nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Konijnenhouderij
25.01.2016  Sector met groeimarge dankzij input van onderzoek en marktkansen

Konijnenhouderij werd in Vlaanderen lange tijd gekenmerkt door koterij in de achtertuin van particulieren. Rond de eeuwwisseling kregen de professionele konijnenkwekers te maken met een paar zware – bijna fatale – uitdagingen. Toch herstelde de sector daarvan en op dit moment gaat het de sector voor de wind. Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) berekende dat de Vlaamse konijnensector kan groeien met 10.000 à 20.000 voedsters. Dat is het equivalent van zowat vijf tot tien volwaardige bedrijven. Tal van factoren versterken elkaar: de twee grote konijnenslachthuizen in Vlaanderen moeten momenteel twee derde van hun aanvoer over de grens zoeken, de retail smeekt om meer konijnen uit diervriendelijke groepshuisvesting (parken), konijnenvlees doet het goed bij de bewuste consument en het beleid wees de weg met een helder toekomstplan. Van konijnenkenner Luc Maertens (ILVO) vernemen we dat kweekmethode, fokmateriaal en ziektebeheersing nu veel beter op punt staan.

“Konijnenhouderij is in Vlaanderen echt een mini-sector”, steekt ILVO-onderzoeker Luc Maertens van wal. “We tellen vandaag nauwelijks 15 professionele kwekers in Vlaanderen, in gans België zijn ze met een 20-tal. Dan heb ik het over bedrijven die minstens de hoofdmoot van hun inkomen uit konijnen halen. Een professionele konijnenboerderij telt minstens 800 à 1000 voedsters (vrouwelijke konijnen, nvdr.). In quasi alle gevallen gebeurt ook de afmest van de jonge konijnen op hetzelfde bedrijf.”

Konijnenhouderij kan ook een neventak zijn, waarbij de combinatie wordt gemaakt met een job buitenshuis, met akkerbouw of een andere landbouwactiviteit. Zulke fokkers hebben 300 tot 500 voedsters die ze, via een strikt management, allemaal op dezelfde dag insemineren. De afgemeste vleeskonijnen worden in één keer naar de slachterij afgevoerd, zodat het afgeleverde volume nog net interessant is voor de slachterij. Zoals in andere sectoren wensen de slachterijen alleen nog te werken met volledig gevulde vrachtwagens. Dat is kostenbesparend en komt de traceerbaarheid ten goede.

Behalve een kleine ook een jonge sector
De professionele konijnenhouderij is slechts in de jaren 70-80 begonnen. Voordien genoten we wel faam om onze konijnen, maar dat verkeerde meer in de hobbysfeer. Enkele generaties terug was het konijn een zeer belangrijk nutsdier. Op bijna alle boerderijen had je wel een konijnenhok, maar ze zaten ook overvloedig bij de werkende bevolking tot zelfs in de steden. Met gras, tuin- en keukenafval kon je een vrouwelijk dier voeden en had je op die manier snel 20 à 25 slachtkonijnen per jaar. In menig groot Vlaams gezin stond konijn wekelijks of tweewekelijks op het menu. “Veel van de bestaande rassen zijn hier ontstaan”, weet Luc Maerens, “denk maar aan de Vlaamse Reus of de Witte van Dendermonde.”

In de professionele konijnenhouderij zag je het aantal bedrijven vanaf de jaren 1980-1990 toenemen tot minstens een 50-tal. Maar dan sloeg de zogenaamde ‘dikke buikenziekte’ toe in de sector, een darmproblematiek die leidde tot hoge sterfte (10 tot 30%) bij gespeende konijnen. Bepaalde antibiotica konden daar wel aan verhelpen. Alleen, er gold een algemeen verbod voor sommige middelen en een meer specifiek verbod in Europees verband van de antibiotica die tegelijk groeibevorderend werkten (o.a. zinkbacitracine). De ziekte en de grote verliezen deed het aantal bedrijven in ons land sterk teruglopen.

Elders in Europa werd het probleem bijdehandser aangepakt: Nederland bleef zinkbacitracine inzetten om ‘het welzijn van konijnen te garanderen’. Ook Frankrijk, Italië en Spanje gaven toestemming om het middel te gebruiken als een ‘uitzonderlijke tijdelijke maatregel’. België was, in de nasleep van de dioxinecrisis, zeer streng en gedoogde geen gebruik van zinkbacitracine. Dat maakte dat wij genoodzaakt waren om de gezondheidstoestand van de vleeskonijnen te optimaliseren zonder antibiotica. Onderzoek wees ad-libitum-voedering aan als risicofactor. Nu staat een correcte voerderbeperking en rantsoenering op punt en zijn de spijsverteringsproblemen beheersbaar.

Konijnenkweek door professionelen
Konijnenhouderij kan je voor een stuk vergelijken met varkenshouderij, maar alles gaat veel sneller. Je hebt elk jaar acht productierondes in plaats van 2,5 bij zeugen. De werkzaamheden zijn specifieker en de arbeid is lichter. Niet verwonderlijk dat er nogal wat vrouwelijke konijnenhoudsters zijn, zo merkt Maertens op. Bij voorkeur heeft een konijnenhouder twee stallen of een stal in twee grote gescheiden afdelingen waar in de ene stal de voedsters zitten en in de andere de vleeskonijnen. Na iedere ronde verplaatst men de voedsters van stal (of afdeling). Na verkoop van de slachtkonijnen komt de stal vrij zodat hij grondig ontsmet en gereinigd kan worden. Dit is het zogeheten ‘all-in all-out systeem’.

konijn_geVILT.jpg

Konijnen werpen gemiddeld zo’n 10 à 11 jongen. De jonge konijnen worden gespeend na vier tot vijf weken en zijn slachtrijp op de leeftijd van 10 weken bij een gewicht van 2,5 kilo. Voederen gebeurt best automatisch en gecontroleerd. Bemerk dat het voederwaarderingssysteem voor konijnen dat door ILVO ontwikkeld werd algemeen wordt gebruikt als basis voor de berekening van konijnenvoeders, zowel in Europa als daarbuiten. Konijnen zijn semi-herkauwers die vezelrijke grondstoffen behoeven. Ze hebben slechts één maag maar een zeer grote blinde darm waardoor ze veel vezelrijke producten kunnen verwerken. Konijnenvoeder bestaat daarom uit 1/3 luzerne- of grasmeel, 1/3 graanafval (zemelen) en nog 1/3 zonnepitschroot en bietenpulp. Volle granen of hoogwaardige eiwitbronnen zoals sojaschroot worden nauwelijks of niet gebruikt. Hierdoor onderscheiden konijnen zich sterk van éénmagigen zoals pluimvee en varkens.

Vanaf dit jaar, 2016, zitten de vleeskonijnen volgens de wet verplicht gehuisvest in groepshuisvesting, in zogenaamde verrijkte parken. Voor de voedsters lijkt onderzoek op ILVO uit te wijzen dat parttime parkhuisvesting mogelijkheden biedt maar dat er nog werk aan de winkel is om deze kweekmethode op punt te zetten.

Wetenschap ondersteunt diervriendelijke huisvesting
Rond de meer diervriendelijke huisvesting van konijnen is op ILVO heel wat onderzoek verricht. “Nog steeds”, benadrukt Luc Maertens. “De overgang naar groepshuisvesting in de konijnensector vind ik zelf een bijzonder geslaagd voorbeeld van samenwerking tussen de sector, de dierenwelzijnsorganisaties, het beleid en het onderzoek. Ik herinner mij dat GAIA in 2009 en 2010 mediagenieke acties opzette aan de deur van grootwarenhuizen om de te kleine ‘kooihuisvesting’ van konijnen aan te klagen. De toenmalige minister vroeg advies aan de Raad voor Dierenwelzijn en liet een overleggroep oprichten met de producentenorganisaties, de dierenrechtenorganisaties en met ILVO.

Resultaat: een haalbaar stappenplan van kooi naar parkhuisvesting, mét wetenschappelijke begeleiding, en in 2014 een KB met datums en nieuwe voorschriften voor een geleidelijke en maatschappelijk aanvaarbare nieuwe productiewijze. Deze wetgeving is uniek in de EU en daardoor zijn we koploper in vergelijking met Frankrijk, Italië en Spanje, de traditionele “konijnenlanden”.

konijn.park_ILVO.geVILT.jpg

Stand van zaken?
Luc Maertens: “We maken in de huisvesting onderscheid tussen de gespeende vleeskonijnen die worden vetgemest en anderzijds de voedsters die moeten werpen en hun worp moeten zogen.” Wettelijk gezien moeten de vleeskonijnen vanaf 2016 in groep opgroeien, in parken met speelmogelijkheden. De term ‘verrijkt park’ is door de wetgever, op ons aangeven na de vele experimenten en praktische proeven, duidelijk omschreven. Voor konijnenhouders die nog maar recent in verrijkte kooien geïnvesteerd hadden, of die de intentie hebben om op korte termijn (2020) hun bedrijf te beëindigen, is er een uitdoofscenario voorzien.

Ook voor voedsters is de principiële keuze gemaakt om ze te laten overstappen op collectieve parkhuisvesting indien het onderzoek kan aantonen dat dit een meerwaarde is voor het welzijn van de dieren. Konijnen leven van nature immers in groep. Maar we weten tegelijk dat de moeders onderling agressief zijn en dat ze bij elkaar gaan werpen. Dat verstoort het zooggedrag en leidt tot hoge sterfte. ILVO heeft meerdere alternatieve huisvestingssystemen voor voedsters vergeleken. Het gedrag werd geanalyseerd aan de hand van camerabeelden. De voor- en nadelen voor de voedsters en hun jongen op het vlak van sociale interactie en stress en vechtpartijen zijn minutieus in kaart gebracht.

ILVO ziet wel wat in parttime groepshuisvesting bij de voedsters. Maertens: “Tijdens zowat de helft van de cyclus zitten ze samen, maar drie dagen voor het werpen plaatsen we schotten in het park. Zo hebben de voedsters elk hun eigen individueel nest voor hun jongen. Na een 20-tal dagen zogen kunnen de schotten weer weg en wordt de loop- en speelruimte voor de jongen en hun moeders weer groter. We zijn er nog niet en een aantal problemen moeten nog opgelost worden, bijvoorbeeld hoe we verder de groepshiërarchie kunnen instellen zonder grote vechtpartijen en verwondingen.”

Die knelpunten tracht ILVO te remediëren, anders heeft groepshuisvesting geen meerwaarde, integendeel zelfs. De resultaten tonen wel aan dat het uitgeteste systeem tot veel betere productieresultaten leidt dan de systemen met continue groepshuisvesting die in het buitenland getest worden. “Maar de meetbare meerwaarde voor dierenwelzijn zien wij nog niet drastisch verhogen in onze scores”, plaatst Maertens een kanttekening.

Konijn: duurzaam en gezond
Konijn verdient volgens de ILVO-onderzoeker de stempel ‘duurzaam en gezond’ omdat het dier een vegetarische ‘nevenstroom-eter’ is. Dat dateert al van de ouderwetse konijnenhouderij op kleine schaal. Toen kregen de dieren ruwvoeder zoals gras, klaver, koolbladeren, bieten, … aangevuld met rest- of afvalproducten uit de tuin en keuken. Het geoptimaliseerd voeder in de professionele konijnenhouderij anno 2016 bevat voornamelijk de zemelen van lokaal geteeld graan, zonnebloempitschroot en bietenpulp, en daarnaast luzerne- en/of grasmeel. “Allemaal zaken die niet concurreren met menselijke voeding”, merkt Maertens op, “en die het voeder ook goedkoper maken dan de voeders voor varken of kippen die niet zonder sojaschroot kunnen.”

konijn_Lekkervanbijons.VLAM.jpg

Het duurzame aan konijn heeft ook een milieuaspect: konijnen onderscheiden zich van echte herkauwers doordat ze, ondanks hun vezelrijke voeding, geen wezenlijke hoeveelheden methaangas produceren. Ondanks al deze argumenten daalt de consumptie van konijn. “Door hun hoge aaibaarheidsfactor”, vermoedt Maertens. Voedingsspecialisten catalogeren konijnenvlees nochtans steeds vaker als gezond vlees: konijn geeft een magere vleessoort met een zeer goede vetzuursamenstelling. De verhouding omega 3 – omega 6 ligt in de buurt van vijf, net hetgeen door de Hoge Gezondheidsraad aanbevolen wordt. Het is geen rood vlees en wordt daarom niet gelinkt aan een mogelijk verhoogd risico op darmkanker. Ten slotte komt konijn op het bord van moslims, dit in tegenstelling tot varkensvlees.

Voor een producent de investering waard?
De sector heeft uitbreidingspotentieel in Vlaanderen. Maertens schat dat er ruimte is voor 10.000 à 20.000 extra voedsters. Dat komt overeen met vijf tot tien volwaardige bedrijven, een opportuniteit gelet op de overproductie in andere dierlijke sectoren. Ook in deze sector valt er geen geld te verdienen als je niet eerst flink investeert. Een kweker in spe kan gaan voor een specifieke nieuwbouw, maar ook iets oudere loodsen of bestaande stallen bij varkens- of rundveehouders kunnen omgebouwd worden.

De kostprijs van de huisvesting in parken bedraagt vlug zo’n 125 euro per voedster. Wanneer men een nieuwbouw overweegt dan komt het globale plaatje snel in de buurt van 600 euro (voedster) voor een gesloten bedrijf. “Gelukkig kan er beroep gedaan worden op verhoogde steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds”, weet Luc Maertens. “Voor wie aan de voorwaarden voldoet, kan de bouw en/of investering in parkhuisvesting tot 30 procent gesubsidieerd worden.”

Maertens vindt dat de investering de moeite waard is. Bij het maken van die overweging houdt hij rekening met volgende factoren:

  1. Slachterijen en retail zijn vragende partij om Belgisch parkkonijn in de winkelrekken te kunnen aanbieden. Maar de productie heeft de snelle omschakeling van kooi naar park niet kunnen volgen en momenteel komt twee derde van de aanvoer uit Nederland en Frankrijk.
  2. Nu zijn we in staat veel beter de ziekteproblematiek te beheersen.
  3. Er is een unieke en recente wetgeving/toekomstplan dat duidelijk de richting aangeeft hoe konijnen gehouden moeten worden.
  4. Met twee grote slachterijen is de slacht- en verwerkingscapaciteit in Vlaanderen aanwezig en momenteel zelfs onderbenut.
  5. Productietechnieken en management staan nu veel beter op punt (groepenproductie, KI, voeder en voederbeperking), wat onder meer te danken is aan het onderzoek door ILVO.
  6. Er is nu veel beter en gezonder fokmateriaal (hybriden) en parkhuisvesting op de markt.
  7. De prijzen liggen het jongste jaar op gemiddeld 1,9 euro per kilo levend gewicht – zonder toeslag voor parkhuisvesting – terwijl de productiekostprijs in de buurt van 1,4 euro ligt.

Kortom er bieden zich kansen aan, aldus Maertens, maar men moet dit doen met de juiste techniek en begeleiding.

Voor wie meer wil weten, somt de onderzoeker tot slot nog op wat er op de planning staat. “In samenwerking met alle konijnenhouders nemen we momenteel interviews af op de bedrijven om de problemen met parkhuisvesting in kaart te brengen. Dit zal de omschakeling van kooi- naar parkhuisvesting verder bevorderen. Verder wordt op een praktijkbedrijf de haalbaarheid van parttime groepshuisvesting uitgetest en op het ILVO testen we nog enkele varianten van dit systeem uit. Diergezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) volgt de gezondheidstoestand op terwijl ILVO de kwekers bijstuurt om een correcte voerderbeperking door te voeren zodat de spijsverteringsproblemen beheersbaar zijn.

Via vakpers, demo’s en beurzen (Agro-Expo en de Agridagen) wordt in het voorjaar van 2016 nadrukkelijk ingezoomd op de konijnenhouderij. Op 13 april organiseert ILVO een demo-dag waar diverse opstellingen niet alleen te zien zullen zijn maar eveneens de problemen interactief aan bod zullen komen. Met het demo-project ‘Konijnen in parken’ in samenwerking met DGZ wil ILVO kandidaat-konijnenhouders ondersteunen.

Meer weten? Herlees het VILT-artikel 'Belgisch konijn zoekt professionele kweker' uit 2013.

Bron: |

Beeld: Luc Maertens i.o.v. ILVO / VLAM / VILT

In samenwerking met: ILVO

Volg VILT ook via