nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Spaanse tuinders zijn geoefend in geïntegreerde gewasbescherming
05.01.2015  Tuinbouw in Almeria

Door nationale en Europese autoriteiten worden ieder jaar een kleine 80.000 stalen van voedingswaren, voornamelijk groenten en fruit, getest op mogelijke restanten van chemische gewasbeschermingsmiddelen. De resultaten zijn geruststellend. Volgens de laatst gepubliceerde cijfers (2012) werd de maximale residulimiet, kortweg MRL, in 98 procent van de stalen niet overschreden. In 55 procent van de gevallen bleek zelfs helemaal geen chemische stof aanwezig in de voedingsproducten. Voedselveiligheid lijkt geen issue, tenzij… je overmatig veel citrusvruchten, bananen of basilicum consumeert want importproducten scoren duidelijk minder goed (7,5% overschrijdingen van de MRL tegenover 1,4% bij EU-producten). Eerder dan een probleem lijkt er in Europa vooral de perceptie van een probleem te zijn. Toch is de gewasbeschermingsmiddelenindustrie van mening dat de conformiteit met MRL’s nog dichter bij de 100 procent moet om consumenten met harde feiten gerust te stellen. Daarom heeft de Europese sectorfederatie ECPA twee pilootprojecten, één in Spanje en één in Turkije, opgestart volgens het ‘train de trainer’-concept. Door de kennis van teeltadviseurs te verhogen, weet men zich verzekerd van een snelle verspreiding van beste praktijken inzake geïntegreerde gewasbescherming. Wij gingen in de serres rond Almeria, een Zuid-Spaanse provinciehoofdstad waar de zon (bijna) altijd schijnt, kijken hoe ver men staat.

De economische trots van Almeria, de glastuinbouw, laat zich het best vanuit de lucht aanschouwen. Reizigers die arriveren op de plaatselijke luchthaven hebben net voor ze landen gezien hoe de stad van circa 180.000 inwoners gevangen zit tussen de Middellandse Zee en een zee van serres. Uit gewoonte schreven we ‘glastuinbouw’ in de eerste zin, maar in werkelijkheid gaat het om beschutte teelt in plastic serres. In de winter heerst een mild zeeklimaat (nachttemperatuur nooit lager dan 6 à 8°C) terwijl de temperatuur in de zomer kan oplopen tot 40°C. Dure glazen serres zijn met andere woorden een overbodige luxe. Nog om een heel andere reden investeren tuinders niet in dure infrastructuur. Door het uitdeinen van bewoning en kusttoerisme wordt de lokale tuinbouw jaar na jaar meer landinwaarts gedreven.

serre.Almeria_geVILT.jpg

Zo overvloedig als de zon aanwezig is in de Andalusische provincie, zo schaars zijn water en vruchtbare grond. Eén blik op de kaart verklaart waarom: amper 30 kilometer van provinciehoofdstad Almeria begint de Desierto de Tabernas, de enige woestijn op Europese bodem. De ondergrond is niet alleen gortdroog maar zit bovendien vol stenen. Vanuit de stad ben je zo in de Sierra Nevada, het hooggebergte dat ieder jaar voor spectaculaire aankomsten in wielerronde Vuelta zorgt. Door de bodemgesteldheid is er buiten de beschutte teelten rond Almeria geen landbouw te bespeuren. Toch staan de gewassen in de meeste serres met hun voeten op of in de grond en niet in een goot gevuld met een substraat zoals steenwol of perliet. De tomaten in volle grond zijn voorzien van een stevige wortelkluit potgrond, druppelirrigatie bestaande uit water en meststoffen en een deklaag fijne grindkorreltjes die de bodem beschermt tegen uitdroging.

Plastieken reus
In vergelijking met de strakke glastuinbouwbedrijven in Vlaanderen maken de plastic serres in Almeria een rommelige indruk. Maar schijn bedriegt want de provincie Almeria is een grootmacht in beschutte groenteteelt: 12.500 tuinders, 29.000 hectare serres – op een totaal van 52.000 ha in Spanje – en een groenteproductie die verzesvoudigde tussen 1975 en 2013. Spanje is de negende grootste tomatenproducent ter wereld maar de provincie Almeria produceert op zijn eentje al meer tomaten dan landen als Frankrijk en Nederland. Ook voor paprika (7de grootste producent) en komkommers (14e) is de provincie Almeria wereldwijd toonaangevend, om nog maar te zwijgen van Spanje in zijn geheel. Twee andere gewassen, courgette en aubergine, hebben aan belang gewonnen in de regio.

tomaat.Almeria_geVILT.jpg

Een primaire productie van dat formaat trekt ondersteunende diensten aan. Veilingen, groothandelaars, verpakkingsbedrijven en afvalverwerkers (de serreplastiek wordt iedere drie tot vijf jaar vervangen, nvdr.) hebben zich allemaal in de stadsrand gevestigd. De tewerkstelling in de tuinbouw (55.000 jobs) en aanverwante sectoren wordt geraamd op 110.000 jobs. De tuinbouwcluster realiseert 37 procent van het bruto binnenlands product van Almeria (3% in Spanje).

Water is een schaars goed
Zonder wetenschappelijke ondersteuning zou de tuinbouw in Almeria zo ver niet staan. Las Palmerillas Experimental Station is een 14 hectare groot onderzoeksstation dat 27 serres ter beschikking heeft om op 2,5 hectare te experimenteren met beschutte teelt. De focus in het onderzoek ligt vaak op water, logisch, want in de regio valt nauwelijks 220 liter neerslag per m² per jaar. Ter vergelijking: in België mogen we ons verheugen over 800 liter neerslag per m².

waterzuivering.Almeria_geVILT.jpg

Eind november stond de waterloop naast het tuinbouwbedrijf van Manuel Escánez droog, ondanks een plensbui op de dag van ons bezoek. De waterbehoefte in de serres bedraagt ieder jaar zowat 400 à 500 liter per m² zodat tuinders zoals Manuel investeren in de opslag van regenwater. Door meer regenwater te gebruiken voor het irrigeren van de gewassen is de daling van de grondwatertafel het voorbije decennium een halt toegeroepen. In de jaren ’80 en ’90 hebben tuinbouw, industrie en huishoudens te veel beroep gedaan op grondwater, met alle gevolgen van dien. Verzilting is nog wel een probleem want het oppervlaktewater wordt steeds zouter. Naast regenwateropslag investeren vooruitstrevende telers ook in door sensoren gestuurde irrigatie en in waterrecirculatie. Op het onderzoeksstation zagen we hoe microalgen ingezet worden om het nutriëntenrijke irrigatiewater te zuiveren zodat het geschikt wordt voor hergebruik.

Snelle opmars van IPM
Wanneer er zo’n grote concentratie van bedrijven is, dan heeft dat onvermijdelijk een milieu-impact. Daar hoort wel een kanttekening bij: minder dan drie procent van de 800.000 hectare grote provincie wordt benut voor intensieve tuinbouw terwijl 30 procent van de provincie, onder andere de Tabernas-woestijn, bescherming geniet als natuurgebied. Toch doen ze in Almeria hun best om ook in de onmiddellijke omgeving van de serres de milieudruk beperkt te houden. Dat valt bijvoorbeeld af te leiden uit de snelle implementatie van geïntegreerde gewasbescherming, ook wel integrated pest management (IPM) genoemd: van 1.000 hectare in 2007 naar 25.000 hectare in 2012. Sinds een jaar wordt het toegepast op het volledige areaal van 29.000 hectare want 1 januari 2014 was voor alle EU-lidstaten de deadline voor de implementatie van IPM.

IPM2_geVILT.jpg

Geïntegreerde gewasbescherming wordt voorgeschreven door de Europese richtlijn ‘Duurzaam gebruik van pesticiden’. De EU verlangt van alle land- en tuinbouwers dat ze bij het beschermen van hun gewassen tegen onkruiden, ziekten en plagen alle mogelijke methoden afwegen en deze geïntegreerd toepassen. Telers mogen met andere woorden niet blindelings vertrouwen op chemische middelen. Het inzetten van mechanische onkruidbestrijding en van biologische bestrijding met natuurlijke vijanden, bijvoorbeeld lieveheersbeestjes tegen bladluizen, verdient de voorkeur boven een bespuiting met herbiciden of insecticiden. Wanneer toch chemisch ingegrepen moet worden, mogen enkel middelen gebruikt worden die een minimale druk op het milieu uitoefenen en zo weinig mogelijk risico’s inhouden voor de volksgezondheid.

Bio als het kan
Preventie en monitoring zijn essentieel voor het welslagen van geïntegreerde gewasbescherming. Tijdens de rondleiding in de groenteserres werd getoond hoe natuurlijke vijanden van schadelijke insecten plagen onder controle kunnen houden zonder dat er chemische middelen aan te pas komen. In een beschutte teelt is het uitzetten van natuurlijke vijanden uiteraard effectiever dan in een veld in open lucht. De kans op slagen varieert ook naargelang het gewas.

IPM_geVILT.jpg

Op het proefstation Las Palmerillas lukt het goed om de schade door virusverspreiders als witte vlieg, trips en bladluizen in komkommer economisch aanvaardbaar te houden door per twee planten een ‘enveloppe’ met daarin mijten op te hangen. De mijten parasiteren de schadelijke insecten en winnen het pleit omdat ze goed aangepast zijn aan de klimaatomstandigheden in de serre en de levenscyclus van een komkommer. Kolonies natuurlijke vijanden moeten net zoals chemische bestrijdingsmiddelen aangekocht worden – vaak bij dezelfde firma’s – zodat biologische bestrijding niet in elk gewas goedkoper uitvalt. Voor paprika bijvoorbeeld wel, voor komkommer en aubergine niet, zo werd ons verteld.

Om kans op slagen te hebben zonder chemische hulpmiddeltjes kiezen telers voor ziekteresistente variëteiten. Voor een aantal teelten, onder andere meloen, maken ze zelfs gebruik van geënt uitgangsmateriaal. Enten is door de handenarbeid die erbij komt kijken duur (kostprijs maal zeven in het geval van meloen) maar dat verdient zich terug door een betere ziekteresistentie van de planten en een hogere opbrengst.

stekken_geVILT.jpg

Chemische middelen spuiten, is voor alle duidelijkheid niet onverenigbaar met IPM. Alleen moet chemie het laatste redmiddel zijn. Zo nemen tuinders in Almeria hun toevlucht tot fungiciden wanneer de ziektedruk hoog is tijdens een vochtige winter. Insecticiden worden er amper gebruikt in de serres. Bij de toepassing van chemische middelen moeten land- en tuinbouwers een aantal goede praktijken in acht nemen zodat het risico voor de omgeving (mens en milieu) minimaal is. Op het proefstation in Almeria zagen we bijvoorbeeld dat het nieuwe spuittoestel veel veiliger werkt dan een klassieke rugsproeier. De gebruiker komt niet in contact met de behandelde bladeren zodat de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen met een factor 25 is verminderd. De gewasbeschermingsmiddelen die toegepast worden in de EU zijn overigens allemaal veilig bevonden door een expertpanel. Omdat wetenschappelijke inzichten evolueren, worden er met de regelmaat van de klok chemische middelen van de markt gehaald en vervangen door producten met een lager risico voor niet-doelorganismen.

Monitoring van pesticidenresiduen
De correcte toepassing van gewasbeschermingsmiddelen door boer en tuinder wordt gecontroleerd door de restanten van chemische stoffen op groenten, fruit en andere onbewerkte voedingswaren te meten. Bij een overschrijding van een maximum residulimiet (MRL) wordt een land- of tuinbouwproduct niet op de markt gebracht, maar van een gezondheidsrisico is dan niet noodzakelijk sprake. Daarvoor worden andere maatstaven gehanteerd: de acceptabele dagelijkse inname (ADI) die becijfert welke dagelijkse blootstelling een mensenleven lang zonder gevolgen blijft en de acute referentiedosis (ARfD) die bepaalt welke eenmalige blootstelling reeds schadelijk is.

kerstomaat_geVILT.jpg

In beide gevallen wordt een erg grote veiligheidsmarge ingebouwd want ADI en ARfD zijn minstens een factor 100 kleiner dan de hoogste blootstelling aan een chemische stof die in de tests zonder schadelijke effecten voor de mens bleef (NOAEL, No Observable Adverse Effect Level). De drempels voor lange-termijn-effecten (ADI) en voor acute vergiftiging (ARfD) worden bepaald door middel van dierproeven. Voor de beoordeling van de veiligheid van een middel vertrekt men van een aantal worst-case-aannames. De veiligheidsmarge met factor 100 compenseert eventuele verschillen tussen het effect op dieren en dat op mensen en verschillen tussen individuen.

Europa huldigt andermaal het voorzorgsprincipe
In de meest recente rapportering door voedselveiligheidsautoriteit EFSA vielen de slechte MRL-resultaten van geïmporteerd voedsel op (7,5% overschrijdingen tegenover 1,4% bij EU-producten). Ter vergelijking: de Spaanse monitoring kwam uit op 2,7 procent MRL-overschrijdingen voor gans het land en 1,1 procent in tuinbouwregio Almeria. De maximale residulimieten zijn in de EU overal dezelfde, maar van een internationale harmonisering is geen sprake. Niet overal is men zo voorzichtig als in Europa, zo leert de monitoring door de lidstaten en door EFSA. Om de internationale handel in land- en tuinbouwproducten niet te erg te verstoren, werden ‘importtoleranties’ ingevoerd. Zonder afbreuk te doen aan de hoge veiligheidsstandaarden kan een handelaar zo’n tolerantie aanvragen, bijvoorbeeld voor groenten of fruit die behandeld werden met een actieve stof die niet langer of nog niet gebruikt wordt in de EU.

Een serreteler beschikt in Almeria gemiddeld over 1,8 hectare beschutte teelt. Het bedrijf dat op vraag van de European Crop Protection Association (ECPA) zijn deuren openstelde voor de pers was een flinke slag groter. Tuinbouwcoöperatie S.A.T. Hortichuelas teelt op 10 hectare voornamelijk (kers)tomaten en verkoopt die via een eigen pakhuis. Mede-eigenaar Manuel Escánez legde ons uit dat sommige retailers bovenwettelijke eisen stellen op het vlak van pesticidenresiduen. De coöperatie, die 95 procent van zijn groenteproductie exporteert binnen en buiten de EU, telt onder zijn klanten supermarkten die groenten weigeren wanneer labotests minimale restanten van actieve stoffen kunnen aantonen. Voor hen is de limiet die Europa hanteert om een product markttoegang te ontzeggen niet streng genoeg, het moet nog eens de helft daarvan zijn. Zo proberen retailers zich te onderscheiden. Gelukkig voor Manuel en zijn collega-tuinders vinden gezonde en veilige groenten die voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen meestal wel hun weg naar de markt, is het niet bij de ene supermarkt dan wel bij de andere.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via