nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

19.03.2017 Verduurzaming is ontdekkingsroute langs meerdere paden

Duurzaamheid is hét containerbegrip van deze tijd, ook in de landbouwsector. Maar hoe vul je duurzaamheid in? Welke weg te volgen in de zoektocht naar een duurzame visie op het agro-voedingscomplex? Een brede schare ketenspelers verzamelde in het hoofdkantoor van Comeos om er naar inspirerende voorbeelden te luisteren. Hoe zette de Ierse voedingssector zich op de kaart als wereldleider in duurzaamheid? Wat leert de decennialange geschiedenis van de Zeeuwse vlegel en hoe ziet de ketenaanpak van de Stichting Veldleeuwerik eruit? En hoe zit het met de verduurzamingsinitiatieven op de Vlaamse melkveebedrijven? 

Sinds 2013 zetten de belangrijkste schakels uit de landbouw- en voedingsketen (Boerenbond, ABS, FEVIA, BEMEFA, Unizo en Comeos) maar ook afgevaardigden van maatschappelijke organisaties en de Vlaamse overheid, met daarbij onder meer ILVO, een duurzaamheidstraject in gang onder de naam ‘De voedingsketen verduurzaamt’. In 2014 en 2016 kregen respectievelijk vier en zes zogenaamde ‘action labs’ een financieel steuntje in de rug, anno 2017 werd een tussentijds inspiratie-event georganiseerd om alle stakeholders uit de voedingsketen kennis te laten maken met succesvolle verduurzamingsinitiatieven. 

Als eerste was Noreen Lanigan van Bord Bia aan de beurt. Bord Bia is zowat de Ierse tegenhanger van het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) en lanceerde met Origin Green een duurzame merknaam om de Ierse exportmarkt aan te zwengelen. “Je mag niet vergeten dat op het moment dat de Keltische Tijger zijn klauwen en tanden verloor het de voedingssector was die de ruggengraat bleek van de Ierse economie”, aldus Lanigan. Origin Green wil de hele voedingsketen mee in bad trekken, van landbouwer tot retailketen en zelfs fastfoodrestaurant. De milieudruk van de stijgende Ierse landbouwproductie moet ongedaan gemaakt worden door duurzamere landbouwpraktijken, netjes opgevolgd door een extern auditbedrijf én vertaald in een duidelijk herkenbaar label dat voor toegevoegde waarde moet zorgen. 

Ook bij de Zeeuwse Vlegel is het een ouweltje op het brood dat de graanteler een meerprijs voor z’n duurzaam geteelde baktarwe moet bezorgen. Het verhaal van de Zeeuwse Vlegel is inspirerend omdat het teruggaat tot de pioniersdagen van het milieubewustzijn in de landbouwsector, lang voor alle schakels van de keten de ene duurzaamheidsstrategie na de andere uitrolden. “Eind jaren 80 heerste er in Nederland een akkerbouwcrisis”, zo doet Joop De Koeijer van Zeeuwse Vlegel zijn verhaal. “Een groep jonge, protesterende boeren vroeg de overheid meer marktregulering en een sterkere aanbodbeheersing, maar daar kwam niets van in huis. We moesten dus op zoek naar alternatieven om onze lage graanopbrengsten op te krikken. We zijn uiteindelijk brood gaan maken.”

“Er was niet enkel de belabberde marktsituatie, we wilden ook anders gaan telen”, vervolgt De Koeijer. “Zonder kunstmest en zonder gewasbeschermingsmiddelen. Enerzijds om de kosten te drukken, maar ook omdat we geloofden in een duurzamere productiemethode. Na verschillende experimenten slaagden we erin om baktarwe te telen met hoge eiwitgehaltes. Na de oogst trokken we met ons graan naar een oude graanmolen. Vanaf dag 1 hadden we ook enkele bakkers aan boord, waardoor we voor we het wisten brood verkochten.”

Ook al is de duurzaamheidsgedachte levendiger dan ooit, toch heeft de Zeeuwse Vlegel het vandaag moeilijk. “Er is geen vermogen mee te verdienen, de meerwaarde blijft al bij al beperkt”, somt De Koeijer op. “Ten tweede stappen jonge, bewuste boeren vandaag makkelijker over naar bio, en ook vanuit de maatschappij merken we dat bio een enorm sterk merk is geworden. Toch denken we niet aan stoppen. We brachten onlangs snelkooktarwe op de markt en die zit tegenwoordig in een nationaal verdeelde maaltijdbox.”

Ook uit Nederland deed Danielle Gram het verhaal achter Stichting Veldleeuwerik uit de doeken. “Alles begon in Flevoland, waar boeren misschien wel de vruchtbaarste landbouwbodem van de hele wereld bewerken”, aldus Gram. “Toen een tiental telers merkte dat de opbrengst op sommige percelen achteruitging besloten ze dat ze het over een andere boeg moesten gooien. Ook de Agrarische Unie en Heineken waren van meet af aan betrokken. Onze visie vertrok van een gezonde bodem, gezonde voeding en gezond ondernemen.”

Die basisvisie is intussen uitgewerkt tot een hele reeks indicatoren die door meer dan 400 telers worden toegepast. “Onze netwerk-werking is heel belangrijk”, zo klinkt het. “Alle betrokken partijen kunnen van elkaar leren tijdens onze bijeenkomsten en ze kunnen elkaar motiveren om duurzame oplossingen te vinden. We merken dat we daarnaast ook een belangrijke gesprekspartner voor de overheid zijn geworden. Zo worden we regelmatig uitgenodigd in Brussel op vergaderingen die gaan over de toekomst van het Europees landbouwbeleid.” 

Tenslotte kwamen Renaat Debergh van de Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie (BCZ) en Roel Vaes (Boerenbond) aan bod. Zij legden het publiek nog eens uit waar de IKM Duurzaamheidsmonitor precies voor staat, en wat de sterke en zwakke punten zijn in het systeem. Het monitorsysteem is enerzijds ingegeven door de maatschappelijke verantwoordelijkheid die je als sector neemt, maar anderzijds ook om de afzetmarkt veilig te stellen, zo zei Debergh. “De uitwerking bleek moeilijker dan gedacht. Je kan niet zomaar een lastenboek opstellen en verwachten dat al je melkveehouders volgen.”

“Wij hebben bijvoorbeeld steeds gepleit voor een vrijwillig systeem”, vertolkt Roel Vaes de stem van die melkveehouders. “We wilden absoluut een opbod vermijden tussen verschillende duurzaamheidssystemen, daarom zijn we er uiteindelijk wel in meegegaan. Daarbij hebben we meteen duidelijk gemaakt dat een one-fits-all-aanpak niet zou werken. Dat het een lastenboek is dat niet meteen meerwaarde opbrengt”, ligt bij boeren ook gevoelig natuurlijk. “Al is het uiteraard zo dat heel wat milieuvriendelijke maatregelen ook de kostprijs van een liter melk doen dalen. Een win-win dus. We zien dan ook dat de grote meerderheid van de melkveehouders ondertussen gewonnen is voor het concept, ook al zijn er geen concrete doelstellingen en vergt het heel wat overleg.” 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via