nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

30.12.2016 Testwerking objectiveert geneticakeuze in varkensstal

Rassenlijsten en de bijbehorende veldproeven door de praktijkcentra helpen boeren en tuinders bij hun keuze voor zaaizaad dat uitzicht geeft op een goede opbrengst. De objectieve vergelijking tussen variëteiten wordt zowel voor akkerbouwteelten gemaakt als voor de diverse groenten. Dat is een wereld van verschil met de toelevering van zaad aan de … varkenshouderij. De snelle verstaander begrijpt dat het hier om het sperma gaat dat een boer aankoopt om zijn zeugen te insemineren. Daarvan wil hij weten wat voor nakomelingen het zal geven. Tot dusver zat er weinig anders op dan de KI-centra op hun woord te geloven, maar daar komt verandering in. De Vlaamse Piétrain Fokkerij (VPF) heeft namelijk een testwerking voor eindberen op poten gezet.

“Nieuw, revolutionair en uniek voor Europa”, zo wordt de testwerking voor eindberen in de varkenshouderij aangekondigd. Tot dusver ontbrak het varkenshouders bij de aankoop van sperma aan objectieve data om de genetica van de verschillende eindberen te vergelijken. Een producent had weinig andere keuze dan voort te gaan op de (gekleurde) informatie die verstrekt werd door de leverancier, een KI-centrum. Daar komt nu verandering in met de testwerking die is opgezet door de Vlaamse Piétrain Fokkerij (VPF).

Na de dialoogdagen die toenmalig landbouwminister Kris Peeters in 2011 organiseerde voor de varkenshouderij werd VPF belast met deze opdracht. In de blauwdruk werd een gefaseerde opstart voorzien. De start was volgens VPF-voorzitter Bert Bohnen meteen ook het moeilijkste aan gans het proces, hij verklaart zich nader: “Je kan niet meteen resultaten voorleggen want het vergt tijd om geschikte bedrijven te zoeken, zeugen te insemineren en vervolgens te wachten tot de biggen geboren, vetgemest en geslacht worden. Daarna pas kan je de resultaten verwerken.”

Bohnen kan het belang van een objectieve vergelijking van eindberen niet genoeg benadrukken: “In een tijd dat je de marge in eurocentjes per kilo moet tellen, is het erg belangrijk dat varkenshouders ondersteund worden in hun keuze van de vaderlijnen.” Die keuze is van belang voor de technische en financiële resultaten. Een varkenshouder die beschikt over sterk bevleesde zeugen doet er bijvoorbeeld goed aan om zich door ‘groei’ te laten leiden in zijn beerkeuze, en omgekeerd. De keuze voor het ‘beste berensperma’ kan dus voor twee bedrijven totaal verschillend zijn. Kort voor de feestdagen trommelde VPF de landbouwpers samen om de eerste resultaten van de testverwerking met eindberen voor te stellen. Tijdens landbouwbeurs Agriflanders in Gent (12 tot 15 januari 2017) worden varkenshouders hierover persoonlijk geïnformeerd.

De reeds verzamelde data zijn afkomstig van drie bedrijven met in totaal een 700-tal zeugen. Per uitgeteste eindbeer zijn tien zeugen geïnsemineerd. Aan de testbedrijven werd gevraagd om in de kraamstal het aantal levend en dood geboren biggen bij te houden, evenals het gewicht van de levend geboren biggen, de vitaliteit en uniformiteit van een toom biggen, eventuele genetische defecten en de worpdatum. In de resultaten wordt het aspect ‘genetische defecten’ niet meegenomen omdat het op bijna 25.000 biggen te weinig voorkwam om het statistisch juist te kunnen toewijzen aan een bepaalde eindbeer.

De eerste worpen op de testbedrijven dateren van september-oktober 2015. Met het verzamelen van info in de kraamstal kon toen gestart worden. Op de aflevering van de eerste vleesvarkens was het wachten tot het voorjaar van 2016. Dat leverde een tweede luik aan informatie op, data waarvoor een beroep werd gedaan op de slachthuizen. Zij deelden de door het indelingstoestel AutoFom gemeten karkaskwaliteit mee, evenals het karkasgewicht. Daarmee kon VPF de gemiddelde de levens- en mesterijgroei berekenen. Levensgroei is de aanwas in kilo’s vanaf geboorte tot slacht. Bij mesterijgroei begint het tellen pas vanaf een big van 20 kilo.

“In totaal ben je dus bijna twee jaar bezig met testwerking vooraleer je informatie naar buiten kan brengen”, zegt Bert Bohnen. De drie testbedrijven – op termijn moeten dat er nog meer worden – genereren zo’n grote datastroom dat het verzamelen ervan een hele klus is. Van 1.696 worpen en 5.409 vleesvarkens werden de gegevens verwerkt. Digitaliseren bleek een noodzaak. Sommige gegevens zijn objectief meetbaar, voor andere zijn afspraken nodig opdat er overal op dezelfde manier gemeten zou worden. De deelnemende producenten werd geleerd hoe ze de vitaliteit en uniformiteit van biggen moeten scoren.

De resultaten rangschikken 94 beren op basis van hun nakomelingen in de kraamstal en nog eens 39 beren op basis van hun nakomelingen die vetgemest en geslacht zijn. Per beer zijn er 130 à 150 nakomelingen nodig om een betrouwbare inschatting te kunnen maken. De resultaten moeten de verschillen in genetica weergeven, en niet de bedrijfsverschillen. Die zijn er uiteraard, zelfs al heeft VPF zijn oog laten vallen op drie goed georganiseerde bedrijven. Het voeder dat de dieren krijgen, is bijvoorbeeld verschillend. VPF-manager Chris Dhondt: “De verschillen tussen de bedrijven zijn dubbel zo groot als de verschillen die toegeschreven kunnen worden aan de beerkeuze. Het is met andere woorden enorm belangrijk om dat juist in te schatten en statistisch te corrigeren. Voor de statistische analyse werkten we samen met de KU Leuven.”

Uit de testwerking blijkt duidelijk dat de geneticakeuze de resultaten in de kraamstal en de vleesvarkensafdeling beïnvloedt. “De verschillen lopen op tot tien euro per vleesvarken en zijn belangrijk voor het maken van marge”, aldus Dhondt. Varkenshouders hebben er dus alle reden toe om te gaan vergelijken. Voorlopig kan dat enkel tussen VPF-beren. Als het van Bert Bohnen en Chris Dhondt afhangt, is het maar een kwestie van tijd alvorens de testwerking sectorbreed ingang vindt. Ze rekenen er op dat het onderbrengen van de testwerking bij landbouwonderzoeksinstituut ILVO mogelijke weerstand bij KI-centra wegneemt. Over de wetenschappelijke aanpak en de onafhankelijkheid van de testwerking kan dan niet meer geredetwist worden. KI-centra hebben er alle belang bij om deel te nemen aan de objectieve vergelijking want het tegendeel kan twijfels doen rijzen over de kwaliteit van de aangeboden genetica. De openbaarmaking van alle testresultaten, ook de minder goede, lijkt de logica zelve maar die discussie moet intern nog gevoerd worden.

Aangezien de varkenshouderij vragende partij is voor de testverwerking, is het logisch dat de sector zelf het kostenplaatje draagt. Op termijn zal een retributie van enkele eurocenten per geslacht vleesvarken de testwerking financieren. In afwachting daarvan heeft Vlaams landbouwminister Joke Schauvliege een deel van de Europese crisissteun aangewend om de testwerking goed en wel van start te laten gaan. Op dit moment bestaat enkel in Duitsland een soortgelijke testwerking, al kan die niet tippen aan wat er nu in Vlaanderen is neergezet. De Duitsers publiceren maar om de vier jaar testresultaten, en verschaffen enkel inzicht in de invloed van genetica op de vleesvarkens, niet op de biggen in de kraamstal.

Meer info: Resultaten testwerking

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via