nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Stoppen met castreren: is de varkensketen er klaar voor?
19.06.2017  Varkensloket stelt stand van zaken op tijdens studiedag

De varkenshouderij heeft zich geëngageerd om tegen januari 2018 te stoppen met het chirurgisch castreren van biggen. Nu die deadline nadert, vond het Varkensloket de tijd rijp voor een stand van zaken. “Hoe ver staan we en vooral: zijn we er klaar voor?”, was de hamvraag van een studiedag waarop opvallend veel stakeholders aanwezig waren. Het antwoord was nu eens hoopgevend, dan eens twijfelend. Maar de boodschap was duidelijk: er is nog veel werk aan de winkel, en daarbij wordt vooral gekeken naar onderzoek.

De discussie over het castreren van biggen gaat in ons land al terug tot 2001, toen met de sector een akkoord werd gesloten om vanaf 2006 te starten met alternatieven. Die deadline werd niet gehaald, omdat de alternatieven in de praktijk (nog) niet uitvoerbaar bleken. In 2010 werd een nieuw akkoord gesloten, op Europees niveau, waarin de sector zich engageerde tot een vrijwillige castratie-stop tegen januari van volgend jaar. Op voorwaarde echter dat de alternatieven dit keer wel praktisch en economisch haalbaar zijn. 

De alternatieven in de praktijk: variatie troef
Om de deadline deze keer niet te missen, is het volgens Marijke Aluwé van onderzoeksinstituut ILVO nog alle hens aan dek. Ze gaf op de studiedag een overzicht van het huidige onderzoek en de huidige praktijk, zowel in Vlaanderen als in Europa. Wat de toepassing van alternatieven voor castratie in de praktijk betreft, blijkt het in Europa variatie troef te zijn. In veel landen, vooral in Oost-Europa, gebeurt castratie zelfs nog zonder pijnbestrijding en/of verdoving. In West-Europa wordt al wel gewerkt met intacte beren, bijvoorbeeld in Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Spanje. Vaccineren tegen berengeur gebeurt veel minder – alleen in België zijn immunocastraten relatief courant.

Alle beschikbare alternatieven komen dan ook met nadelen. Castreren met pijnbestrijding en/of verdoving wordt beschouwd als een tussenstap, eentje die overigens alleen het dierenwelzijn bevordert wanneer beide handelingen gecombineerd worden. De alternatieven die ernstig overwogen en onderzocht worden, zijn het afmesten van intacte beren en immunocastratie. Bij intacte beren is er echter het probleem van berengeur (komt in België voor bij gemiddeld 3 tot 5 procent van de geslachte beren), agressief en seksueel gedrag en twijfels over de vleeskwaliteit (bv. minder mals, meer onverzadigde vetzuren). Bij immunocastratie stellen die problemen zich niet of minder, maar vormt vooral de onzekerheid over de acceptatie op de (internationale) markt een obstakel.

biggen-slapen-gevilt.jpg

Onderzoek naar de perceptie van belanghebbenden over het potentieel en de haalbaarheid van beide alternatieven bevestigen deze obstakels (CASTRUM-studie). Uit diezelfde studie blijkt bovendien dat er nog belangrijke stappen moeten worden gezet in het reduceren van berengeur en het detecteren ervan aan de slachtlijn. Momenteel bestaat er bijvoorbeeld geen objectieve online detectiemethode voor berengeur die inzetbaar is in de praktijk. Het ontbreekt zelfs aan een duidelijke, gestandaardiseerde definitie van wat berengeur is, en welke drempelwaarden van de componenten androstenon, skatol en (in mindere mate) indol voor consumenten accepteerbaar zijn. En wat immunocastratie betreft, blijkt het moeilijk te meten waarom de markt (consumenten en ketenpartners) er weigerachtig tegenover staat. Temeer omdat consumenten met name vaak te weinig vertrouwd zijn met de gebruiken uit de varkenshouderij, laat staan met medische behandelingen zoals castratie of vaccins.

Reductie en detectie van berengeur: er is geen gouden standaard
Waar staan we concreet? Op vlak van reductie van berengeur bij intacte beren is geweten dat voeder, ras, huisvesting, transport en slachtomstandigheden een invloed kunnen hebben. Zo toonde het TAINTLESS-project van ILVO, UGent en KU Leuven bijvoorbeeld aan dat stress en agressie tijdens afmest en transport een negatieve impact hebben, net als de aanwezigheid van gelten in hetzelfde compartiment. Over leeftijd en slachtgewicht zijn de resultaten minder eenduidig. Twee weken vroeger slachten blijkt bijvoorbeeld weinig zinvol, omdat varkens al zes weken voor de slacht in hun pubertijd komen. De invloed van het slachtgewicht zou echter wel interageren met ras. “Verschillende factoren hebben rechtstreeks en onrechtstreeks invloed op elkaar en op de prevalentie van berengeur, dat maakt het onderzoek en de reductie in de praktijk zo complex”, klinkt het. 

Ook naar detectie van berengeur aan de slachtlijn is nog veel studiewerk nodig. Momenteel zijn er chemische en sensorische detectiemethoden. Maar de chemische (op basis van de aanwezigheid van androstenon en skatol) zijn duur en tijdrovend, waardoor ze niet bruikbaar zijn aan de slachtlijn, en de sensorische (getrainde experten) zijn subjectief en moeilijk te standaardiseren. “Chemische testen genieten de voorkeur omwille van hun betrouwbaarheid”, vult Evert Heyrman (KU Leuven/ILVO) aan, “maar het ontbreekt nog aan een test die snel en goedkoop aan de slachtlijn toegepast kan worden”. Bovendien is er het probleem van discrepantie tussen chemische en sensorische evaluaties: soms wordt een positief staal door experts als niet-stinkend geëvalueerd, en omgekeerd. “Het doet vermoeden dat andere factoren dan de componenten androstenon en skatol een rol spelen. Een gouden standaard over wat berengeur is en welke drempelwaarden relevant zijn voor consumenten, ontbreekt.”  

spek-varkensvlees-gevilt.jpg

UGent heeft echter recent een belangrijke stap gezet in de goede richting. In haar doctoraatstudie maakt Kaat Verplancken gebruik van een techniek (REIMS) die afkomstig is uit de chirurgie om snelle detectie (binnen de 7 seconden) aan de slachtlijn mogelijk te maken. Met een intelligent mes (iKnife) gekoppeld aan een compacte ionisatiebron wordt het lipidenprofiel van karkasstalen geanalyseerd. Op basis van 150 nekvetstalen ontwikkelde ze een betrouwbaar en nauwkeurig voorspellend model, dat nu verder getest en verfijnd wordt, ook in de praktijk aan de slachtlijn. “Maar de resultaten zijn veelbelovend”, klinkt het.  

Valorisatie van 'stinkers': er is potentieel
Na focus op reductie en detectie blijft de vraagt wat er moet gebeuren met vlees dat (toch) stinkt. Een eerste studie naar de valorisatie van ‘stinkers’ in Vlaanderen is BOARVAL, waarbij zowel experten- als consumentenpanels verwerkt vlees voorgeschoteld kregen. Daaruit bleek dat ‘sterke stinkers’ niet geschikt zijn voor integrale verwerking in vleeswaren, maar ingemengd kunnen worden (getest met 10% inmenging) in zowel koude als warme bereidingen. ‘Matige stinkers’ kunnen wel integraal verwerkt worden, maar dan alleen in koude producten. Voor verse vette vleeswaren die verhit worden net voor consumptie, zijn matige stinkers allicht ook niet geschikt.

Om de resultaten van BOARVAL te verfijnen en verder uit te werken, werd onlangs een tweede studie gelanceerd (REDBOAR). Daarin wordt onder meer onderzocht of het inmengingspercentage van 10 procent voor sterke stinkers opgetrokken kan worden en of toevoegingen zoals marinades, kruidingen en specifieke productieparameters (temperatuur, rijping, enzovoort) berengeur kunnen maskeren. “Uiteindelijk moet dit leiden tot een volledige karkasvalidatie en het opstellen van een draaiboek dat toegepast kan worden in slachthuizen, uitsnijderijen en vleesverwerkende bedrijven, waarop ze voor elk karkasonderdeel de mogelijkheden voor distributie en verwerking kunnen aflezen. Dit moet de sector toestaan om, bij voorkeur via ketenoverleg, de logistieke en economische implicaties van vlees met berengeur in te schatten, en zo een SWOT-analyse te maken van elk van de alternatieven (verdoofd castreren, immunocastratie of intacte beren)”, legt Lynn Vanhaecke (UGent) uit.  

droge-worst-vlees-gevilt.jpg

Berengedrag: opvangen via management of door vaccinatie
Eén van de grootste nadelen van het afmesten van intacte beren volgens varkenshouders zelf, is het risico op agressief en seksueel gedrag in de stallen. Maar volgens Frank Tuyttens (ILVO) is het mogelijk om dat risico te beperken via doordacht management, “gebaseerd op een goede kennis van de behoeften en de biologie van het varken”. Hij verwijst daarbij naar aanpassingen aan de huisvesting of de voeding, contact tussen jonge biggen uit verschillende worpen nog voor het spenen, rekening houden met groepssamenstelling en zelfs met persoonlijkheid van de varkens.

Om bovenstaande problemen te vermijden, is er de oplossing met het vaccin. Maar ook bij dat alternatief zijn er nog vragen, los van de twijfels over de marktacceptatie. Met name de invloed van immunocastratie op gedrag, technische resultaten, karkas- en vleeskwaliteit wordt onderzocht. En wat vleeskwaliteit betreft, speelt niet alleen berengeur een rol. Ook intramusculair vet, het waterhoudend vermogen en de scheurkrachtwaarde is belangrijk. Intacte beren scoren op die vlakken vaak minder goed dan immunocastraten en bargen. “Maar het optimale tijdstip voor het tweede vaccin in functie van de karkas- en vleeskwaliteit is nog onvoldoende gekend”, zegt Marijke Aluwé. In het recent gestart VLAIO-project ‘Naar meer smaak en kwaliteit in Vlaams varkensvlees’ wordt dit onder meer onderzocht.

Stoppen met castreren: het financiële plaatje
Een belangrijke voorwaarde voor de omschakeling van de sector naar intacte beren of immunocastraten, is zoals gezegd de economische en praktische haalbaarheid. Alice Van den Broecke (ILVO) vertelt daarover dat immunocastraten een hogere dagelijkse voederopname en groei hebben in vergelijking met beren, maar dat dit niet resulteert in een verschil in voederconversie. Immunocastraten zetten immers meer vet aan, wat minder efficiënt is dan spieraanzet. Wat de algemene karkaskwaliteit en dus ook de uitbetaling per kilogram karkas betreft, blijkt uit het VLEVAGEWICHT-project (uitgevoerd onder Belgische praktijkomstandigheden) dat beren het hoogst scoren, gevolgd door immunocastraten en dan pas bargen. 

varken-slachthuis-gevilt.jpg

Qua economisch rendement scoren de alternatieven ook beter dan bargen. De verbeterde technische prestaties vertalen zich in betere saldo’s per varken. “Het afmesten van intacte beren en immunocastraten zijn beide praktisch en economisch haalbaar”, besluit Marijke Aluwé. Met de belangrijke kanttekening dat er voldoende afzet moet zijn. En dat is vooralsnog koffiedik kijken. “De internationale marktacceptatie vormt een obstakel voor de hele keten. Door een gebrek aan cijfers is het ook lastig om in te schatten hoezeer de marktprijzen zullen worden beïnvloed. Hoewel de resultaten van onze economische analyses veelbelovend klinken, is het wachten op die marktacceptatie om het risico op omzetdalingen te elimineren”, waarschuwt ook Frederik Leen (ILVO). 

De varkenshouders zelf staan in ieder geval al een stuk minder huiverachtig ten opzichte van de alternatieven dan in 2009. “Heel wat varkenshouders hebben de overstap al kunnen maken zonder grote managementaanpassingen, en halen nu betere technische resultaten. Op vlak van gedrag, uitval en gezondheid verschillen de ervaringen. Daarom is het belangrijk om op elk bedrijf na te gaan welk alternatief het beste past en hoe het geoptimaliseerd kan worden”, besluit Sarah De Smet van het Varkensloket.

Alle presentaties van de studiedag zijn terug te vinden op www.varkensloket.be  

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via