nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

16.05.2018 Veldwerk achteruit ondanks normale weersomstandigheden

De weersomstandigheden tijdens de voorbije winter en het vroege voorjaar waren globaal gezien wel normaal, maar toch zorgde de kou in februari en maart voor een lichte groeivertraging bij de wintergewassen. Die kon dankzij het warme weer in april echter snel weggewerkt worden. De aanleg van de zomerteelten startte later dan gewoonlijk doordat de velden er nog erg nat bij lagen. Plaatselijk zorgden hevige regens ook voor extra vertraging of berokkenden ze schade aan de pas aangelegde akkers. Dat blijkt uit de Agrometeorologische Berichten voor België.

Volgens het KMI kan de voorbije winter als normaal bestempeld worden, zowel op het vlak van de temperatuur, de neerslag als de zonneschijnduur. Januari was een vrij zachte maand met een normale hoeveelheid neerslag. Februari was erg koud. Vooral op het einde van de maand, na 20 februari, zakte de temperatuur diep. Verder was het wel een droge en uitzonderlijk zonnige maand. Ook tijdens de eerste dagen van maart en tussen 16 en 22 maart was het erg koud. De gemeten neerslaghoeveelheid in maart was normaal. 

In april kenden we erg groeizaam weer met aangename temperaturen vanaf 7 april en zelfs zomerse waarden tussen 18 en 22 april. De neerslaghoeveelheid en de zonneschijnduur waren normaal. Wel viel de meeste neerslag in een korte tijdspanne, vaak onder de vorm van onweders. Hier en daar veroorzaakte dit schade aan de pas aangelegde teelten. “Ook de abrupte overgang van het koude weer in maart naar het erg warme weer in april had een negatieve impact op de groei van sommige gewassen”, luidt het.

Uit analyse van satellietbeelden blijkt dat lage temperaturen op het einde van februari en in maart de gewasgroei tijdelijk vertraagde. De vegetatie-index in alle regio’s nam toen een flinke duik. Vanaf april kwam er meer groeizaam weer waardoor de index opnieuw kon stijgen. Vandaag schommelen de waarden rond het gemiddelde of iets daarboven. Door de opeenvolging van zomerse dagen eind april begonnen de wintertarwe en wintergerst plots erg snel te groeien. Daardoor vertoont vooral wintertarwe een lichte voorsprong ten opzichte van de voorbije twee jaren.

De inzaai van suikerbieten gebeurde, net zoals in 2016, later in het seizoen. In de eerste week van mei kon de zaaiperiode dan toch worden afgerond. Onweer, soms in combinatie met hagel, veroorzaakte eind april plaatselijk schade aan de gewassen. Op sommige velden lagen de bieten plat tegen de grond. Door het mooie weer eind april en begin mei konden de planten wel goed herstellen.

Het poten van aardappelen verliep sterk verschillend van regio tot regio. In Haspengouw en Limburg kon men al op 15 april van start waardoor in het begin van mei de plantwerkzaamheden zo goed als afgerond zijn. Begin mei was in het centrum van het land slechts 60 tot 70 procent geplant, terwijl in Oost- en West-Vlaanderen op dat ogenblik nog meer dan de helft van de aardappelen moest geplant worden. Aangezien de regen grotendeels is uitgebleven, zullen de plantwerkzaamheden nu het half mei is, in heel het land stilaan afgerond zijn.

De vroege aardappelrassen werden gepoot met een vertraging van minstens drie weken. “Die achterstand zou nog gedeeltelijk weggewerkt kunnen worden als de opkomst snel verloopt”, klinkt het. Voor de bewaaraardappelen bedraagt de achterstand een week tot tien dagen. Positief dit jaar is evenwel dat het pootgoed van goede kwaliteit is en dat de bodemstructuur over het algemeen uitstekend was, in combinatie met gunstige weersomstandigheden. Wel wordt er gewaarschuwd voor de aardappelplaag nu droge en vochtige periodes zich de afgelopen weken afwisselen. Ook de eerste Coloradokevers zijn al gesignaleerd.

Het voorjaar van 2018 kan bestempeld worden als een zeer moeilijk voorjaar voor de maïsteelt, laat het Centrum voor Voedergewassen weten. Januari was vrij nat en februari en maart koud waardoor weinig percelen half februari berijdbaar waren om de eerste mest toe te dienen. Soms werd er toch in te natte omstandigheden over het grasland gereden met structuurschade tot gevolg. Begin april kan het veldwerk dan toch nog volop losbarsten. Waar mogelijk werd volop mest gereden en de grond bewerkt. Na een aantal regendagen half april kon de eerste maïs dan toch omstreeks 20 april gezaaid worden. Begin mei werd op vele plaatsen nog gras geoogst. Na de eerste week van mei was 60 tot 70 procent van de maïspercelen ingezaaid. Er worden wel vragen gesteld hoe eventuele structuurschade zich zal uiten in de latere gewasontwikkeling.

De Agrometeorologische Berichten zijn een initiatief van het KMI, onderzoekscentra CRA-W en VITO en de Universiteit van Luik. Deze berichten verschijnen drie keer tijdens het groeiseizoen. Ze bevatten telkens een analyse van de weersgesteldheid en – vanaf juni – een voorspelling van de oogst van de voornaamste landbouwgewassen voor het lopende jaar. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van een combinatie van technieken uit de domeinen van de statistiek, de geografische informatiesystemen, de gewasgroeimodellering en de teledetectie. 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via