nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

12.04.2017 Te hoog pesticidenresidu in voeding blijft curiosum

Uit staalnamen van voedingsmiddelen blijkt dat het gezondheidsrisico dat Europeanen lopen door pesticidenresiduen erg klein is. Voedselveiligheidsautoriteit EFSA communiceert dat al een aantal jaren op rij omdat de laboresultaten zelden niet conform de wettelijke limieten zijn. Afgemeten aan de in Europa toegestane residulimieten (MRL’s) scoorde 97 procent van de stalen in 2015 conform. In 53 procent van de stalen was geen enkel spoor (meer) te vinden van een behandeling met gewasbeschermingsmiddelen. In 44 procent van de gevallen was er wel een residu maar bleef dat binnen de limiet. In een jaar tijd werden meer dan 84.000 stalen van voedingsmiddelen (groenten en fruit maar ook boter, eieren en fruitsap) gescreend op de aanwezigheid van honderden chemische stoffen.

De aanwezigheid van pesticidenresiduen in voeding is een gezondheidsrisico dat in de EU streng bewaakt wordt. Ieder jaar worden er meer dan 80.000 stalen van voedingsmiddelen genomen, en telkens is het resultaat geruststellend in de zin dat de conformiteit met de residulimieten al enige jaren rond de 97 procent schommelt. Met twee jaar vertraging, voor het jaar 2015 dus, verzamelt de Europese voedselautoriteit EFSA de controleresultaten van de lidstaten en ook van IJsland en Noorwegen die een gelijkaardig monitoringprogramma hanteren. Het jaarrapport vat 20 miljoen data samen want in de 84.341 voedselstalen wordt niet naar één maar gemiddeld naar 220 verschillende chemische stoffen gezocht. Het totale aantal actieve stoffen van gewasbeschermingsmiddelen dat meegenomen wordt in de screening loopt op tot 774.

Het rapport van EFSA over de resultaten van 2015 is een doorslagje van het 2014-rapport. In 53,3 procent van de stalen werd helemaal geen residu gemeten, wat een hele prestatie is als je weet dat de labotechnieken steeds verfijnder worden. Binnen de wettelijke limieten werden er restanten van gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen in 43,9 procent van de stalen. De voedselautoriteit telt beide op om tot de conformiteitsgraad van 97,2 procent te komen. Omgekeerd was er dus in 2,8 procent van de gevallen een probleem. Het gaat om 2.366 staalnamen waarbij de maximale residulimiet overschreden werd. In 1.346 van die 2.366 stalen was de limiet duidelijk overschreden zodat de nationale autoriteiten dienden in te grijpen.

Ongeveer een kwart van de stalen heeft betrekking op geïmporteerde voedingswaren. Daarmee doen zich iets vaker problemen voor. In 5,6 procent van de gecontroleerde voedingswaren uit het buitenland was de door Europa gehanteerde residulimiet overschreden. Enige meetonzekerheid buiten beschouwing gelaten ging het nog om 3,4 procent van de stalen. Producten van eigen bodem scoren duidelijk beter want 1,7 procent – en na meetcorrectie zelfs maar 0,9 procent – van de stalen overschrijdt de limiet. Wanneer er verboden gewasbeschermingsmiddelen gevonden worden op voedingswaren, dan zijn het opnieuw de geïmporteerde voedingswaren die de teller doen oplopen. Op een totaal van 3.170 chemische stoffen die aangetroffen werden in niet toegelaten hoeveelheden ging het bijna 1.200 keer om een product dat in de EU niet goedgekeurd is voor gebruik, en 760 keer kon dat herleid worden naar een ingevoerd voedingsproduct.

Specifiek voor babyvoeding en voeding voor jonge kinderen werden ruim 1.500 stalen genomen. Hier ligt de non-conformiteit iets hoger (3,3%), wat EFSA verklaart door de veel strengere limiet die uit voorzorg gehanteerd wordt. De drempelwaarde is hier nagenoeg gelijk aan de laagste waarden die labo’s kunnen meten. Een specifiek gezondheidsrisico dat ook extra aandacht krijgt, is het voorkomen van meerdere residuen op één voedingsmiddel. Dit was in 28 procent van de gecontroleerde voedingswaren het geval. De kritiek die in het verleden steevast op de geruststellende communicatie door EFSA kwam, had onder meer hiermee te maken. Consumenten- en milieuorganisaties zijn namelijk bevreesd voor een ‘combitox’-effect veroorzaakt door het gecombineerd effect van verschillende pesticiden samen. Daarvoor hoeven ze niet eens voor te komen op één en hetzelfde voedingsmiddel. Ook een normaal eetpatroon zal er toe leiden dat de consument blootgesteld wordt aan een optelsom van pesticidenresiduen die elk apart beschouwd de wettelijke limiet respecteren.

EFSA kwam voor een stuk tegemoet aan die kritiek want het beperkt zich nu niet meer tot het screenen van het risico van de verschillende actieve stoffen afzonderlijk. Voor de 11 voedingsmiddelen (o.a. fruitsap, druiven, bananen, broccoli, olijfolie en tarwe) die op vraag van Europa in iedere lidstaat gescreend werden, is een inschatting gemaakt van de blootstelling aan pesticidenresiduen via ons eetpatroon. Voor de berekening van het risico op korte termijn kijkt EFSA naar de mate waarin een consument via die 11 voedingswaren blootgesteld kan worden aan pesticidenresiduen die de acute referentiedosis (ARfD) overschrijden. Dat is de hoeveelheid die je van een stof binnen 24 uur kan innemen zonder noemenswaardig gezondheidseffect.

Uit de staalnamen blijkt dat die drempelwaarde in een beperkt aantal gevallen overschreden werd en een acuut gezondheidsrisico niet helemaal uit te sluiten valt, bijvoorbeeld voor het insecticide chloorpyrifos in een aantal groente- en fruitsoorten en de groeiremmer ethefon in druiven en paprika. Over het algemeen stelt het probleem zich niet. De voedselautoriteit geeft zelf aan dat ze het korte-termijnrisico overschat door uit te gaan van hoge innames van de betrokken voedingsproducten, zonder er rekening mee te houden dat het residu vermindert door het wassen, schillen en eventueel koken van groenten en fruit.

De volgende vraag is of het op korte termijn verwaarloosbare risico niet reëler wordt als je er rekening mee houdt dat we dag in dag uit en jaar in jaar uit voedingsmiddelen consumeren waarop in ongeveer de helft van de gevallen sporen van gewasbeschermingsmiddelen worden teruggevonden. Om daar een antwoord op te kunnen geven, grijpt EFSA terug naar de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI). Dat is de maximale hoeveelheid van een stof die je levenslang dagelijks mag innemen zonder dat dit slecht is voor je gezondheid.

Een eetpatroon waar de 11 beschouwde voedingsproducten in grote mate deel van uitmaken, zal op één uitzondering na de ADI nooit overschrijden. Voor de meeste gewasbeschermingsmiddelen waarvoor die oefening gebeurde, blijft de geschatte blootstelling via onze voeding beneden tien procent van de ADI. Enkel voor het in Europa verboden insectide dichloorvos, dat sporadisch nog aangetroffen wordt op geïmporteerde voedingswaren, leek er een risico te bestaan door langdurige blootstelling. EFSA relativeert dat meteen gelet op de amper 0,02 procent van 66.640 op dichloorvos onderzochte stalen waarin het insecticide geïdentificeerd werd.

Meer info: EFSA

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via