nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

11.03.2019 Toegevoegde waarde Belgische landbouw boert achteruit

In het jongste nummer van Trefpunt Economie analyseert de FOD Economie de structurele evolutie die de Belgische landbouw de voorbije jaren doormaakte. De productiviteit in de sector is sterk gestegen. Desondanks is het totale landbouwinkomen gedaald. Omdat tezelfdertijd het aantal landbouwbedrijven en de tewerkstelling verminderde, evolueert het inkomen per arbeidseenheid wel in gunstige zin. Binnen de Belgische agrovoedingsindustrie als geheel krimpt het aandeel van de landbouwsector. Daar kan je volgens de FOD Economie niet naast kijken want het blijkt uit meerdere parameters: de voedingsindustrie groeit terwijl de primaire productie achterblijft, wat je ook ziet aan de handelsbalans. Bovendien krijgt de boer een steeds kleiner deel van de eindprijs van bijvoorbeeld vlees.

Achter de eenmalige crisissen die de landbouwsector treffen en veel aandacht krijgen, gaat een algemene evolutie schuil die bijzonder ingrijpend is. De opvallendste verandering is de dalende aantrekkingskracht van de boerenstiel en de daarmee samenhangende vermindering van het aantal landbouwbedrijven. In de eigen online uitgave Trefpunt Economie brengt de FOD Economie de structurele veranderingen in de Belgische landbouw onder de aandacht.

Wat om te beginnen opvalt, is dat het belang van de landbouw ten opzichte van de voedingsindustrie afneemt omdat de primaire productie niet mee groeit. In 1995 was de landbouw goed voor 34 procent van de totale toegevoegde waarde. Twintig jaar later is dat nog slechts 24 procent. Terwijl de bruto toegevoegde waarde van de landbouw stabiel bleef tussen 2,5 en 2,9 miljard euro, steeg de toegevoegde waarde van de voedingsindustrie onophoudelijk met een tempo van 2,5 procent per jaar. Eenzelfde trend tekent zich af wanneer je de productiewaarde van de Belgische landbouw vergelijkt met de totale waarde van de in- en uitvoer van landbouw- en voedingsproducten.

Landbouw en voedingsindustrie worden beiden steeds sterker afhankelijk van buitenlandse markten voor hun afzet. Omgekeerd leunt onze voeding ook meer en meer op import uit het buitenland. De waarde van export stijgt sneller dan de waarde van import. Het positieve handelssaldo dat ons land realiseert met agrovoedingsproducten komt dicht in de buurt van de totale landbouwproductiewaarde.

De FOD Economie stelt nog op andere manieren vast dat de toegevoegde waarde stroomafwaarts verschuift richting voedingsindustrie en distributie. Aan de hand van Statbel-gegevens kan de federale overheid tot 1984 teruggaan om winkelprijzen te vergelijken met de vergoeding die landbouwers krijgen voor hun productie. Voor belangrijke landbouwproducten als varkensvlees en rundvlees evolueren die twee in tegenovergestelde zin. In het geval van rundvlees steeg tussen 1984 en 2017 de consumtenprijs met 73 procent, terwijl boeren hun runderen goedkoper afzetten dan in 1984. In heel de beschouwde periode lag de gemiddelde jaarprijs slechts driemaal lichtjes boven de producentenprijs in 1984. Voor varkensvlees is de spreidstand nog groter.

Uit die verschillende evoluties leidt de FOD Economie af dat het belang van de landbouwsector marginaliseert tegenover de voedingsindustrie en de detailhandel. Verder wijzen ze op een transfer van de door de landbouwers tot stand gebrachte toegevoegde waarde naar stroomafwaartse sectoren in de productieketen, aangezien het aandeel in de eindprijs van het product dat de landbouwers ontvangen, alsmaar kleiner wordt.

De economen van de federale overheid lijken te vermoeden dat er ook een waardetransfer bezig is van de landbouw naar de toelevering. Dat is moeilijker hard te maken omdat de landbouwbedrijfsboekhoudingen van de Vlaamse en Waalse landbouwadministraties alleen een goed zicht geven op het veevoederverbruik en niet op andere ‘intra-consumptie’ door landbouwbedrijven. Specifiek voor veevoeder merkt de FOD Economie dat de landbouw afhankelijker is geworden van hun toeleveranciers. Dat wordt afgeleid uit het dalend belang (van 30 naar 20%) van intra-consumptie van zelf geteeld voeder ten opzichte van aangekocht veevoeder.

Een andere opvallende evolutie is de structurele verslechtering van de verhouding tussen de opbrengstprijzen die landbouwers krijgen en hetgeen zij betalen voor inputs. De gemiddelde prijs van landbouwinputs schommelde tussen niveau 100 en niveau 120 (met 2001 als referentiejaar), terwijl de door landbouwers ontvangen prijzen neerwaarts gericht bleven. Landbouwers besteden een steeds groter deel van hun omzet en inkomenssteun aan de aankoop van inputs zoals veevoeder , gewasbeschermingsmiddelen, staluitrusting en machines.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via