nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Europese Unie viert zijn 60-jarig bestaan
27.03.2017  Verdrag van Rome gaf in 1957 startschot voor Europees landbouwbeleid

In 1957 werd in Rome de basis gelegd voor het Europa zoals we dat vandaag kennen. De oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) door zes landen waaronder België luidde het begin in van een lange, vreedzame samenwerking op het voordien zo onstabiele continent. Landbouw leek eerst een twistpunt binnen de EEG maar zou zich ontpoppen tot de motor achter de Europese integratie. Met de voedselschaarste tijdens en kort na de oorlog nog fris in het geheugen effende het Verdrag van Rome het pad voor een gezamenlijk landbouwbeleid. De doelstelling luidde: “Voldoende voedsel produceren tegen redelijke prijzen voor de consument en met een redelijk inkomen voor de producent.” In 1962 zou het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) effectief van start gaan. Vijfenvijftig jaar later is er aan betaalbaar voedsel voor de consument geen gebrek, maar lijkt er nog altijd iets mis met het arbeidsinkomen van de voedselproducent. Aan Europakenner Hendrik Vos (UGent) en GLB-specialist Joris Relaes (ILVO / KU Leuven) vragen we wat Europa nog kan betekenen voor landbouw, en omgekeerd.

Met de ondertekening van het Verdrag van Rome besloten zes landen een gemeenschappelijke markt op te richten waar mensen, goederen en diensten zich vrij kunnen bewegen. België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Italië en de Bondsrepubliek Duitsland legden zo de basis voor een decennialange welvaart en stabiliteit in Europa. Zes jaar eerder hadden zij een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) opgericht. In Rome zag behalve de Europese Economische Gemeenschap (EEG) ook de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) het levenslicht.

In 1967 fuseerden Euratom, EEG en EGKS tot de Europese Gemeenschappen. Met het verdrag van Maastricht werd in 1992 de Europese Unie opgericht zoals we ze vandaag kennen. Wat als een zuiver economisch project gestart is, groeide uit tot een supranationale organisatie die zich bezighoudt met allerlei beleidsdomeinen: van klimaat, milieu en gezondheid tot buitenlandse betrekkingen en veiligheid, justitie en migratie.

Uiteraard mag ook landbouw niet ontbreken in die opsomming want het was één van de grote politieke projecten bij de prille start van de Europese integratie. Een gemeenschappelijke landbouwmarkt zou een opstapje zijn naar de verdere eenmaking van markten. Het voedseltekort waar West-Europa mee kampte tijdens en na de Tweede Wereldoorlog lag nog fris in het geheugen zodat zelfvoorziening belangrijk werd geacht. De vrees voor een tekort werd nochtans snel ingehaald door de feiten. De landbouwproductie steeg zo snel dat de prijzen zodanig daalden dat steeds meer landen in West-Europa teruggrepen naar protectionistische maatregelen om hun eigen landbouw te beschermen.

Landbouw doet zijn intrede in het verdrag
Het Verdrag van Rome beperkte zich tot een aantal algemene doelstellingen voor een landbouwbeleid. De artikelen 38 tot en met 47 van het verdrag bevatten de landbouwbepalingen. De vijf doelstellingen van het landbouwbeleid worden beschreven in artikel 39. Je kan ze niet los van elkaar zien: de productiviteit van landbouw doen toenemen; zodoende de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard verzekeren; de markten stabiliseren; de voedselvoorziening veiligstellen en, tot slot, de consumenten redelijke voedselprijzen garanderen. Zowel de belangen van voedselproducenten als die van consumenten worden dus voor ogen gehouden.

Veel verder dan het formuleren van deze doelstellingen zijn de onderhandelaars in Rome niet geraakt. Dat was al een overwinning op zich want in een aantal EEG-lidstaten stond men erg weigerachtig tegenover Europese eenmaking op vlak van landbouw. Frankrijk, Italië en Nederland waren de voorstanders. Als exporterende landen hadden zij er ook het meest bij te winnen. Duitsland was er minder voor te vinden want zijn landbouw verging het minder goed: jonge mannen verlieten de boerderijen om in de bloeiende industrie te gaan werken. In de jaren ’50 was er een groot tekort aan arbeidskrachten in de Duitse landbouw. België had zijn eigen redenen om net zoals Duitsland terughoudend te zijn. De Belgische staat wou landbouwers beschermen tegen de agressieve Nederlandse exportpolitiek. Onze Noorderburen produceerden zuivel en tuinbouwproducten tegen prijzen waar de Belgische boeren niet aan konden tippen.

bindstal.1950_CAG.geVILT.jpg

In haar boek over de geschiedenis van Landelijke Gilden, ‘Meer dan boer alleen’, beschrijft Chantal Bisschop van het Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG) hoe Boerenbond aanvankelijk sterk gekant was tegen Europese integratie. De Benelux, de eerste aarzelende stap in de richting van supranationale samenwerking, werd precies op vlak van landbouw geen succes. Na verloop van tijd schaarde Boerenbond zich achter de Europese gedachte. Via de EEG hoopten de Belgische boeren vlotter toegang te krijgen tot buitenlandse afzetmarkten, “wat met de fors gestegen productie steeds meer noodzakelijk bleek”.

De angst om op een eengemaakte markt op harde concurrentie te botsen bleef weliswaar bestaan zodat op vraag van België in het Verdrag van Rome is opgenomen dat de integratie op vlak van landbouw geleidelijk moest gebeuren. Over de manier waarop het gemeenschappelijk landbouwbeleid tot stand moet komen, zegt artikel 39 van het verdrag: “Er zal rekening gehouden worden met de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw en uit de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden. Het is noodzakelijk om de aanpassingen geleidelijk te doen verlopen.”

Lange aanloop naar een gemeenschappelijk landbouwbeleid
Artikel 40 onderstreept nogmaals die geleidelijkheid en specifieert dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt ingeleid door een overgangsperiode. Douanerechten zouden volgens dezelfde zachte aanpak afgebouwd worden tijdens de overgangsperiode die ongeveer liep van 1962 tot 1967. Hoe de gemeenschappelijke marktordening er voor landbouw precies zou uitzien, is na het Verdrag van Rome nog niet duidelijk, dat er ambitie van zou uitgaan wel. Artikel 40 trekt het pallet aan instrumenten dat ter beschikking staat breed open: “Het kan alle maatregelen meebrengen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen van het landbouwbeleid te bereiken, met name prijsregelingen, subsidies voor productie en het in de handel brengen, systemen van voorraadvorming, stabilisatie van de in- of uitvoer, enz. Ook promotieacties om het verbruik aan te zwengelen, werden in 1957 al voorzien.

Vlaamseboerderij.geschiedenis_CAG.geVILT.jpg

Voor de verdere uitwerking van het landbouwbeleid schreef het Verdrag van Rome voor dat er een conferentie van de zes lidstaten samengeroepen zou worden. Dat gebeurde een jaar later al, in het Italiaanse Stresa. De overeenkomsten die bereikt werden in Stresa waren wettelijk nog niet bindend, maar de resolutie bood al een meer coherent beeld van het gemeenschappelijk landbouwbeleid dan het geval was na het Verdrag van Rome. Deze nieuwe stap werd gezet onder het voorzitterschap van de Nederlander Sicco Mansholt. Hij schopte het in 1958 tot landbouwcommissaris in de pas opgerichte Europese Commissie. De voormalige Nederlandse landbouwminister geniet vooral faam als de architect van het beruchte ‘Plan Mansholt’ waar de boeren in 1971 massaal tegen protesteerden. Mansholt wou de Europese landbouw moderniseren en de productiviteit opkrikken. Kleine boerenbedrijven pasten niet in die visie.

Na de conferentie in Stresa deed de Europese Commissie in 1960 voorstellen voor een gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Nog datzelfde jaar viel het Europees landbouwbeleid definitief in zijn plooi. In 1962 zou het van start gaan. Het GLB steunde op drie belangrijke principes. Tussen de lidstaten bestond er een vrij verkeer van landbouwproducten. Bij die ‘eenheid van markt’ pasten gemeenschappelijke prijzen. Concurrentievervalsende subsidies, tolbarrières en andere handelsbelemmeringen waren uitgesloten. Het beginsel ‘communautaire preferentie’ impliceert dat er voorrang werd verleend aan de afzet van landbouwproducten uit Europa op de gemeenschappelijke markt. Daarom werd de interne markt afgeschermd van goedkope import uit derde landen. Een gemeenschappelijke politiek moet uiteraard ook gemeenschappelijk betaald worden zodat er ‘financiële solidariteit’ afgesproken werd.

GLB had zijn doelstellingen in een handomdraai bereikt
Om bovenstaande principes uit te voeren, werkte de EEG een markt- en prijsbeleid uit. Granen kregen in 1962 als eerste een gemeenschappelijke prijs. Later volgden andere producten zoals melk, boter en rundvlees. Naast een richtprijs kende Europa aan veel producten ook een interventieprijs toe. Als een landbouwer zijn producten niet kwijtgeraakte op de markt, dan kocht Europa ze op tegen een gegarandeerde minimumprijs. Europa wou de landbouwer immers een redelijk inkomen garanderen. Er golden ook invoerbeperkingen om de Europese boeren te beschermen. De EEG had er veel geld voor over om het GLB te doen slagen. Landbouwers kregen steun om hun bedrijven groter en productiever te maken en om te investeren in nieuwe productietechnieken. Veel boeren specialiseerden zich in een bepaalde tak van de landbouw.

Na enkele jaren had het beleid zijn doelen al bereikt. De opbrengsten waren enorm toegenomen en de voedingsprijzen in de winkels gedaald. Tegelijk garandeerde Europa dat de eigen landbouwers onder alle omstandigheden een goede prijs kregen per geproduceerde eenheid. Keerzijde van de medaille was dat landbouwers de voeling met de markt verloren. De productie werd gestuurd door wat Europa betaalde, niet door wat de markt vroeg. Aan het eind van de jaren ‘60 en in de loop van de jaren ‘70 was er te veel melk, te veel boter en te veel wijn, te veel granen en te veel rundvlees. Omdat elke landbouwer toch een goed inkomen zou behouden, kocht de Europese overheid die overschotten zelf op. Ze bewaarde ze om ze later opnieuw op de markt te kunnen brengen of voerde ze uit naar andere landen, waar ze aan een fractie van de prijs verkocht werden met behulp van exportrestituties.

graan.geVILT.jpg

In de aanloop naar de meest recente hervorming van het GLB (2014) bracht Boerenbond een brochure uit om het grote publiek te informeren over het Europees landbouwbeleid. Daarin wordt beschreven hoezeer het draagvlak voor de aanpak van de EEG 40 jaar geleden afgebrokkeld was. Veel mensen vonden het ongehoord dat op een bepaald moment ruim driekwart van het Europese budget naar landbouw ging. Goedkoop Europees melkpoeder verstoorde de markten in ontwikkelingslanden terwijl die landen zelf geen suiker aan Europa mochten leveren. Iedereen werd zich er ook stilaan van bewust dat de Europese landbouw te weinig oog had voor het milieu. Aan het begin van de jaren ‘80 besefte het verenigde Europa, dat ondertussen tien lidstaten telde, dat het met de landbouw anders moest. Er moest een einde komen aan de overproductie en er moest aandacht zijn voor meer duurzame productiemethodes.

Hervormingen van het landbouwbeleid volgen elkaar snel op
De eerste hervormingen waren gericht op het afbouwen van de overschotten. Het melkquotum dat in 2015 opnieuw verdween werd bijvoorbeeld in 1984 ingevoerd. Tussen twee hervormingen verstreek in de jaren ’90 en 2000 niet veel tijd. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid moest immers in snel tempo aangepast worden aan de uitbreiding van de EU, en aan de bijgestelde maatschappelijke verwachtingen. Eén van de meest ingrijpende hervormingen draagt de naam van toenmalig Europees landbouwcommissaris Raymond MacSharry. Hij maakte definitief een einde aan de productiefilosofie van Sicco Mansholt.

De Ierse politicus MacSharry zag in dat een beleid van meer concurrentiële prijzen de enige mogelijkheid was om op lange termijn een levensvatbare landbouw in Europa te behouden. De gegarandeerde prijzen van landbouwproducten werden zo sterk verlaagd dat ze niet veel meer afweken van de wereldmarktprijzen. Om de productie te beperken, voerde MacSharry de verplichte braaklegging in. Het inkomensverlies voor de boeren compenseerde hij met directe inkomenssteun. Vandaag bestaat die inkomenssteun nog steeds. Huidig EU-commissaris Phil Hogan, een landgenoot van MacSharry, hanteert in navolging van zijn voorganger Dacian Ciolos drie ‘vergroeningsvoorwaarden’ als extra rechtvaardiging voor de structurele steun die Europa aan individuele landbouwbedrijven biedt.

Het huidige beleid trad pas in 2015 in voege en minder dan anderhalf jaar later wordt de volgende hervorming alweer voorbereid. Europa heeft het hoe langer hoe moeilijker om tot ieders tevredenheid een gemeenschappelijk landbouwbeleid uit te rollen. Dat is niet abnormaal, vindt Joris Relaes die bio-ingenieurs aan de KU Leuven de beginselen van het Europese landbouwbeleid bijbrengt. “Een gemeenschappelijk beleid voeren voor landbouw was al niet makkelijk met zes lidstaten en dat is er met 28 lidstaten zeker niet makkelijker op geworden. Vandaar ook dat de lidstaten nu meer vrijheid gegund wordt bij het invullen van de Europese krijtlijnen. Als keerzijde heeft dat een versnippering van de aanpak.”

Is de liefde van Europa voor landbouw bekoeld?
De docent aan de KU Leuven zou niet weten hoe de EU het anders kan aanpakken. “De verschillen qua landbouwstructuur zijn te groot, bijvoorbeeld tussen de grote landbouwbedrijven in Tsjechië en de vele kleine boerderijtjes in Polen. Een aantal gemeenschappelijke waarden zoals voedselveiligheid en dierenwelzijn moeten gelijklopen. Landen moeten daarentegen zelf kunnen kiezen welke richting ze uit willen met hun landbouw. Europa probeert die ruimte te geven en is dus geen ‘eenheidsworst’ zoals soms gezegd wordt.”

Joris Relaes denkt niet dat de Europese gedachte zijn beste tijd gehad heeft op vlak van landbouw. “Landbouw is niet meer het bindmiddel tussen lidstaten, maar je kan in Europa nog altijd niet om de sector heen. Je merkt dat in de onderhandelingen over vrijhandelsakkoorden. De meningsverschillen, denk maar aan hormoonvlees uit de Verenigde Staten, gaan vaak over landbouwproducten. Je mag ook niet vergeten dat in de nieuwe lidstaten een groot deel van de beroepsbevolking actief is in de landbouw.”

agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.jpg

“Landbouw is nog altijd van tel voor Europa”, beaamt professor Hendrik Vos, die als hoogleraar verbonden is aan de vakgroep Politieke wetenschappen van de Universiteit Gent. “Waarden zoals veilig voedsel, een eigen voedselvoorziening, dierenwelzijn en het landbouwlandschap vinden we belangrijk. Daarom zal landbouw voor de EU altijd belangrijk blijven en wordt de sector niet overgeleverd aan de vrije markt. Anders zou Europa voor zijn voedselvoorziening afhankelijk worden van enkele (Zuid-)Amerikaanse agrarische reuzen. Dat willen we niet.” De flexibiliteit die ‘Brussel’ de lidstaten biedt, vindt de Europa-specialist vanzelfsprekend. “De situatie is in elk land verschillend dus kan je ook toelaten dat lidstaten andere accenten leggen bij de toepassing van het landbouwbeleid.”

Hendrik Vos gelooft niet dat het ooit zo ver komt dat Europa landbouw weer volledig overlaat aan de lidstaten. Stel je voor dat bepaalde lidstaten hun landbouwsector zwaar subsidiëren, en andere niet. Die laatsten hebben dan een reden om hun grenzen te sluiten zodat er handelsbarrières ontstaan: taksen, grenscontroles en wie weet … smokkelpaden.” Hendrik Vos herinnert aan de gouden jaren ’50 voor de botersmokkel tussen België en Nederland. “In de wereld van vandaag is dat ondenkbaar. Het landbouwbeleid opnieuw aan de lidstaten overlaten, zou de doodsteek zijn voor het ganse Europese project.”

Meer weten? Lees dit nieuwsartikel over de visie van Hendrik Vos (UGent) en Joris Relaes (KU Leuven) op landbouw en Europa.

Bronnen: Europa.eu / Imago-onderzoek van de landbouw in Vlaanderen (Griet Lemaire) / Boerenbond / Centrum Agrarische Geschiedenis / Departement Landbouw en Visserij / Meer dan boer alleen (Chantal Bisschop). Met dank ook aan professor Hendrik Vos (UGent) en Joris Relaes (ILVO / KU Leuven) voor hun medewerking.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: VILT / CAG / Agroforestry in Vlaanderen

Volg VILT ook via