nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Kustprovincie wil vechten voor haar varkensboeren
10.11.2014  Varkenshouderij in West-Vlaanderen

Onze kustprovincie telt bijna drie keer meer varkens (3,4 miljoen) dan inwoners (1,16 miljoen). Of de West-Vlamingen zo hun reputatie als harde werkers waar willen maken, laat de Universiteit Gent in het midden maar verder hebben Jan Brusselaers en professor Jeroen Buysse van de vakgroep Landbouweconomie zowat alles uitgeplozen. Wist je bijvoorbeeld dat 52 procent van de Belgische varkens in West-Vlaanderen huist? Er nergens zo veel boerderijen met varkens zijn maar West-Vlamingen de zaken wat minder grootschalig aanpakken dan Antwerpse boeren? Ze qua technische resultaten excelleren zodat ze bovengemiddeld efficiënt werken? Het dan niet hoeft te verbazen dat hun landbouwbedrijven beter standhouden dan in de andere provincies? Bovendien werd er de voorbije jaren nergens zo zwaar geïnvesteerd in ammoniakemissiearme varkensstallen als in West-Vlaanderen. Aangezien de varkenshouderij in West-Vlaanderen niet immuun is voor de crisis ontvouwt het provinciebestuur nu een actieplan om de sector weerbaarder te maken. In dat verband gaat op 28 november de varkensacademie van start, een aanbod van kennis en voorlichting met directe toepassingsmogelijkheden op het bedrijf.

West-Vlaanderen is de landbouwprovincie bij uitstek in Vlaanderen. Die eretitel dankt de provincie onder andere aan de vele varkensbedrijven op haar grondgebied. Op vraag van het provinciebestuur maakte de Universiteit Gent een complete doorlichting van de West-Vlaamse varkenshouderij. Het rapport van dat onderzoek, bijna 90 bladzijden lang, geeft ons een accuraat en vrij actueel beeld van de sector.

Imponerend grote varkensstapel…
Varkens vind je in ons land vooral in Oost-Vlaanderen (17%, cijfer uit 2012 van FOD Economie), Antwerpen (15%) en, uiteraard, West-Vlaanderen (52%). Kuurne en kustgemeente Bredene niet te na gesproken, vind je in de West-Vlaamse gemeenten op meer dan 30 procent van de boerderijen varkens. Varkensbedrijven liggen er op een boogscheut van elkaar want gemiddeld zit er minder dan 450 meter afstand tussen twee bedrijven.

big_provW-VLa.geVILT.jpg

Het totale aantal biggen, vlees- en fokvarkens per provincie varieerde sterk de afgelopen 20 jaar. De West-Vlaamse varkensstapel was nooit zo groot als in 2000. Toen piekte het aantal dieren tot 3,86 miljoen stuks. In de nasleep van de dioxinecrisis daalde de varkensstapel. Begin jaren 2000 vond bovendien een zogenaamde ‘warme sanering’ plaats, waarbij de Vlaamse overheid op voorstel van minister van Landbouw Vera Dua varkenshouders vergoedde om vrijwillig hun bedrijf stop te zetten. West-Vlaanderen was de eerste provincie waar deze dalende trend doorbroken werd. Dat gebeurde in 2006. Pas twee tot drie jaar later zou de varkenshouderij in de andere provincies dat voorbeeld volgen. De West-Vlamingen hebben hun koppositie in moeilijke tijden dus nog versterkt.

…maar minder varkensboeren
Hoewel er in de kustprovincie opnieuw meer varkens gehouden worden, daalt het aantal varkensbedrijven. Dit fenomeen doet zich in elke provincie voor, maar op het eerste gezicht lijkt de daling wel het grootst in West-Vlaanderen. Dat is zo in absolute cijfers maar door het om te rekenen naar relatieve cijfers geven de onderzoekers, assistent Jan Brusselaers en professor Jeroen Buysse van de vakgroep Landbouweconomie aan de UGent, een compleet ander en correcter beeld. Rekening houdend met het totale aantal varkensbedrijven per provincie houdt de varkenshouderij in West-Vlaanderen en Antwerpen namelijk het best stand. Toch is de sector ook in deze regio’s niet ontsnapt aan een meer uitgesproken sanering dan in de andere landbouwsectoren. “De minst efficiënte bedrijven hebben de sector noodgedwongen verlaten”, concluderen de onderzoekers.

Hoewel de prijs voor hun product er vaker niet dan wel naar was, hebben de (overblijvende) West-Vlaamse varkensboeren de jongste jaren flink geïnvesteerd in hun bedrijven. Het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) heeft hen daarbij ondersteund, met tientallen miljoenen euro’s op jaarbasis. De steun aan ammoniakemissiearme varkensstallen is het belangrijkste type van alle gesubsidieerde investeringen in de portfolio van het VLIF. Net niet de helft van de investeringssteun voor ammoniakemissiearme vleesvarkensstallen vloeit naar West-Vlaanderen. Van de VLIF-steun voor zeugen- en biggenstallen is zelfs 60 procent bestemd voor landbouwers in de kustprovincie.

…die efficiënt maar relatief kleinschalig werken
Terwijl varkenshouders uit de provincie Antwerpen hun energie vooral in hun dieren steken, kiezen West-Vlaamse boeren er voor om hun tijd meer te spreiden tussen de verzorging van de dieren en het werk op het veld. West-Vlaanderen kent meer gemengde bedrijven. Zo wijst de stijging van het aantal melkkoeien tussen 2007 en 2010 erop dat de West-Vlaamse varkenshouders er liever een gemengd bedrijf op na houden dan een groot gespecialiseerd varkensbedrijf. Hoewel er in de West-Vlaamse varkenshouderij zeer efficiënt gewerkt wordt, zijn er vooral op de kleinere bedrijven heel wat stalplaatsen die niet benut worden. Neemt niet weg dat de West-Vlamingen meer vlees en meer biggen per zeug halen dan hun collega’s in de andere provincies. Maar ook dat heeft een keerzijde: door de korte mestduur van de vleesvarkens is de kustprovincie aangewezen op de import van biggen uit Antwerpen, Limburg, Vlaams-Brabant of uit het buitenland.

varkens.voeder_provW-Vla.jpg

Binnen Vlaanderen neemt de West-Vlaamse varkenshouderij een koppositie in, maar hoe is het met haar concurrentiepositie gesteld in een ruimere context? Daarvoor grijpt de Universiteit Gent terug naar een studie van InterPIG, een internationaal netwerk van varkenseconomen uit 14 landen. Met gegevens voor 2011 berekenden de economen een hogere voederkost in ons land dan in Nederland, Denemarken en Frankrijk. Op voederconversie scoren de Belgische varkens zwak door de onbeperkte voedering en lage groei per dag van Piétrain-varkens. Alleen Italië en Brazilië doen het op dit vlak slechter.

…en zich overeind houden in de internationale concurrentiestrijd
Qua arbeidskost doen varkensbedrijven het in ons land dan weer verrassend goed. Arbeid is hier weliswaar duur, maar de ingezette hoeveelheid arbeid is relatief laag in België. Alles bij elkaar genomen, slagen binnen Europa enkel Franse en Spaanse boeren erin om goedkopere varkens te produceren dan de Belgische boeren. De hogere voederkost in ons land wordt gecompenseerd door de lagere arbeidskost. De overige vaste en directe kosten verschillen niet opmerkelijk met deze in de andere landen. Op de wereldmarkt is het lastiger concurreren want het InterPIG-netwerk becijferde dat niet één lidstaat qua kostprijs kan opboksen tegen de varkenshouderij in Brazilië en Canada. En InterPIG heeft dan nog niet eens rekening gehouden met de productierechten die een varkensboer onder meer in Vlaanderen nodig heeft (de zogenaamde nutriëntenemissierechten). De kostprijsvergelijking is dus wat te flatterend voor de (West-)Vlaamse varkenshouderij.

zeug.big_provW-Vla.geVILT.jpg

Naast de verschillende kostenposten werd ook de productiviteit van de Belgische varkenshouderij vergeleken. De Belgische zeugen brengen momenteel nog steeds minder biggen voort per jaar dan Deense, Nederlandse of Franse zeugen. België heeft op dit vlak wel een inhaalbeweging ingezet ten opzichte van de andere Europese landen, behalve dan tegenover Denemarken en Nederland. Wordt de productiviteit gemeten aan de hand van het voortgebrachte slachtgewicht per jaar per zeug, dan scoren de Belgische varkensbedrijven in de lijn met hun collega’s. Enkel in Nederland ligt het voortgebrachte slachtgewicht hoger. Onze noorderburen hebben dus zowel het fokken van biggen als het vetmesten van vleesvarkens bijzonder goed in de vingers.

Varkenscluster bestaat uit meer dan alleen primaire productie
Het sectorrapport van de UGent kijkt verder dan alleen de primaire productie, de ganse cluster wordt besproken. Aangezien er nauwelijks export is van levende varkens gaat het dan in de eerste plaats over de slachthuizen. West-Vlaanderen telt drie slachthuizen (Covameat in Heuvelland, Westvlees in Staden en groep de Brauwer in Tielt) maar gelet op de nabijheid van de Oost-Vlaamse slachthuizen in Maldegem (Van Landschoot) en Eeklo (Ryckaert) worden ook daar heel wat West-Vlaamse varkens verwerkt. Niet alle boeren verkopen hun varkens rechtstreeks aan het slachthuis want in de kustprovincie hebben tussenhandelaars nog een aardige voet tussen de deur. Vooral kleinere varkenshouders verkopen aan tussenpersonen in de hoop dat zij een betere prijs voor de varkens realiseren en de producenten laten delen in de hogere marge.

Hoewel varkensvoeder in vergelijking met de prijs in de andere EU-landen niet bepaald goedkoop is in ons land, wordt de talrijk aanwezige veevoederindustrie toch als een concurrentieel voordeel aangemerkt. In West-Vlaanderen is de sector zo mogelijk nog nadrukkelijker aanwezig. Van de 177 Belgische BEMEFA leden bevinden zich er 76 in West-Vlaanderen (43%). Naast de sterk verankerde veevoederindustrie vermeldt het rapport ook de volgende troeven van de West-Vlaamse varkenssector: de centrale ligging tegenover afzetmarkten, de vlotte bereikbaarheid voor grondstoffen (voeder), de nabijheid van havens (Roeselare en Gent), het gunstige klimaat (al levert dat geen voordeel op tegenover de ons omringende regio’s), de beschikbaarheid van landbouwgrond in West-Vlaanderen voor mestafzet (al volstaat dat niet om alle mest op kwijt te geraken), de lange West-Vlaamse traditie in varkenshouderij die zich vertaalt in kennis, …

zeug.inseminieren_provW-Vla.geVILT.jpg

Een voordeel van de korte afstand tussen varkensbedrijven is de snellere verspreiding van innovaties. In het rapport wordt dat het ‘buurmaneffect’ genoemd. Nadelen van de grote concentratie van varkensproductie zijn er ook. De sector zorgt voor een grotere belasting van de omgeving. Voorbeeld daarvan is de mestdruk. Dit heeft geleid tot de hoogste kosten voor mestafzet via transport naar akkerbouwgebieden of via de mestverwerking. Ongeveer een vijfde van de Vlaamse mestproductie moet verwerkt worden opdat men zou vermijden dat er te veel mest op het land gevoerd wordt. Er is een duidelijke concentratie van mestverwerkers in West-Vlaanderen.

Geen nadeel maar een gemis is het gebrek aan samenwerking tussen West-Vlaamse varkenshouders. De landbouwers geven dat zelf toe. Ze zouden liever samenwerken bij de verkoop van hun varkens en ook met het oog op het vergaren van voldoende marktinformatie. Nu staan ze in een zwakke onderhandelingspositie tegenover hun afnemer. Ook het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) vindt het gebrek aan samenwerking in de sector een probleem. Op dit moment is (West-)Vlaanderen niet in staat om zich gezamenlijk te presenteren in het buitenland. Individuele varkenshouders en slachthuizen zijn te klein om de grote volumes te leveren die door bijvoorbeeld Duitse klanten gevraagd worden. Dit zou wel mogelijk zijn wanneer de verschillende slachthuizen hun aanbod bundelen.

Internationale vraag naar Vlaamse varkens
In het buitenland bestaat er een markt voor sterk bevleesde varkenskarkassen en mager varkensvlees. Het (West-)Vlaamse Piétrain-varken voldoet aan deze eis terwijl onze concurrenten in Europa andere accenten in de fokkerij hebben gelegd. Daardoor staat de (West-)Vlaamse varkenssector sterk in eigen land en weet ze zich verzekerd van een specifieke vraag vanuit het buitenland. Volgens de UGent is dit een vereiste om de sector leefbaar te houden gelet op de hoge zelfvoorzieningsgraad voor varkensvlees (238% voor Vlaanderen en maar liefst 708% voor West-Vlaanderen). VLAM is van mening dat onze varkenshouderij zich best blijft toeleggen op de nichemarkt van kwaliteitsvlees, met een Piétrain of eventueel nog een segment hoger, met een Duroc varken of een Duke of Berkshire. In het produceren van zeer grote tonnages conventioneel varkensvlees voor de Duitse of de buitenlandse markt lijken anderen (b.v. Nederland en Denemarken) sterker.

Belgisch varkensvlees wordt vrij dicht bij de deur verkocht: bijna 93 procent werd in 2011 binnen de EU verhandeld. Na Duitsland (bijna 45% van de Belgische export binnen de EU) zijn Polen, Italië, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk de belangrijkste bestemmingen. De Duitsers kopen vooral varkenskarkassen om die vervolgens zelf te verwerken en de marge op te strijken. Ook de export naar Polen is er één zonder veel toegevoegde waarde voor Vlaanderen. Ook daar zijn de lonen lager dan bij ons zodat de verwerking van het vlees er goedkoper kan. Bovendien is Polen niet de eindbestemming van de varkenskarkassen maar sluist het de verwerkte varkensproducten door naar Rusland. In werkelijkheid gaat er dus nog meer Belgisch varkensvlees naar Rusland dan uit de statistieken (24% van de Belgische export buiten de EU) valt op te maken.

big.varken_provW-Vla.geVILT.jpg

Sinds februari 2014 is de uitvoer van Belgisch varkensvlees en van bijproducten uit de slachthuizen richting Rusland volledig stilgevallen. De Russen motiveerden het sluiten van hun grenzen door de dreiging van Afrikaanse varkenspest. Het ziet er niet naar uit dat er snel verandering komt in hun houding want sinds augustus is er ook een algemeen handelsboycot voor westerse land- en tuinbouwproducten. Behalve – tot voor kort – Rusland en Zuid-Korea (27% van de export buiten de EU) wordt Belgisch varkensvlees uitgevoerd naar een 60-tal andere landen in Azië, Afrika en Oost-Europa.

Toekomstperspectief voor de sector
Mondiaal neemt de vraag naar varkensvlees toe, maar dat geldt evenzeer voor de concurrentie tussen varkensvleesproducenten om afzet op buitenlandse markten. Momenteel bezit West-Vlaanderen enkele troeven die haar internationale positie kunnen vrijwaren. Zo heeft de West-Vlaamse varkenshouderij een technologische en productietechnische voorsprong ten opzichte van opkomende ‘varkenslanden’. Deze voorsprong moet de provincie uitbuiten en proberen te behouden. Door de stijgende vraag naar varkensvlees in het buitenland ontstaan opportuniteiten om de afzetmarkten – tot voor kort hoofdzakelijk Duitsland en Polen/Rusland – te differentiëren. Ook aanbodbundeling kan nieuwe verkoopkansen scheppen, maar dan moet er eerst wat gebeuren aan het huidige gebrek aan samenwerking.

Om economische en milieuwinst te behalen, is er nood aan een betere voorlichting. “Het doel zou meer kennisuitwisseling tussen alle West-Vlaamse varkenshouders moeten zijn”, oordeelt de UGent. Voor de varkenshouders zouden de opleidingen zowel over technische (voederconversie, hygiëne, antibioticareductie, enz.) als bedrijfseconomische aspecten kunnen gaan. Er is veel kennis aanwezig in privé-handen, maar deze is niet algemeen beschikbaar. Kennis met betrekking tot bijvoorbeeld voederconversie zou daarom aangekocht kunnen worden door de provincie, en vervolgens verder verspreid worden onder de varkenshouders. Ook Inagro kan als onderzoeksinstituut een rol spelen in het verwerven en verspreiden van deze kennis. Terwijl de meeste West-Vlaamse varkensboeren technisch sterk zijn, is hun bedrijfseconomische kennis vaak beperkt. Hoewel het opleidingsaanbod ruim is, lijkt er op dat vlak nog veel werk aan de winkel te zijn.

voeder.geVILT.jpg

Opvallend is dat de UGent suggereert om niet alleen de landbouwers maar ook de lokale ambtenaren op cursus te sturen. Door ambtenaren meer vertrouwd te maken met de varkenshouderij kan de provincie een meer geharmoniseerd lokaal beleid nastreven. Aangezien er na de varkenshouder nog andere schakels komen die hun bijdrage moeten leveren aan de kwaliteit van het varkensvlees lijkt ook informatieoverdracht naar andere ketenactoren zinvol. Om het gebrek aan kennisuitwisseling tussen varkenshouders te counteren, stelt de UGent voor dat de provincie mee vorm geeft aan een platform dat producenten samenbrengt. Zo’n platform lijkt de onderzoekers ook ideaal om de mestafzet zo efficiënt mogelijk te regelen. Mestafzet of -verwerking is immers de belangrijkste meerkost voor West-Vlaamse varkensboeren ten opzichte van hun collega’s in de rest van Vlaanderen.

Niet alleen in de communicatie tussen landbouwers onderling kan de overheid bemiddelen en sturen. Het zou eveneens nuttig zijn om de verstandhouding in de rest van de keten (tussen boer en slachthuis, tussen slachthuizen onderling, tussen beheerders van certificaten en de retail, enz.) te verbeteren. De UGent bezorgt het provinciebestuur nog een resem andere tips: maak het voor uitbollende varkenshouders eenvoudiger om uit het beroep te stappen, ga mee op zoek naar alternatieve afzetmogelijkheden voor mest, enz. Op de wetgeving waarmee varkenshouders geconfronteerd worden, heeft de provincie weinig invloed maar ze zou wel een ‘stabiliserende factor’ kunnen vormen door een consequent beleid. Bij de evaluatie van vergunningsaanvragen is continuïteit een must.

Provincie West-Vlaanderen neemt de handschoen op
Met de aanbevelingen van de UGent in het achterhoofd ontrolt de provincie West-Vlaanderen een actieplan om de varkenshouderij weerbaarder te maken. Zeven sleutelkwesties werden aangeduid omdat ze van cruciaal belang zijn voor de toekomst van de sector: emissies beheersen, mestproblematiek oplossen, voeders (kostprijs beheersen, regionale eiwitteelt, enz.), vleesafzet verzekeren, managementcapaciteiten en vakkennis van varkenshouders verbeteren en het lokaal beleid versterken.

mest.geVILT.jpg

Mestafzet is één aspect van de bedrijfsvoering waaraan gewerkt wordt. De West-Vlaamse varkensboeren zouden hun mestoverschot bijvoorbeeld heel wat goedkoper kwijt kunnen als export van ruwe varkensmest naar Noord-Frankrijk mogelijk zou zijn. Naar de provincie Zeeland in Nederland kan het al. De mestproblematiek is reeds grotendeels overwonnen dankzij mestverwerking. Het Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking heeft, samen met de provincie West-Vlaanderen, op dat vlak een lange weg afgelegd. “De mestverwerking is ondertussen een volwassen sector, maar verdient nog kansen om door te groeien en te vernieuwen, bijvoorbeeld op het vlak van nutriëntenrecuperatie”, zegt gedeputeerde van Landbouw Bart Naeyaert. Ook valorisatie en export van de eindproducten van mestverwerking zijn belangrijke doelstelling. Zo wordt er voor geijverd dat mestverwerkingsproducten naar Wallonië geëxporteerd kunnen worden.

Om de voederkosten op varkensbedrijven terug te dringen, plant West-Vlaanderen actie op het vlak van voederconversie (b.v. beschikbaar maken van resultaten voederproeven bij ILVO), onderzoek naar regionale eiwitteelt (o.a. door Inagro) en onderzoek naar alternatieve bronnen van diervoeders zoals algen, eiwitten uit gras maar bijvoorbeeld ook insecten. Inagro experimenteert momenteel al met het kweken van soldatenvliegen als grondstof voor diervoeder.

Inagro_provW-VLa.geVILT.jpg

Zich bewust van de nood aan voorlichting is de kustprovincie op dit vlak erg ambitieus: een ruimer en beter regionaal gespreid opleidingsaanbod, meer onderzoeksresultaten naar West-Vlaanderen halen, het ADLO-demonstratieproject uitgevoerd door DLV rond marktinzicht en termijnmarkten opentrekken naar alle West-Vlaamse varkensboeren, een groot jaarlijks kennisevenement organiseren voor de varkenshouderij, enz. Het provinciebestuur geeft de UGent gelijk dat een opleidingsaanbod voor de lokale ambtenaren zinvol kan zijn. Gedeputeerde Naeyaert zegt daarover het volgende: “Het is onze betrachting om de kennis over de varkenshouderij te laten doorstromen naar degenen die op lokaal niveau over de vergunningen van bedrijven beslissen. Ook via VEMIS, het kennisconsortium rond luchtemissies in de veehouderij, gaan we de dialoog aan met de vergunningverleners.”

Tegen de slechte varkensprijzen kan de provincie weinig beginnen, maar Naeyaert en co geloven in de varkenssector die van oudsher verankerd is in West-Vlaanderen. Kennisontwikkeling bij de bedrijfsleiders die het in de praktijk moeten waarmaken, is daarom hun eerste zorg. Zowel bedrijfstechnisch als -economisch is landbouw erg veeleisend. “Om de technische kennis van varkenshouders te perfectioneren, organiseert Inagro samen met een aantal partners op 28 november voor het eerst een studiedag in het kader van de ‘Varkensacademie’. “Die dag willen we de ganse sector bijeen brengen, ook de varkenshouders die je anders niet ziet op studiedagen, zodat ze wat kunnen opsteken van elkaar en van de erg op de praktijk gerichte voorlichting”, vertelt de gedeputeerde, volgens wie de kracht van velen de kennis is die ze delen. Als het van Naeyaert afhangt, dan wordt het platform voor kennisoverdracht dat Inagro die dag aanbiedt een jaarlijkse traditie. Hij besluit met te zeggen dat West-Vlaanderen het idee van meer samenwerking ernstig wil nemen. Iedereen moet mee in het bad en speelt een even grote rol: de varkenshouders, de landbouworganisaties, de ministers van landbouw en leefmilieu, het Vlaams Varkensloket dat bij ILVO huist, de universiteiten en hogescholen, de gespecialiseerde studiebureaus, de andere partners in de keten, enz.

Meer info: Varkensacademie

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: provincie West-Vlaanderen / VILT

Volg VILT ook via