nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Hoe de Vlaamse landbouw beter wapenen tegen weersextremen?
05.03.2018  Terugblik op de extreme droogte in 2017

Het voorjaar van 2017 was, vooral in West-Vlaanderen, uitzonderlijk droog. Op verschillende plaatsen daalde het waterpeil onder het minimum. Water was hoognodig voor het beregenen van landbouwgewassen maar de drinkwatervoorziening voor mens en dier kwam in gevaar zodat de gouverneur een oppompverbod uitvaardigde in de Westhoek. Veel teelten leden onherstelbare schade zodat het rampenfonds tussenbeide komt, zoals dat ook gebeurt voor de wateroverlast in 2016. Het enige goede aan de korte opeenvolging van calamiteiten is dat de ‘sense of urgency’ nu aanwezig is en plannen doet smeden. Door de klimaatverandering kan onze regio immers nog vaker met zulke extremen geconfronteerd worden.

Na een seizoenstart in de modder waren boeren en tuinders opgelucht dat het in de zomer van 2016 eindelijk ophield met regenen. Wat ze toen nog niet wisten, was dat de droogte zou aanhouden tot de zomer van 2017. Nagenoeg een jaar lang lag het maandelijkse neerslagtotaal telkens lager dan de normale hoeveelheid. Vanaf mei werd dat stilaan een probleem voor de land- en tuinbouw en nog een maand later vielen de beregeningshaspels in de Westhoek stil bij gebrek aan water. Volgens het KMI is de droogte die Vlaanderen vorig jaar trof uitzonderlijk ernstig, en bijna vergelijkbaar met de erg ongewone situatie in 1976.

Door de aanhoudende droogte stonden de meeste regenwaterputten halfweg juni droog. Drinkwatermaatschappijen merkten een verhoogd gebruik want burgers vulden zwembadjes met leidingwater en sproeiden er hun tuin mee. In de landbouw nam de vraag naar water ook toe zodat het waterpeil van spaarbekkens en rivieren zienderogen verminderde. Het risico op waterschaarste en verzilting werd zodanig groot dat West-Vlaams gouverneur Carl Decaluwé op 16 juni 2017 een eerste captatieverbod uitvaardigde voor de beregening met water uit waterlopen, dat later nog werd uitgebreid. Op 22 juni kondigden alle provinciegouverneurs op vraag van minister Schauvliege een waterverspillingsverbod af voor alle burgers. Kostbaar leidingwater mocht niet langer gebruikt worden voor het vullen van een zwembadje of het wassen van een auto. In West-Vlaanderen bleef dat van kracht tot 14 juli, elders tot eind juni.

droogte.gazon.tuin_geVILT.jpg

Het captatieverbod voor landbouwers heeft veel langer standgehouden, en deinde almaar uit in oppervlakte omdat radeloze telers uitweken naar de waterlopen waar oppompen wel nog mocht. Vanaf 21 juni gold het bijvoorbeeld voor het volledige Leiebekken, ook het Oost-Vlaamse deel, om te vermijden dat landbouwers net over de provinciegrens water zouden capteren. Pas op 18 augustus normaliseerde de situatie en werden de verschillende captatieverboden opgeheven. Voor het poldergebied De Moeren gebeurde dat nog twee weken later.

Teeltschade door droogte officieel erkend als landbouwramp
Op 22 september erkende de Vlaamse regering de droogte als landbouwramp, wat het uitzonderlijk karakter van het weersfenomeen en de schade die het veroorzaakte nogmaals in de verf zet. Hoeveel de extreme droogte landbouwers precies gekost heeft, is nog onduidelijk. Ze hadden tot 31 januari de tijd om een schadedossier in te dienen. Vooral de opbrengsten van (half)vroege aardappelen, vlas en vollegrondsgroenten lagen beduidend lager. Groenten zoals bloemkool, spinazie, bonen, recent geplante prei en kolen werden beregend opdat de oogst niet compleet zou mislukken.

Sommige telers waren zo wanhopig dat ze het captatieverbod negeerden, maar dat kwam hen op een berisping van de politie of een proces-verbaal te staan. De meeste landbouwers reden een heel eind verder om toch water te vinden, of schakelden daarvoor een loonwerker met groter materiaal in. Het kanaal Roeselare-Leie, maar ook de IJzer op Frans grondgebied, waren plots trekpleisters voor tractoren. “Landbouwers deden uitzonderlijke inspanningen om hun teelten te redden. Water aanvoeren over verre afstanden kost bovendien handenvol geld zodat de rendabiliteit van de hele operatie een vraagteken is.”

beregening.irrigatie_geVILT.jpg

Aan het woord is Bart Debussche, actief als sectoradviseur bij het Departement Landbouw en Visserij en vorige zomer door minister Joke Schauvliege aangeduid als watercoördinator bij het departement. Bart is gespecialiseerd in de teelt van openluchtgroenten, is als adviseur dus vooral actief in Oost- en West-Vlaanderen, en dat maakte van hem de geknipte watercoördinator want de groenteboeren in het westen werden het ergst getroffen door de droogte. Hij kreeg van de minister de opdracht om mee te helpen zoeken naar alternatieve waterbronnen en meer in het algemeen de landbouw weerbaarder te maken voor weersextremen.,In 2016 schreven de weergoden een heel ander scenario en viel het water in korte tijd met bakken uit de hemel. Droogte is anders, doet zich meer geleidelijk voor en de vraag wanneer er regen komt, zorgt voor een kwellende onzekerheid. De landbouworganisaties drongen zelf aan op overleg.

Een crisisdraaiboek en droogteplan zijn in voorbereiding, maar vorig jaar bestonden ze niet en kon men er niet op terugvallen. Structureel overleg over het waterbeleid op Vlaams niveau bestond wel al, in de schoot van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW). “Het Departement Landbouw en Visserij is lid van CIW, en werkt daar samen met de andere leden van de CIW ”, vertelt Marie Verhassel, die het waterbeleid opvolgt voor de landbouwadministratie.

“Zo’n bijeenkomst van CIW brengt bijzonder veel actoren rond de tafel”, zegt Verhassel en ze somt op: naast de Vlaamse administraties bevoegd voor landbouw en visserij, omgeving, mobiliteit en openbare werken ook het Agentschap voor Natuur en Bos en De Vlaamse Waterweg. De lokale waterbeheerders (provincies, gemeenten, polders en wateringen) en de bekkenbesturen (via de provinciegouverneurs) vaardigen vertegenwoordigers af, en voor de afvalwater- en drinkwaterbedrijven (Aquaflanders) neemt er ook iemand deel. De Vlaamse milieumaatschappij (VMM) neemt het voorzitterschap waar.
Minister Schauvliege vroeg aan CIW om de taak van droogtecoördinator op te nemen en een droogteplan voor de toekomst uit te werken. “CIW maakt twee plannen op”, verduidelijkt Verhassel, “het ene is een draaiboek voor een droogtecrisis (reactief) en het andere is een proactief risicobeheerplan voor de langere termijn.”

Vlaanderen werkt structureel aan de waterproblematiek
Na een gortdroge seizoenstart schaarde de landbouwsector zich rond één tafel voor een crisisoverleg in aanwezigheid van het kabinet Schauvliege, de watercoördinator en andere vertegenwoordigers van het Departement Landbouw en Visserij. Namen ook deel: ILVO, VLM, CVBB, de praktijkcentra, de landbouworganisaties, producentenorganisaties in de groenteteelt, groenteverwerkersfederatie Vegebe, Belgapom voor de aardappelverwerkers en het Vlasverbond.

Binnen de bevoegdheden van de Vlaamse overheid werd naar oplossingen voor de droogte gezocht. “Voor de korte termijn kom je dan uit bij een tussenkomst van het Landbouwrampenfonds, dat sinds de regionalisering voor het eerst uitgevoerd wordt door het Departement Landbouw en Visserij”, zegt Marie Verhassel, “Het verder uitwerken van de PDPO- subsidiemaatregel ‘brede weersverzekering’ is een volgende actie.”

wateroverlast.graan_geVILT.jpg

Op de landbouwonderzoekscentra wordt een beroep gedaan voor kennisvergaring en -verspreiding omtrent droogtetolerante gewassen, het waterbergend vermogen van de bodem, alternatieve waterbronnen, enz. In de voorlichting en ondersteuning van landbouwers zal water een nog voornamere rol gaan spelen. Bij de gratis bedrijfsadviesdienst KRATOS kunnen landbouwers aankloppen voor een wateraudit die hen concreet informeert over de mogelijkheden om alternatieve waterbronnen aan te spreken en water te besparen of te hergebruiken. Het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) zorgt voor financiële ondersteuning bij de omschakeling naar alternatieve waterbronnen, bijvoorbeeld via de aanleg van wateropslagsystemen op het bedrijf, of voor technieken voor efficiënter watergebruik, enz.

Land- en tuinbouwers die het watergebruik op hun bedrijf willen verduurzamen, kunnen zich laten inspireren door de Praktijkgids Water. De praktijkgids, terug te vinden op de website van het Departement Landbouw en Visserij maakt wegwijs in de wettelijke verplichtingen, en legt uit over welke technieken bedrijven uit de verschillende deelsectoren beschikken om water te besparen, te hergebruiken of er alternatieve bronnen voor te vinden. In de loop van 2018 wordt de gids bijgewerkt.

Irrigeren kan je leren
De komende jaren zal er ook projectmatig sterk rond landbouw en water gewerkt worden. “Op het moment dat droogte Vlaanderen trof, was de oproep voor demonstratieprojecten die inzetten op het thema water, o.a. op innoverende waterbesparende technieken al gelanceerd”, herinnert Marie Verhassel zich. “Eind vorig jaar werden twee projecten goedgekeurd”, vult Bart Debussche aan. “Eén project focust op beredeneerd beregenen van aardappelen en openluchtgroenten. Daaraan werken het Proefcentrum voor de Groenteteelt (PCG), dat voor de aardappelteelt (PCA), Inagro en de Bodemkundige Dienst (BDB) samen. Omdat de kostprijs van beregening te weinig gekend is, gaan zij aan het rekenen.

Ook wil men landbouwers helpen om efficiënter te beregenen met behulp van een beregeningsmodel. Het tweede goedgekeurde project demonstreert druppelirrigatie in groenten en fruit en leert telers welke druppelslangen bruikbaar zijn, hoe je ze installeert en aanstuurt en heel houdt bij veldwerkzaamheden. Dit wordt uitgevoerd door het Proefstation voor de groenteteelt (PSKW), het Proefcentrum voor fruitteelt (PCF) en de Bodemkundige Dienst van België (BDB).”

kersen.irrigatie_geVILT.jpg

Debussche gelooft dat er met druppelirrigatie grote efficiëntiewinsten geboekt kunnen worden. “Kijk naar Spanje, waar droogte zich voortdurend voordoet. Haast alle gewassen worden daar beregend door middel van druppelslangen. In Vlaanderen passen we het toe in aardbeien en ander fruit, en in groenten zoals courgettes. De beregeningshaspel is hier nog altijd veel couranter. Nochtans is druppelirrigatie ook haalbaar in teelten als aardappelen en bloemkolen.” Bij de evaluatie van de droogte gaven de landbouworganisaties zelf aan dat hun leden te weinig afweten van irrigatiesystemen en hun rendement.

“Allicht kan er sterk bespaard worden op irrigatiewater”, zegt Verhassel, door middel van een interne studie over watergebruik en waterbehoeften willen we o.a. meer zicht krijgen op het gebruik van water voor irrigatiedoeleinden. Misschien wordt dan ook duidelijker hoeveel oppervlaktewater benut wordt voor beregening want de huidige inschatting van 2 procent is haast zeker aan de te lage kant. “Aangelanden van een onbevaarbare waterloop mogen dat oppervlaktewater tot op heden capteren zonder registratie”, verklaart Verhassel de onvolledige cijfers. “Voor het oppompen van water uit bevaarbare waterlopen is naargelang het debiet een melding of vergunning nodig.”

Dorstige dieren en teelten
Het totale waterverbruik in de Vlaamse landbouw wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) geschat op 68,5 miljoen m³ in 2014. Daarvan zou 80 procent grondwater zijn, terwijl leidingwater en regenwater instaan voor respectievelijk 9 en 7 procent van het verbruik en oppervlaktewater – onder voorbehoud – voor 2 procent. VMM maakt zelf een extrapolatie van de cijfers uit het Landbouwmonitoringsnetwerk om een idee te krijgen van de onzekerheid op de cijfers. Wanneer het waterverbruik van de 750 bedrijven die hun boekhouding delen met de overheid als maat wordt genomen, dan zou de Vlaamse landbouw 52 miljoen m³ gebruiken, waarvan 31 miljoen m³ grondwater. Gespecialiseerde veebedrijven (melkvee, vleesvee, varkens) vertegenwoordigen 39 procent van het waterverbruik in de landbouw. Groenteteelt in open lucht en onder glas heeft een aandeel van 20 procent.

Als er één les getrokken kan worden uit 2017, dan is het wel dat water dichtbij voorradig moet zijn voor teelten met een grote waterbehoefte. Debussche geeft bloemkool als voorbeeld: “Een voorjaarsteelt heeft vrijwel altijd één of meerdere beregeningsbeurten nodig. De teler moet dat op een betaalbare manier kunnen organiseren en dus vlakbij toegang hebben tot grond- of oppervlaktewater.” Niet langs elk perceel stroomt een waterloop en het oppompen van grondwater is vergunningsplichtig zodat waterbuffering als een belangrijk punt uit het overleg naar voren kwam.

waterbuffer.geVILT.jpg

“Land- en tuinbouwers moeten ook op eigen houtje met waterbuffering aan de slag gaan, en niet wachten op de overheid”, benadrukt Verhassel. In West-Vlaanderen heeft men dat goed begrepen, en stimuleert het provinciebestuur de samenwerking met eigenaars-landbouwers voor de aanleg van spaar- en bufferbekkens op privéterrein. Niet alleen boeren, ook burgers, bedrijven, sectoren en verenigingen worden ingeschakeld in de zoektocht naar oplossingen voor waterproblemen. Het participatief pilootproject Kerkebeek is daar een mooi voorbeeld van, want verschillende actoren zoals Vlaamse overheid, provincie West-Vlaanderen, de betrokken sectoren, inwoners uit Zedelgem en Sint-Michiels Brugge konden aangeven welke maatregelen ze zelf al kennen en nemen en welke nieuwe maatregelen ze kunnen nemen/plannen om het overstromingsrisico te beperken.

De laatste jaren wordt er aan bufferbekkens die wateroverlast moeten voorkomen steeds vaker een spaarfunctie gekoppeld. Dat moet reeds bij de aanleg bekeken worden, want een gecombineerd buffer- en spaarbekken mag deels leeglopen om klaar te zijn voor een volgende stortbui maar mag nooit volledig droog komen te staan. In West-Vlaanderen zijn er 12 provinciale bufferbekkens waaruit landbouwers water kunnen putten tot het minimumpeil bereikt is. Eind juni 2017 waren nog twee bufferbekkens in gebruik, waaronder het bekken in Langemark dat gevuld werd met effluentwater van een melkerij.

Verzilting maakt (bruikbaar) water nog schaarser in tijden van droogte
Omdat de officiële bufferbekkens in de kustprovincie één na één droogvielen, startte een naarstige zoektocht naar vijvers en andere putten om de beregeningshaspels draaiende te houden. In Roksem en Veurne werden geschikte vijvers gevonden, maar elders (o.a. De Kalkaart in Oostende) bleek het water te zout of was de waterkwaliteit te onzeker. Niet alleen de zee is een oorzaak van verzilting, ook het afvalwater van de West-Vlaamse voedingsindustrie bevat zouten. “Bedrijven werken met leidingwater dat ze ontkalken met een systeem op zoutbasis”, weet Debussche. “Het zoutgehalte reduceren, is dus een aandachtspunt bij hergebruik van gezuiverd afvalwater. Bij Ardo is men daar bijvoorbeeld mee bezig nu hun afvalwater benut gaat worden voor de irrigatie van omliggende percelen.”

Om verzilting van de kustpolders door de nabijheid van de zee te voorkomen, is het essentieel dat het waterpeil van alle waterlopen niet te diep wegzakt want zoet oppervlaktewater is nodig om opstijgend zout grondwater tegen te houden. Dat was een belangrijke reden om vorig jaar een captatieverbod uit te vaardigen in het IJzerbekken. De gemeten zoutwaarden waren zo hoog dat ze levensbedreigend kunnen zijn in het drinkwater van vee.

melkvee.schaduw.hitte_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

“De Vlaamse en provinciale overheid gaan het probleem beter opvolgen en de omvang ervan onderzoeken. Ook de polderbesturen zijn er sterk mee bezig”, aldus Marie Verhassel en Bart Debussche. In het kader van het Europese Topsoil-project onderzocht de Vlaamse Milieumaatschappij vorige zomer de verzilting van het grondwater in het kust- en poldergebied. Dat gebeurde met een helikopter, die laag overvloog met een grote meetsonde die een elektromagnetisch veld uitzond. Zo werden gegevens verzameld over het geleidend vermogen van de ondergrond, waaruit de verziltingsgraad afgeleid kan worden.

Na de droogte van vorig jaar is dus vooral in West-Vlaanderen de bal aan het rollen gegaan. Sindsdien is iedereen zich bewust van het belang van voldoende kwalitatief water. Door de grote waterbehoefte van de West-Vlaamse textiel- en voedingsindustrie dreigden diepe grondwaterlagen uitgeput te geraken zodat het vergunningenbeleid reeds vele jaren terug verstrengde. Het bedrijfsleven werd aangespoord om alternatieve waterbronnen te benutten.

“Ook de landbouw heeft in West-Vlaanderen een grotere waterbehoefte dan in de andere provincies. Niet omdat het er minder zou regenen, maar vanwege de teelt van vollegrondsgroenten”, zegt Debussche. “Bovendien is er in de kustprovincie weinig aanvoer van oppervlaktewater, enkel de IJzer stroomt binnen vanuit Frankrijk.” Een lage waterbeschikbaarheid is volgens Marie Verhassel een probleem waar gans Vlaanderen mee kampt. “Weinig grote rivieren stromen hier binnen, onze bevolkingsdichtheid en verstedelijking is groot en landbouw is hier intensief. Belangrijk voor de toekomst is dat we een beter beeld krijgen van de waterbehoefte van landbouw en andere economische sectoren, en dat we in een afwegingskader voorzien om het (weinige) beschikbare water correct te verdelen wanneer er een tekort is. Ook zullen er grensoverschrijdend afspraken gemaakt moeten worden, bijvoorbeeld met Frankrijk over de Leie.”

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Loonwerk Defour / VILT

Volg VILT ook via