nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

04.04.2019 Stallenbouwers realiseren minder maar grotere projecten

Het orderboekje van stallen- en loodsenbouwers werd de jongste jaren vooral gevuld met nieuwe kippenstallen. Braadkippenhouderij trok namelijk nieuwe starters aan – boeren die varkens inruilden voor kippen of akkerbouwers die diversifieerden – en sommige bestaande bedrijven hebben uitgebreid. “De bouwwoede is ondertussen over”, zei Fedagrim-voorzitter Johan Colpaert tijdens de jaarlijkse ontmoeting van de federatie van toeleveranciers met de pers. Van de sector waarin hij zelf werkzaam is als stallenbouwer heeft hij een goed beeld: “Kippenstallen blijven één van de drie vaakst voorkomende bouwprojecten, naast melkveestallen en bewaarloodsen voor aardappelen.” Haast altijd gaat het om nieuwbouw want, zo zegt Colpaert, “milieueisen staan renovatie in de weg en oude stallen zijn vaak ook te laag en slecht geventileerd.”

Bij de voorstelling van het Economisch Dossier van Fedagrim ging de aandacht vooral naar de verkoopcijfers van tractoren, landbouwmachines en tuingereedschap. Investeert een landbouwer in een nieuwe stal of loods, dan klopt hij daarvoor ook aan bij leden van Fedagrim. Voorzitter Johan Colpaert staat zelf aan het hoofd van een bouwfirma (Altez Group) en is dus goed geplaatst om toelichting te geven bij de trends in zijn sector.

De schaalvergroting in de landbouw tekent zich af in de stallen die gebouwd worden en de uitrusting van die stallen. Melkveehouders kiezen bijvoorbeeld voor een melkinstallatie en melkkoeltank met meer capaciteit. Meer dan de helft van de verkochte traditionele melkstallen heeft meer dan 20 melkstanden. Op een totaal van 140 nieuwe melkinstallaties in 2018 werden er 88 robots verkocht. “Hun marktaandeel is naar meer dan 60 procent gestegen”, vertelt Fedagrim-coördinator federatiewerking Gert Van Thillo. “Sommige melkveehouders starten met automatisch melken, terwijl anderen uitbreiden en investeren in een tweede of derde robot. Met een robot melken heeft een hogere kostprijs, maar gebruikers kiezen voor het arbeidsgemak.”

Stallen worden groter en de staluitrusting hoogtechnologisch. Dat heeft een prijskaartje. “We bouwen minder nieuwe stallen, maar projecten worden wel groter en duurder. Een investering van 1 miljoen euro is geen rariteit meer. Vroeger bouwde onze firma in één gemeente vijf stallen. Nu is dat nog één grote stal per vijf gemeenten.” Het aantal nieuwbouwprojecten in de varkenssector is door de opeenvolging van weinig rendabele jaren spectaculair gedaald. Momenteel is de uitbraak van Afrikaanse varkenspest bij everzwijnen spelbreker op de markt voor varkensvlees. “Wordt er geen geld verdiend, dan wordt er niet geïnvesteerd. Zeker niet door de varkenshouders die hun bedrijf als onafhankelijk ondernemer runnen. Ook in de melkveehouderij staat het rendement onder druk”, aldus Colpaert, die vreest voor een halvering van de boerenpopulatie in ons land.

Milieueisen zijn vaak een drijfveer om nieuw te bouwen, maar dat maakt de voorzitter van Fedagrim nog niet tot een fan van steeds strengere wetgeving. “Het level playing field met het buitenland is zoek. Ik vrees dat boeren versneld gaan afhaken.” Wie doorgaat, staat voor nieuwe uitgaven. In de melkveehouderij wordt er onder invloed van het ammoniakemissiebeleid geïnvesteerd in emissiearme vloeren. Een onverdeeld succes zijn die vloeren niet. In de praktijk duiken er problemen op wanneer de vaste fractie van de urine gescheiden wordt om ammoniakontwikkeling te voorkomen. “In de zomer wordt de mest zo droog dat de mestschuif gaat smeren in plaats van schuiven. Bedrijven met 150 of meer koeien doen er daarom beter aan om te investeren in een volle vloer en afgesloten mestsilo buiten de stal.”

Een veestapel van 150 melkkoeien is meer dan dubbel zo groot als de gemiddelde bedrijfsomvang in Vlaanderen. Bij nieuwbouw gaat het daar toch naar toe want haast altijd gaat bouwen gepaard met een uitbreiding van de veestapel. Als stallenbouwer is Colpaert het gewend om te bouwen voor meer dan honderd koeien, “tot 250 koeien, dat is zowat het maximum in Vlaanderen”. Zulke bedrijven worden door twee generaties gerund, of door de bedrijfsleider met de hulp van een medewerker. Het melken van de koeien gebeurt meestal door een robot. Pas bij bedrijfsgroottes van meer dan 250 koeien kiest de bedrijfsleider sneller voor een draaimelkstal.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via