nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

"Coöperatief boeren voor een veerkrachtig platteland"
02.10.2017  Trias in Brazilië

Brazilië, het enige grote Latijns-Amerikaanse land waar geen Spaans wordt gesproken, groeide de voorbije eeuwen uit van Portugees wingewest tot zelfbewuste economische reus. Met dank aan de landbouw, die al die tijd de ruggengraat van de Braziliaanse exporteconomie is geweest. Maar achter de indrukwekkende uitvoercijfers gaapt een diepe kloof tussen grootgrondbezitters en kleine familiale landbouwbedrijven. Noord-Zuidorganisatie Trias stond 20 jaar geleden mee aan de wieg van de coöperatieve boerenbeweging en ziet dat de kleine boer erop vooruit gaat. Een gesprek over sterke coalities, het belang van een gezonde ondernemersgeest en een evenwichtig beleid. 

Toen de Portugese ontdekkingsreizigers in het jaar 1500 voet aan grond zetten op het strand van het huidige Porto Seguro hadden ze al snel door dat Brazilië een land van overvloed is. Lokale boerenstammen teelden er cassave, pindanoten, zoete aardappel en maïs, en in de bossen was een enorme diversiteit aan tropische vruchten te vinden. Aanvankelijk waren de Portugezen enkel in hout geïnteresseerd, maar alles veranderde toen in het noordoosten van het huidige Brazilië suikerriet werd ontdekt.

In een razend tempo werden suikerrietplantages aangelegd. Arbeidskrachten werden eerst geronseld onder de lokale bevolking, maar die werd door Europese besmettelijke ziekten gedecimeerd. Met de zegen van de Kerk zouden tijdens de eeuwen daarop miljoenen Afrikaanse slaven naar Brazilië verscheept worden. Het is dankzij de slavenarbeid dat de Braziliaanse suikerprijs flink onder de wereldmarktprijs kon duiken. Het wrange begin van een agrarisch exportmodel dat tot op vandaag standhoudt. Ook de ongelijke landverdeling, waarbij een kleine minderheid het leeuwendeel van de landbouwgrond bezit, is een relict van de koloniale periode.

Vandaag is Brazilië ’s werelds grootste producent van suiker en koffie, de grootste exporteur van rundvlees, de tweede grootste soja-exporteur en systematisch in de top vijf terug te vinden voor kip, maïs, cacao, katoen en tabak. Het hele Braziliaanse agrovoedingscomplex is goed voor meer dan 20 procent van het Bruto Binnenlands Product. “En mede dankzij de hoge grondstoffenprijzen van de voorbije jaren heeft de Braziliaanse landbouw prima stand weten te houden tijdens de crisis”, aldus Marc Vogelaers, Brazilië-expert van Noord-Zuidorganisatie Trias. We treffen hem in Brussel samen met Gisele Sayuri Obara, Trias-landendirecteur voor Brazilië en aan het hoofd van het driekoppige Trias-team in Minas Gerais.

Gisele Obara_Trias Isabel Corthier_geVILT.jpg

Brazilië wordt heel vaak voorgesteld als een land met een spectaculaire economische groei, niet in het minst dankzij de machtige agro-voedingsindustrie. Hoe ziet het Braziliaanse boerenlandschap eruit?
Gisele Obara: Om te beginnen is het misschien nuttig enkele cijfers op een rijtje te zetten over de familiale landbouw – onze focusgroep – in Brazilië. Liefst 84 procent van de Braziliaanse landbouwbedrijven zijn familiale bedrijven. Toch bewerken ze samen amper 24 procent van het landbouwareaal. Wat beschouwen we als familiale landbouw? Wel, sinds 2006 worden landbouwers onderverdeeld in verschillende categorieën naargelang de totale omvang van hun bedrijf en de regio waar ze actief zijn. Wat in de ene regio een groot bedrijf is, is in een andere regio een doorsnee of zelfs eerder klein bedrijf. Het is dus moeilijk om het voor heel Brazilië in hectare uit te drukken, want het varieert van bedrijven die kleiner zijn dan 2 hectare tot bedrijven met enkele honderden hectaren, terwijl de allergrootste bedrijven soms tienduizenden hectaren bezitten. Daarnaast zijn er nog enkele criteria: op een familiebedrijf wordt het werk voor het grootste deel verricht door de familie zelf; het familie-inkomen moet voor het grootste deel gehaald worden uit het eigen bedrijf; en het bedrijf moet beheerd worden door de familie zelf. 

Marc Vogelaers: Over klein- en grootschaligheid bestaan nogal wat misverstanden. Neem nu soja: dat gewas is voor een Braziliaanse boer pas vanaf een areaal van 200 hectare rendabel. Het onderscheid tussen groot- en kleinschalig heeft op verschillende manieren een belangrijke impact. Ik denk bijvoorbeeld aan kredietverlening aan coöperatieven. Tijdens de dictatuur (1964 – 1984) werd een wet ingevoerd rond coöperaties waardoor één organisatie bevoegd werd voor de vertegenwoordiging van alle coöperaties. Dat wil zeggen dat sinds die wet uit 1979 zowel kleine als grote boeren moeten aankloppen bij één en dezelfde instantie. Het geld dat je als lid betaalt gaat naar het federale SESCOOP-fonds, maar het probleem is dat de focus en de uitgaven van SESCOOP wat landbouw betreft vooral de hele grote bedrijven ten goede komen. Dat is meteen ook de reden waarom 12 jaar geleden met steun van Trias UNICAFES werd opgericht, een organisatie die de belangen van familiale landbouwers wil dienen. Tot op vandaag levert UNICAFES een verbeten strijd om de wet van 1979 te veranderen en een betere toegang te krijgen tot de gigantische spaarpot van SESCOOP.

Kan de familiale landbouwer op één of andere manier meesurfen op het Braziliaanse exportsucces? 
Marc Vogelaers: De landbouw die produceert voor de export en de kleinschalige landbouw die voor de lokale markt produceert, kan je gerust twee gescheiden werelden noemen. De familiale landbouwers telen op een fractie van het totale landbouwoppervlak voldoende voedsel om aan meer dan 65 procent van de binnenlandse voedingsbehoefte te voldoen. Dat gezegd zijnde proberen we met Trias bijvoorbeeld wel boeren te betrekken bij bijvoorbeeld het verhaal van de maatschappelijk verantwoorde soja. Die soja voldoet aan een reeks vereisten op het vlak van leefmilieu, arbeidsomstandigheden en lokale tradities. Heel belangrijk ook is dat de teelt van maatschappelijk verantwoorde soja geen negatieve impact heeft op het Amazonewoud.

boer Brazilië_Trias Isabel Corthier.jpg
 
Gisele Obara: Via onder meer de steun van Colruyt begeleiden we in de Braziliaanse deelstaat Goias 28 boerengezinnen bij het telen van maatschappelijk verantwoorde soja. Vooral voor middelgrote en kleinere boeren is het niet evident om te voldoen aan alle criteria en de administratie die erbij komt kijken. We kregen tijdens de opstartfase trouwens ook raad van BEMEFA, de Belgische beroepsvereniging van mengvoederfabrikanten, die al langer investeert in een programma dat boeren begeleidt bij de certificering van duurzaam geproduceerde soja.

Marc Vogelaers: Via een lokale microkredietpartner hebben we de contacten gelegd met een groep van 28 boerengezinnen. Ze krijgen drie jaar de tijd om te voldoen aan alle criteria van de maatschappelijk verantwoorde soja. Dat is een behoorlijk complex omschakelingsproces. Sinds ze aan het omschakelen zijn, hebben de boeren nu ook voor het eerst soja geoogst, in totaal 30.000 ton. Met een cheque ter waarde van 75.000 euro heeft Colruyt Group de certificering van deze oogst gefinancierd. Het volume komt overeen met de hoeveelheid soja die nodig is om het kippen- en varkensvlees van het grootwarenhuis te produceren. Op termijn is het de bedoeling om het productievolume bij de familiale boeren uit te breiden. 

Is de rol van facilitator of tussenpersoon het schoentje dat Trias het best past? 
Marc Vogelaers: Het sojaproject is een mooi voorbeeld van hoe Trias fungeert als draaischijf tussen Colruyt Group en de boeren in Brazilië, die aangesloten zijn bij CRESOL, een groeiend netwerk van kredietcoöperaties. Vanuit die rol heeft Trias samen met de Nederlandse ontwikkelingsorganisatie Solidaridad gezorgd voor de opleiding van voorlichters die de boeren begeleiden tijdens de omschakeling. Daarnaast is het voor ons ook interessant om een inkijk te krijgen in de werking van supermarkten. We hopen dat we met Colruyt nog acties kunnen opzetten op andere markten.

boer Brazilië_Trias Isabel Corthier_geVILT.jpg
 
Het woord coöperatie is al enkele keren gevallen. Waarom zijn ze zo belangrijk voor de kleine Braziliaanse boer?
Marc Vogelaers: Niet elke boer wordt even goed gehoord door de overheid. Zeker niet onder het huidige conservatieve beleid van Temer, die met Blairo Maggi de grootste sojaboer van het land tot landbouwminister maakte. Er is met andere woorden een groot gebrek aan belangenverdediging. Vandaag zijn de coöperaties dus meer dan ooit nodig, ook al gaat het met de kleine boer ondertussen een stuk beter dan pakweg twintig of dertig jaar geleden. In 1995 stond Trias mee aan de wieg van CRESOL, een coöperatieve kredietverlener. De inspiratie haalden we destijds bij heel wat ngo’s die via verschillende projecten fondsen aanboden, maar eigenlijk beseften we dat ngo’s toch niet perfect geplaatst zijn om dat soort dienstverlening op zich te nemen. Vandaag is de confederatie CRESOL met meer dan 400.000 leden – vooral familiale boeren – in negen staten de grootste coöperatie van Brazilië. Het is dan ook één van onze belangrijkste partners.

Hoe ziet de dienstverlening van CRESOL eruit? Waarvoor kunnen boeren op CRESOL rekenen? 
Gisele Obara: CRESOL biedt de boeren alle mogelijke vormen van microfinanciering aan, gaande van oogst- en investeringskredieten tot spaar- en verzekeringsproducten. Tienduizenden boerengezinnen kregen dankzij CRESOL hun eerste lening voor de aankoop van zaaigoed, vee of machines. De organisatie heeft ook bij de Braziliaanse overheid erkenning verworven als hefboom voor de armoedebestrijding op het platteland. Trias Brazilië heeft CRESOL in de loop der jaren ondersteund met contextanalyses, strategisch advies, relatiebeheer en vorming. We hebben de organisatie ook financiële middelen bezorgd om haar netwerk uit te breiden naar noordelijkere deelstaten zoals Goiás, Rondônia, Minas Gerais en Amazonas. In die regio's hebben familiale boeren het vandaag nog altijd moeilijk om aan een betaalbare lening te geraken.

Marc Vogelaers: Verder proberen we er vanuit Trias ook voor te zorgen dat CRESOL voldoende kan innoveren. Zo richten de aangesloten kredietcoöperaties zich sinds enkele jaren ook naar stedelijke ondernemers. Deze strategische keuze versterkt de rendabiliteit van de organisatie, wat ertoe bijdraagt dat ze haar sociale doelstellingen op het platteland kan handhaven. Het kadert ook in een holistische visie op welvaart. Een gezond economisch weefsel omvat meer dan enkele familiale landbouwers. Het gaat ook over toeleveranciers, afnemers, enzovoort. Iemand die landbouwmachines herstelt of een kaasmaker, bijvoorbeeld. Ook ondernemingen die misschien niet het meest winstgevend zijn willen we een kans geven. En omdat we merken dat opvolging niet altijd evident is willen we ook meer jongeren aanspreken en hen stimuleren om te ondernemen. CRESOL richt zich ook niet enkel meer op de allerkleinste boeren. Ook boeren die willen groeien kunnen er terecht. Ook als coöperatie moet je nu eenmaal competitief zijn, weliswaar zonder daarbij je missie uit het oog te verliezen. Diversifiëren met behoud van de oorspronkelijke waarden.

Brazilië_Trias Isabel Corthier_geVILT.jpg

Op welke manier ondersteunt de overheid familiale landbouw? 
Gisele Obara: Zoals we al zeiden ligt de focus van de huidige regering vooral bij de grootgrondbezitters en was er bijvoorbeeld tijdens het beleid van Lula meer aandacht voor de familiale landbouw. Toch lopen er nog steeds enkele overheidsprogramma’s die de familiale landbouw ten goede moeten komen. In de eerste plaats heb je PRONAF, een kredietfonds dat beheerd wordt door de overheid en zich specifiek richt op familiale landbouw. Bij PRONAF kon je als kleine landbouwer terecht voor gesubsidieerde kredieten met een lagere rente dan het gangbare markttarief. Wat we nu echter zien is dat de overheid het plafond van het totale bedrag dat ze mag uitlenen steeds lager legt, waardoor ze de facto kleine boeren in de handen van privébanken dwingt. De rol van Trias in dat verhaal is om ons netwerk ter beschikking te stellen en mee te zoeken naar alternatieve kredietverleners. Daarnaast heb je ook nog PNAE, een programma dat al sinds 1955 bestaat en dat ervoor zorgt dat scholen toegang hebben tot producten van lokale, familiale landbouwers. PAA is een soortgelijk programma dat zich richt tot overheidsinstellingen en sociale organisaties.

Marc Vogelaers: Daarnaast kunnen we niet genoeg benadrukken dat het erg belangrijk is dat de overheid met iedereen rond de tafel zit, niet enkel met de grote bedrijven. Brazilië is een agrarische supermacht. Het produceert meer koffie, suikerriet, cassave, bananen en sisal dan welk ander land ook en is wereldwijd de tweede grootste producent van sinaasappelen, cacao en sojabonen. Ook wat betreft de export van kip en rundvlees is het een absolute wereldspeler. Toch is extreme armoede nog steeds wijdverspreid. Vijf procent van de bevolking bezit 85 procent van de totale rijkdom, ongeveer een kwart van de bevolking moet het dagelijks met minder dan een 1,25 dollar per dag stellen. Enkel in Zuid-Afrika is de rijkdom nog ongelijker verdeeld. 

Hoe sterk is de invloed van grote grondstoffenhandelaars als Cargill of Bunge? 
Gisele Obara: Ze spelen een grote rol in de prijszetting van grondstoffen. Ze hebben bovendien heel sterke banden met de politiek, binnen de regering van Temer meer dan ooit. Ze hebben een sterke lobby die onder meer strijdt tegen de uitbreiding van land dat voor de inheemse stammen is bestemd. We weten ook dat er een link is tussen de activiteiten van Cargill en Bunge en de sterke ontbossing van de Cerrado, een enorm waardevol savannegebied. De voorbije jaren zijn daar tienduizenden hectaren omgezet in plantages voor een monocultuur van eucalyptus, nefast voor het leefmilieu.

koffieboer Brazilië_Trias_geVILT.jpg

Welke richting gaat Brazilië de komende jaren uit? En wat is volgens jullie de belangrijkste uitdaging? 
Marc Vogelaers: Ik nam deel aan mijn eerste project met Braziliaanse boeren in 1982 en kan alleen maar vaststellen dat de kleine boeren vandaag meer welstand hebben dan toen, zeker zij die zich aangesloten hebben bij een coöperatie. In de steden is de armoede nog heel erg zichtbaar, op het platteland is er wel een vooruitgang te merken. Wat de werking van CRESOL betreft moeten we blijven inzetten op meer diversificatie en misschien ook op zoek naar nieuwe partners om nog sterker te staan. Verder willen we ook volop inzetten op groene energie en nooit de meest kwetsbare groepen uit het oog verliezen. In die context: we hebben momenteel een pilootproject lopen waarbij we krediet willen verlenen op afgelegen plaatsen in het Amazonegebied. Vanuit de provinciehoofdstad Manaus moeten we daarvoor 6 uur varen met de kano. 

Gisele Obara: Aanvullend denk ik dat de grootste uitdaging voor het Braziliaanse armoede- en ontwikkelingsvraagstuk ligt bij de clash tussen de ambities om zich als agrosupermacht te profileren enerzijds en een broodnodige landhervorming anderzijds. Vandaag heb je een kleine elite die volop profiteert van de wereldwijde vraag naar grondstoffen en langs de andere kant de civiele maatschappij die pleit voor een eerlijke verdeling van de landbouwgronden en een beleid dat voedselsoevereiniteit vooropstelt. Als Brazilië hierin stappen vooruit wil zetten en werk wil maken van een efficiënt armoedebeleid, dan zal het onvermijdelijk een balans moeten vinden tussen het beschermen van zijn reusachtige natuurlijke rijkdom en de oppermachtige lobby van de ‘agribusiness’.

Meer info: Trias

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Trias / Isabel Corthier

Volg VILT ook via