nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

11.07.2017 VCM wil mestverwerking inpassen in circulaire economie

Zowel op Europees als regionaal beleidsniveau staat de evolutie naar een circulaire economie hoog op de agenda. Een evolutie waarin de mestverwerkingssector een rol te spelen heeft want nutriënten recupereren uit dierlijke mest en er nuttige producten van maken, wordt steeds belangrijker. In een visienota identificeert het Vlaams Coördinatiecentrum voor Mestverwerking (VCM) de knelpunten en doet het een aantal aanbevelingen. Van het beleid wordt rechtszekerheid verlangd voor de uitbating van installaties en administratieve vereenvoudiging want dat kan het gebruik en de export van hoogwaardige eindproducten stimuleren. Eveneens wenselijk zijn financiële steun en experimenteerruimte om de transitie op gang te brengen, bijvoorbeeld door het uittesten van bepaalde mestverwerkingsproducten als alternatief voor kunstmest

Om het mestoverschot op een oordeelkundige manier op te vangen, zijn mestverwerkers in Vlaanderen hard nodig. Heel wat veehouders hebben geen of onvoldoende grond beschikbaar om al hun mest op kwijt te kunnen zodat verwerking het evenwicht moet herstellen. Sinds 2007 is de Vlaamse mestbalans onafgebroken in evenwicht. Niet toevallig maakte de mestverwerkingscapaciteit in Vlaanderen tien jaar geleden een eerste grote sprong voorwaarts. Mestverwerking vormt nu de sluitsteen van het Mestdecreet. Neem deze sector weg en de Vlaamse veestapel zou moeten inkrimpen of meer mest zou onbehandeld op het land komen, wat ongunstig kan zijn voor de uitspoeling van nitraat.

De mestverwerkers kwijten zich goed van hun taak om het mestoverschot weg te werken. Om het plaatje volledig te doen kloppen, zou het eindproduct van mestverwerking als bodemverbeteraar opnieuw op Vlaamse landbouwgrond moeten belanden. Of zou mest op een andere manier een waarde moeten krijgen die gevaloriseerd kan worden. In de praktijk zijn mestverwerkers aangewezen op export van hun eindproduct, wat ergens zonde is als je weet dat er nog altijd veel kunstmest gebruikt wordt in Vlaanderen en de bodemvruchtbaarheid onder druk staat. Bovendien is kunstmest die stikstof bevat het resultaat van een energieverslinderd productieproces en de fosfaat- en kaliummijnen in het buitenland zijn geen onuitputtelijke bron van nutriënten.

De verduurzaming van de huidige mestverwerking in Vlaanderen lijkt vooral een kwestie van de transitie naar een circulaire economie niet te missen. VCM, het centrale aanspreekpunt rond mestverwerking in Vlaanderen, geeft de aanzet met een visienota die inspiratie biedt voor een actieplan dat sector en overheid samen kunnen opstellen. Bevoegd minister Joke Schauvliege heeft in haar beleidsnota aangegeven dat ze de transitie van nutriëntenverwijdering naar nutriëntenrecuperatie wil stimuleren. In de praktijk zal dat grote inspanningen vergen, zowel van de sector als van de overheid omdat één en ander onvoldoende op elkaar afgestemd is: de beschikbare technieken en hun rendabiliteit, de maatschappelijke draagkracht voor mestverwerkingsinstallaties, de huidige wetgeving en markt voor de eindproducten van mestverwerking.

Als platform tussen overheid en bedrijfsleven wil het Vlaams Coördinatiecentrum voor Mestverwerking de transitie faciliteren. Daartoe werd een werkgroep opgericht waarin de mestverwerkers en aanverwante sectororganisaties vertegenwoordigd zijn, evenals onderzoekers en dienstverleners. Uit hun gesprekken is de VCM-visienota gegroeid. In de transitie naar een circulaire economie wordt gezocht naar mogelijkheden om mestverwerkingsproducten in te zetten als alternatief voor kunstmest, de import van eindige bronnen van nutriënten zoals fosfaatrots te verminderen, uit mest grondstoffen (eiwitten, vezels,…) te produceren en de organische koolstof in de mest op de eigen Vlaamse landbouwbodem te valoriseren.

Dat bewerkstelligen kan door bestaande technieken aan te passen ofwel door alternatieve technieken te ontwikkelen. Volgens de VCM-visienota is het van belang om met levenscyclusanalyses de milieu- en systeemimpact van de huidige en nieuwe technieken te onderzoeken en vergelijken. Het is zoeken naar technieken die de fosfor uit dierlijke mest kunnen verwijderen zonder aan de organische fractie te raken. Cijfers van de Bodemkundige Dienst van België tonen immers aan dat ongeveer 46 procent van de akkers in ons land een te laag organische koolstofgehalte heeft. Momenteel verdwijnt een grote hoeveelheid waardevolle organische stof naar het buitenland want de fosforrijke dikke fractie wordt vanwege de strenge bemestingslimieten in Vlaanderen vooral naar Frankrijk uitgevoerd. Mocht het technisch en economisch haalbaar worden om de fosfor uit mest te scheiden van de organische stof, dan zou dit de circulariteit van mestverwerking en landbouw nog versterken.

Of de toekomst van de mestverwerkingssector ligt bij grote, centrale installaties of bij lokale mestverwerking op boerderijniveau laat de VCM-visienota in het midden. De transitie zou een meer centrale mestverwerking in de hand kunnen werken omdat deze installaties grote volumes eindproducten met een stabiele samenstelling kunnen fabriceren. Het nadeel is dat er dan meer mest van landbouw- naar industriegebied vervoerd zal moeten worden. Een tussenoplossing is om een eerste bewerking van de mest op het landbouwbedrijf uit te voeren en de halffabricaten te transporteren naar industriële mestverwerkingsinstallaties. Om inzicht te krijgen in de technieken die een duurzaam alternatief vormen, is onderzoek nodig. Er zijn twee typisch onderzoek nodig, enerzijds naar de duurzaamheid van technieken en anderzijds naar de haalbaarheid en optimalisatie ervan en de afzet van de eindproducten die eruit resulteren.

Verder is een langetermijnvisie van het beleid, die rechtszekerheid biedt voor de huidige en toekomstige mestverwerkers, cruciaal om deze transitie te ondersteunen. Het is noodzakelijk dat het beleid innovatie stimuleert door experimenteerruimte te voorzien, waarin bijvoorbeeld bepaalde mestverwerkingsproducten als alternatief voor kunstmest kunnen worden toegepast. De huidige status van deze producten, zijnde dierlijke mest, is volgens VCM een belangrijke blokkade voor de circulaire economie. “Het is noodzakelijk dat meststoffen beoordeeld worden op hun eigenschappen, kwaliteit en werking en niet op basis van hun origine”, klinkt het. Hiervoor is een aanpassing van de Europese Nitraatrichtlijn nodig. Opdat akkerbouwers interesse zouden tonen, is het van belang dat mestverwerkers rekening houden met hun wensen zodat het product dat zij aanbieden qua werking kan wedijveren met kunstmest. Het gebruik van op maat gemaakte meststoffen kan de gewasbehoefte met eenzelfde nauwkeurigheid invullen.

Eventueel kunnen subsidies bijdragen om de overstap naar nieuwe technieken te vereenvoudigen, “maar er is bovenal nood aan de aanmoediging van het oordeelkundige gebruik en de export van de hoogwaardige eindproducten, onder andere via administratieve vereenvoudiging.” In plaats van te stimuleren, kan een overheid ook gaan verplichten om de transitie snel te bewerkstellingen. Voor zo’n aanpak lijkt het enthousiasme minder groot, of het moet een verplichting zijn voor de kunstmestindustrie om een bepaald percentage uit dierlijke mest gerecupereerde nutriënten aan hun minerale meststoffen toe te voegen.

Het eindproduct van mestverwerking is meestal een bodemverbeteraar. Bij mestverwerking op boerderijniveau kan die prima geschikt zijn voor lokale valorisatie terwijl industriële verwerkingsinstallaties een eindproduct opleveren dat ideaal kan zijn voor de productie van een meststof met meerwaarde. Een heel vernieuwende toepassing van dierlijke mest, met name het gebruik als kweekbodem voor de zwarte soldatenvlieg, stoot in de praktijk op de Europese wetgeving inzake dierlijke bijproducten die het niet toelaat om eiwitten die gekweekt zijn op mest aan landbouwdieren te voederen. Ook de Europese beleidsmakers kunnen dus hun steentje bijdragen aan de verduurzaming van de mestverwerking.

Als circulaire en kostenefficiënte alternatieve technieken beschikbaar zijn, er vraag bestaat naar de eindproducten en de wetgeving het oordeelkundige en correcte gebruik van deze eindproducten toelaat, zullen uitbaters van de huidige mestverwerkingsinstallaties spontaan meegaan in het transitieverhaal. Als het een financieel risico inhoudt, bestaat de kans dat zij passen en is het aan de overheid om hen met “gepaste instrumenten” te overtuigen. De visienota vult dat in met investeringssteun om de ‘early adopters’ te overtuigen, financiële steun voor onderzoek, werkingssteun om de prijs van nutriëntenrecuperatie te reduceren tot de prijs van de huidige mestverwerking, steun op het gebruik van de eindproducten en als vijfde en laatste mogelijkheid exportsubsidies zoals ze voor andere producten gebruikelijk zijn.

Meer info: VCM-visienota

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via