasteele. Voor de wetgever spreekt het niet vanzelf dat een landbouwer reststromen van buiten de boerderij aanvoert. Het vervelende predicaat ‘afvalverwerker’ loert dan om de hoek. En van zodra mest één van de grondstoffen is van de compost riskeer je op de koop toe om beschouwd te worden als mesthandelaar wanneer de buurman compost afneemt…

Hoewel de regelgever niet bepaald ‘vriendelijk’ is voor compost zijn de voordelen toch van die aard dat beleidsmakers er oren naar zouden moeten hebben. De onderzoekers spreken van een kans om tegelijk de kringloop te sluiten, het klimaatprobleem te lijf te gaan en de kwaliteit van landbouwbodems te verbeteren. Voorbeelden van lokaal beschikbare reststromen voor compostering zijn oogstresten van groenten, stalmest en het maaisel van natuurbeheer. Een landbouwer die deze stromen zelf composteert, heeft na de winter een stabiel koolstofrijk product dat meteen als krachtige bodemverbeteraar inzetbaar is en waarvan de samenstelling en de nutritionele waarde gekend of bepaalbaar zijn.

Dankzij de studie van Jarinda Viaene beschikt de Vlaamse landbouwpraktijk voortaan over scores van de beginkwaliteit van de belangrijkste biomassastromen die in aanmerking komen voor lokale boerderijcompostering. Ook de recepturen en verhoudingen, de tussentijdse kwaliteitsveranderingen en de mate van stabiliteit van het eindproduct zijn gedocumenteerd. Doordat Viaene de relatie kon aantonen tussen enerzijds chemische analyse van de reststromen en anderzijds een snelle waardebepaling met een infraroodscanner (NIRS-toestel) kan men voortaan snel en goedkoop de waarde bepalen van elke nieuwe, lokale biomassastroom. Zo kan je de beste dosis van een bepaalde reststroom in de compost becijferen. Om dat correct te kunnen inschatten voor diverse stromen en omstandigheden, voerden Viaene en haar collega’s proeven uit op verschillende schaalniveaus, van de ILVO compost-pilot tot praktijkbedrijven.

De wetgever is tot nu toe erg voorzichtig met compostering omdat belangrijke meetcijfers ontbraken. “De milieu- impact was daarom niet in detail vast te stellen per stroom en hoeveelheid, laat staan te voorspellen. De huidige vergunningsvoorwaarden jagen de kandidaat-composteerders dan ook op kosten. Ze blazen het composteringsidee af”, vertellen Viaene, Reubens en Vandecasteele. Door lokale samenwerkingsverbanden op te zetten, heeft de doctorandus daar een mouw aan gepast. “Eén lokale groep bestond uit een veehouder met stalmest, een boomkweker en een loonwerker. In een andere samenwerking ging een landbouwer zelf met een gehuurde machine de eigen reststromen composteren, maar wel met toegevoegd maaisel van een naburig natuurgebied. In een derde groep werden eveneens stalmest en natuurmaaisel gemengd, en ging een natuurvereniging zelf aan het composteren. Wat bleek? Samenwerking tussen verschillende partners resulteerde in een beter en economisch meer haalbaar composteerproces ten opzichte van composteren door een individuele landbouwer.”

Uit de resultaten, en vooral uit het enthousiasme waarmee de groepen doorgaan met de samenwerking na het onderzoek, vloeit een pleidooi voort voor een soepelere benadering van de regels. “De definitie van ‘lokale samenwerkingsverbanden’ zou kunnen opgenomen worden als een toelaatbare boerderijactiviteit wanneer reststromen als grondstoffen onderling worden uitgewisseld en dit tot win-win leidt zonder ongewenste milieu-impact. Er zijn signalen dat het beleid oren heeft naar dit pleidooi”, besluiten de ILVO-experten.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via