nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

14.12.2017 Uit slecht mestrapport valt vooral veel te leren

Eén op vijf meetpunten voor de waterkwaliteit in landbouwgebied scoren niet goed op vlak van nitraat, en twee op drie overschrijden de milieunorm voor fosfaat. De naakte cijfers zijn één ding, maar uit een slecht (mest)rapport valt vooral veel te leren voor de toekomst. Van de bedrijven die in de periode januari 2016 tot juni 2017 doorgelicht werden door de Mestbank, bleef dat bij 43 procent niet zonder gevolg. Meestal kwamen boeren en tuinders ervan af met het overmaken van gegevens, maar er waren er ook die voortaan een bemestingsplan moeten bijhouden of hun milieukundig niet optimale bedrijfsvoering moeten bijsturen. Ernstige inbreuken komen landbouwers op een geldboete te staan.

Het toezicht op de naleving van de mestwetgeving vormt het sluitstuk van het mestbeleid. In het vijfde mestactieprogramma werd de focus verder verlegd van administratieve controles naar terreincontroles. Het nitraatresidu in het najaar – de reststikstof die niet benut is door de planten en riskeert uit te spoelen, nvdr. – blijft belangrijk als handhavingsinstrument. Ook gebeuren er gerichte risicoanalyses van landbouwbedrijven die tot een grondige bedrijfsevaluatie leiden. Bij de terreincontroles op bemestingspraktijken wordt gekeken naar het tijdstip, de dosering, de toepassingstechniek en de afstand tot waterlopen. Ook inbreuken met een directe impact op het milieu, zoals een lekkende opslag of een (on)opzettelijke lozing van mest, worden aangepakt.

In de periode januari 2016 tot juni 2017 gebeurden ruim 1.200 bedrijfsdoorlichtingen bij een iets kleiner aantal exploitaties. Bij 285 van de 669 landbouwbedrijven waar een doorlichting volledig werd afgerond, zijn er maatregelen, boetes of sancties opgelegd. Dat klinkt erger dan het is want in veel gevallen blijft het gevolg dat aan een controle gegeven wordt beperkt tot het ambtshalve corrigeren van de mestboekhouding of het verplicht nasturen van ontbrekende gegevens (facturen, registers, …). Vaak is de Mestbankaangifte niet volledig, en ontbreken bijvoorbeeld het kunstmestgebruik of de hoeveelheid opgeslagen mest.

Ernstiger is dat een mesttransporteur geschorst werd omdat hij herhaaldelijk zondigde tegen het correct gebruik van mestafzetdocumenten. Bij een zestal mestverwerkingsinstallaties werden verwerkingscertificaten ingetrokken. En twee staalnemers verbonden aan een mestverwerker werden geschorst. In totaal werd één op de vijf mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen doorgelicht in anderhalf jaar tijd. Bij deze 32 gecontroleerde installaties werden 17 maatregelen opgelegd. Veel vaststellingen hadden betrekking op transportdocumenten, onregelmatigheden als er vergeleken werd met weeggegevens, abnormaal hoge analysewaarden, enz.

Op landbouwbedrijven zijn de meest voorkomende (ernstige) inbreuken die aanleiding geven tot een boete een foutieve Mestbankaangifte (30%) en het niet naleven van doorlichtingsmaatregelen (30%). De top drie van inbreuken die afgestraft worden met een administratieve geldboete wordt vervolledigd door overschrijdingen van de mestbalans op een landbouwbedrijf. In totaal werden 85 boetes opgelegd bij 52 exploitaties. Een 50-tal keer heeft de Mestbank een landbouwer verplicht om zijn bedrijfsvoering aan te passen zodat het milieurisico verkleint. Dit kan bijvoorbeeld gaan over het aanpassen van een mestopslag aan de constructievoorwaarden, of het bijsturen van de bemestingspraktijken te velde.

Het zijn vooral varkenshouders die het voorbije jaar kans maakten op een volledige doorlichting. Andere deelsectoren die nauw opgevolgd worden door bedrijfsdoorlichtingen zijn tuinbouw, glastuinbouw en rundveehouderij. Een weerkerende vaststelling op veebedrijven is een tekort aan mestafzet. Veel bedrijven compenseren dit door een hogere hoeveelheid mest in opslag aan te geven dan de werkelijkheid, “of door creatief om te gaan met de mestafvoer van het bedrijf”. Slordig omspringen met mesttransportdocumenten is een andere vaak voorkomende vaststelling.

Controles op lozing van meststoffen vinden vaak plaats na een melding of men komt er toevallig op uit in het kader van een terreincontrole. In de 105 gevallen dat een probleem vermoed werd, is er in ruim de helft van de bezoeken effectief een lozing vastgesteld, of was het risico alleszins reëel. Het probleem doet zich vaker voor bij stalmest dan bij drijfmest, wat erop wijst dat rundveehouders onvoldoende beseffen dat de mestsappen van een hoop stalmest net zo goed als drijfmest een ongewenst effect op de waterkwaliteit hebben wanneer ze wegspoelen. Een lozing is met andere woorden niet altijd een opzettelijke fout, wat het natuurlijk wel is wanneer de mestkelder een overloop heeft die uitgeeft op de beek. In het bijzonder voor de landbouwers die het goed menen met de waterkwaliteit zijn zulke gevallen van fraude pijnlijk.

Van de 2,4 miljoen euro aan opgelegde boetes in 2016, nemen de boetes voor een overschrijding van het aantal nutriëntenemissierechten vanwege een in verhouding te grote veestapel het grootste aandeel in (55%). Hierna volgen de boetes voor een mestbalansoverschrijding (25%), voor aangifteverzuim (9%), en voor niet voldoen aan de mestverwerkingsplicht (6%). In 2016 werden er 2.701 boetes opgelegd, waarvan 95 procent opgelegd werden na een administratief controleproces. Deze administratieve boetes bedroegen 1,8 miljoen euro oftewel driekwart van het totaal opgelegde boetebedrag in 2016. De boetes die opgelegd werden na een terreincontrole of een doorlichting vertegenwoordigen slechts vijf procent van het totale aantal boetes maar wel 24 procent van het totale boetebedrag.

Het Mestrapport zet zwart op wit op papier wat er misloopt, maar pent ook neer wat er goed gaat. Zo werd driekwart van de perceelsevaluaties in 2016 positief beoordeeld evenals twee derde van de bedrijfsevaluaties. Zo’n positieve bedrijfsevaluatie kan een landbouwbedrijf bevrijden van de status ‘focusbedrijf’, die het krijgt wanneer het in de buurt van een slecht MAP-meetpunt gelegen is.

Omgekeerd blijft een slechte evaluatie ook niet zonder gevolgen want een landbouwbedrijf wordt dan belast met extra strenge maatregelen die moeten rechttrekken wat er scheef loopt. Als gevolg van de nitraatresidubepalingen of het niet uitvoeren van verplichte staalnames zijn er 1.030 focusbedrijven met maatregelencategorieën in 2017, waarvan 57 procent met maatregelencategorie 1, 33 procent met de strengere maatregelencategorie 2 en 10 procent met de hoogst onprettige maatregelen uit categorie 3 (o.a. beperking van de bemestingsruimte). Aan de status ‘focusbedrijf door ligging’ heeft een landbouwer zelf geen schuld. Er zijn 9.765 bedrijven met die status. Zij moeten rekening houden met een iets strengere mestuitrijregeling en het verplicht inzaaien van vanggewassen.

Meer info: Mestrapport 2017

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: PreventAgri

Volg VILT ook via