nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

10.04.2019 Tips van en voor landbouwers voor lager nitraatresidu

Met de komst van het zesde mestactieplan, waarbij Vlaanderen afhankelijk van de gemiddelde nitraatconcentratie wordt ingedeeld in vier gebiedstypes, zullen van heel wat landbouwers grotere inspanningen gevraagd worden op het vlak van bemesting. Daarom voerde de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) een onderzoek uit met als hoofdvraag wat landbouwers kunnen doen om het nitraatresidu in de bodem laag te houden. En daaruit kwamen vier basisaandachtspunten, een aantal bijkomende tips voor specifieke technieken en enkele beleidsaanbevelingen.

In het onderzoek werden 34 landbouwers bevraagd via vier focusgroepen, en daarnaast werd er een statistische analyse uitgevoerd. Hoewel de statistische analyse bevestigt dat externe factoren een sterke invloed uitoefenen op de uiteindelijke waarde van het nitraatresidu (met name de neerslag in het voorjaar en ook de hoofdteelt), liggen er veel kansen in hoe landbouwers met mest omgaan. Heel wat van de 34 deelnemers zijn zelf al volop aan het experimenteren met hun bemesting om tot betere resultaten te komen op het vlak van nitraatresidu.

Tijdens de focusgroepen wezen de landbouwers, die zelf de belangrijkste goede praktijken toepassen, op vier aandachtspunten voor de beheersing van nitraatresidu’s. Een eerste is om te bemesten op het optimale tijdstip. Vooral belangrijk voor melkveebedrijven is om (nagenoeg) niet te bemesten van half juli tot begin augustus, en om voor een vroege voorjaarstoediening te gaan. De gewasopname zo goed mogelijk laten samenvallen met de periode van stikstofvrijstelling is eveneens van groot belang, bijvoorbeeld door zo kort mogelijk voor de inzaai van maïs, aardappelen of groenten te bemesten, bij voorkeur bij de laatste bodembewerking.

Een tweede aandachtspunt is om de bemesting te fractioneren, waarbij de basisbemesting (veelal dierlijke mest) wordt aangevuld met bijbemesting (kunstmest) tot de feitelijke plantbehoefte. Op die manier is het mogelijk om tijdens het bemestingsseizoen in te spelen op de weersomstandigheden. Hoeveel bijbemesting moet worden gegeven, leiden de deelnemende landbouwers af uit stikstofstaalnames.

De laatste twee aandachtspunten zijn om vanggewassen in te zetten en dat het liefst zo vlug mogelijk na de hoofdteelt, en om de teelt- en bemestingspraktijken aan te passen na het scheuren van grasland. De deelnemende bedrijven bemesten de volgteelt niet, verminderen tot meerdere jaren na het scheuren de bemesting, en ze kiezen de volgteelt in functie van de verhoogde stikstofvrijstelling van het gescheurde grasland.

Daarnaast wordt er gekeken naar nieuwe technieken, zoals geplaatste bemesting (rijen-, band-, punt- en spaakwielbemesting), plaatsspecifieke bemesting (via bodem- en gewassensoren), nitrificatieremmers, specifieke beweidingssystemen (siësta- en stripbeweiding) en het gebruik van specifieke mestsoorten of -producten en de keuze voor een teeltrotatie in functie van de bewortelingsdiepte. “De focusgroepen tonen aan dat kennisdeling tussen land- en tuinbouwers bijzonder waardevol is in het leren kennen en bij het aanvaarden van nieuwe en verbeterde technieken”, vertelt Patrick Verstegen van VLM hierover. “Dergelijke focusgroepen zouden in Vlaanderen meer ingang moeten vinden. Zowel voor beleidsondersteuning, als kennisdeling tussen land- en tuinbouwers.”

Bepaalde andere innovatieve of meer geavanceerde technieken vinden voorlopig moeilijker ingang. “Van bepaalde technieken is het wetenschappelijk nut al bekend, maar is er nog bijkomende kennis en innovatie nodig om ze in de praktijk breed toe te passen”, geeft Veerle Verguts (VLM) aan. “Zo vraagt het verwijderen van oogstresten soms aanpassingen aan de landbouwmachines.”

Tot slot deden de focusgroepen nog enkele aanbevelingen voor wat het beleid kan doen. “Zo moeten we streven naar een klimaatrobuust mestbeleid, aangezien zowel de neerslag als de temperatuur een invloed hebben op het nitraatresidu. Het beleid zou de klimatologische omstandigheden kunnen monitoren en vanaf bepaalde drempelwaarden ingrijpen via communicatie of alternatieve maatregelen. Hoewel uit de focusgroepen blijkt dat de meeste goede praktijken al ingeburgerd zijn bij de deelnemende landbouwers, kan nog meer worden ingezet op communicatie en sensibilisering hierover”, klinkt het bij VLM.

Bron: Eigen verslaggeving

Beeld: VLM

Volg VILT ook via