nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

De spectaculaire opgang van een Aziatische landbouwmacht
06.06.2016  Vietnam

Nu de Chinese groeimotor sputtert zijn steeds meer ogen gericht op Zuidoost-Azië, waar voormalige economische dwergen als Laos, Cambodja, Myanmar en Vietnam zich in een razendsnel tempo aan het omturnen zijn tot performante exporteconomieën. Tijdens een reis doorheen het ruim 1.600 kilometer lange Vietnam onderzocht de VILT-reporter van dienst of die exponentiële groei zich ook in de landbouwsector manifesteert en of de Vietnamese (vis)boer zijn graantje kan meepikken. Een tocht langs de vruchtbare oevers van de Mekong, gigantische visboerderijen en een hypermodern pluimveebedrijf met een Belgische connectie.

Van de extreem bloederige Vietnamoorlog herinnert u zich dat de Verenigde Staten in 1975 met de staart tussen de benen afdropen. Het communistische noorden installeerde een eenheidsregering en lijmde de scherven met de belofte voor economische groei te zorgen en het land uit het armoedemoeras te trekken. Die missie kwam pas op kruissnelheid vanaf 1986, nadat het communistische partijbestuur de beslissing nam om het economisch systeem te openen voor buitenlandse investeringen.

“Dertig jaar later is het land onherkenbaar veranderd”, zegt iemand die het kan weten. Toen professor emeritus Patrick Sorgeloos (UGent) in 1982 door de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) naar Vietnam werd gestuurd trof hij er een verwoest land aan. “Vietnam had toen nog geen diplomatieke relaties met België, en dus trok ik naar daar met een paspoort van de Verenigde Naties. Het land was nog steeds een grote puinhoop. Sindsdien ben ik er nog heel vaak geweest en het is werkelijk onwaarschijnlijk hoe dit land is veranderd. Ik ken geen ander voorbeeld dat in de buurt komt.”

tuinbouw Vietnam 2 gevilt.jpg

Dat Vietnam als lageloonland een belangrijke schakel werd in het productieproces van modemultinationals is algemeen geweten, maar ook de evolutie die de landbouwsector de laatste decennia doormaakte, is bepaald indrukwekkend te noemen. In 2015 exporteerde Vietnam voor 2,3 miljard euro aan voedingsproducten naar de 28 Europese lidstaten, goed voor een handelsoverschot met Europa van liefst 1,2 miljard euro. Bovendien zijn vis en zeevruchten – een belangrijk exportproduct – nog niet meegeteld in die statistieken. Vorig jaar bracht de wereldwijde export van visproducten Vietnam bijna 6 miljard euro op. In Europa voeren we vooral massaal Vietnamese koffie, thee, tropische vruchten, noten en kruiden in. Een recent goedgekeurd vrijhandelsakkoord tussen Vietnam en de EU moet de handelsbalans weer wat in evenwicht brengen.

Eén van de motoren achter dat exportsucces is de visserijsector. “Al is aquacultuur niet steeds de groeisector geweest die het nu is”, aldus Sorgeloos. “Vietnam is qua productie de laatste vijftien jaar opgeklommen tot nummer drie wereldwijd, met de pangasius als exponent van dat succesverhaal. Wat kweekomstandigheden betreft is Vietnam erg interessant voor aquacultuur: zowel het klimaat als het aquatische milieu zijn uitermate geschikt voor de kweek van vis, garnalen en zelfs schelpdieren. Bovendien is er ook vanuit het beleid een stevige impuls en een permanente ondersteuning geweest.”

Met dank aan de pangasius
Het Vietnamese aquacultuurverhaal is voor een stukje Belgisch getint, zo blijkt. “Van in het begin hebben we met onze Vlaamse universiteiten en met de Universiteit Gent in het bijzonder ons steentje bijgedragen om de sector naar een hoger niveau te tillen”, aldus Sorgeloos. “Maar ook met Nederland en Noorwegen heeft Vietnam nauw samengewerkt. Aanvankelijk was dat eenrichtingsverkeer: Europese knowhow werd geïmporteerd. Tegenwoordig kan je spreken van een echte wisselwerking. Dat de Vietnamese overheid vandaag haar eigen studenten beurzen aanbiedt om zich aan Europese universiteiten bij te schaven, is daarvan een goed voorbeeld. Vroeger faciliteerden wij de opbouw van die kennis, ondertussen heeft Vietnam het heft zelf in handen genomen.”

aquacultuur garnalenkwekerij gevilt.jpg

De pangasius mag dan wel van goudwaarde geweest zijn voor de Vietnamese visserijsector, tegelijk veroorzaakt de meervalachtige behoorlijk wat controverse omdat de kweek ervan belastend zou zijn voor het milieu en lokale ecosystemen onder druk zou zetten. Ook over de aanwezigheid van potentieel ziekteverwekkende bacteriën bij geïmporteerde pangasius was al heel wat te doen. “Ik begrijp de discussie rond de duurzaamheid van pangasius en er is zeker ruimte voor verbetering, maar we moeten de hand ook voor een stuk in eigen boezem steken”, zo nuanceert Surgeloos. “Het is bijvoorbeeld op vraag van Europese vishandelaars dat Vietnamese pangasiuskwekers meer polyfosfaten zijn gaan gebruiken om zo via het zogenaamde ‘glazing’-procédé meer water in de filets te krijgen.”

Volgens Surgeloos moet verder ook bewuster worden omgegaan met afvalwater: “Nu wordt het water na de kweek nog al te vaak geloosd in de Mekong-rivier, terwijl het verstandiger zou zijn om na te denken over hoe de nutriënten in het afvalwater kunnen hergebruikt worden via landbouwtoepassingen. Toch wil ik ook hier nuanceren. Doctor Roel Bosma van Wageningen Universiteit heeft op verzoek van de Nederlandse overheid een studie uitgevoerd over de impact van de pangasiuskweek op de waterkwaliteit van de Mekong. Wat blijkt? Aquacultuur is slechts verantwoordelijk voor een klein deel van de vervuiling. Ik herinner me daarnaast ook het gerucht dat gelanceerd was door een milieubeweging dat er hoge arsenicumconcentraties aanwezig zouden zijn in het water van de Mekong. Ook daar bleek uiteindelijk volgens verschillende studies niets van te kloppen.” 

Wat de duurzaamheid van de Vietnamese aquacultuursector betreft moeten we de hand ook in eigen boezem steken

Als je doorheen de Mekong-delta vaart, passeer je het ene vissersboerdorp na het andere. Kleine, houten hutjes, vaak gedragen door hoge palen om het stijgende water en het spel van de getijden buiten spel te zetten. Kan ook de kleine Vietnamese visboer – nog steeds een grote meerderheid – mee profiteren van het grote succes van de aquacultuur? “Absoluut”, verzekert Sorgeloos. “Zeker in de Mekong-delta. Dankzij de ontwikkeling van de aquacultuur zijn hier vele duizenden nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd. Je mag niet vergeten dat dit nog niet zo heel lang geleden een arm en moeilijk bereikbaar gebied was. Twintig jaar geleden deed je er nog 8 à 9 uur over om van Ho Chi Minh City naar Can Tho, de belangrijkste stad van de delta, te rijden. Nu doe je dat in 2 à 3 uur. De mobiliteit is met andere woorden verbeterd, net als het onderwijs. Can Tho University heeft internationale faam gekregen en zal zich in de toekomst hier in Zuidoost-Azië steeds sterker profileren als kenniscentrum. Vietnam was vroeger, zeker vergeleken met Thailand, het kleine onderontwikkelde broertje, maar is zich in een razend tempo op de kaart aan het zetten.”

Wat geldt voor alle andere Vietnamese land- en tuinbouwsectoren geldt helaas ook voor de visserijsector: de voedselverliezen zijn immens. Het fileren van de vis bijvoorbeeld zorgt dagelijks voor honderden tonnen visoverschot. “Helemaal verloren is die niet”, aldus Sorgeloos. “Heel wat van die visresten worden toegevoegd aan varkensvoeders. Dat is beter dan niets, maar het blijft wel een laagwaardige toepassing. Daarnaast is ook bioveiligheid een heel belangrijke uitdaging. De sector is zo snel gegroeid dat ik het ergste vrees wanneer er een virulente ziekte zou uitbreken in de regio. Bedrijven zijn op zo’n manier met elkaar verweven dat je niet zomaar een schutkring of een veiligheidszone kan inbouwen. Gesloten recirculatiesystemen zouden heel wat risico’s kunnen wegnemen, maar proefprojecten in die zin zitten nog in de pilootfase. Hoe sneller een sector groeit, hoe heviger de groeipijnen kunnen zijn.”

Het model van de vrije boer
Als we vanuit de Mekong-delta noordwaarts het land in trekken en Ho Chi Minh City – de zakenhoofdstad van het land – achter ons laten, houden we zo’n 200 kilometer verderop halt in Bao Loc, een klein provinciestadje met amper 150.000 inwoners. We hebben er een afspraak met Kay De Vreese, een West-Vlaming die er een Vietnamees vermeerderingsbedrijf en broederij runt. Hij staat in voor de dagelijkse leiding van Bel Gà, een leverancier van eendagskuikens die voldoen aan Europese kwaliteitseisen. ‘Gà’ betekent niet alleen kip in het Vietnamees, het verwijst met een woordspeling ook naar een Belgische connectie. Het Antwerpse Belgabroed is namelijk mede-investeerder achter het bedrijf. “In deze streek vind je amper pluimveebedrijven”, zo legt De Vreese uit terwijl hij ons van in het centrum van Bao Loc langs theevelden en koffieplantages naar de boerderij brengt. “En dat is precies de reden waarom we ons hier hebben gevestigd. Bovendien is dit gebied iets hoger gelegen, waardoor de temperaturen vaak iets lager liggen en voor een betere staltemperatuur zorgen. Tijdens het droge seizoen koelt het hier ’s nachts soms af tot 12 graden.” De stallen worden geventileerd via een systeem dat erg lijkt op de ventielen die Vlaamse pluimveehouders in hun stalmuren hebben zitten. Als het kwik te sterk stijgt wordt overgeschakeld op tunnelventilatie met bevochtigde lucht. 

pluimvee Vietnam gevilt.jpg

Dat het menens is met de bioveiligheid merken we pas echt als we de bedrijfssite betreden. Elk voertuig moet verplicht door een ontsmettingsbad en tussen elk bedrijfsgedeelte volgt een verplichte kledingwissel. Het personeel woont op de site zelf om de insleep van ziektekiemen te voorkomen, en aan alle buren is gevraagd geen kippen in hun tuin te houden. “Het lijkt overdreven, maar we kunnen het risico niet nemen. De ziektedruk ligt hier nu eenmaal een pak hoger dan in Vlaanderen.”

De Vreese leerde het klappen van de zweep bij de Tieltse broederij Vervaeke-Belavi en verhuisde drie jaar geleden met zijn gezin naar Vietnam. Wat maakt Vietnam zo interessant? “Vietnam is het nieuwe China. Alle ingrediënten zijn aanwezig om dit land sterk te laten groeien. Nu al enkele jaren groeit het bruto binnenlands product (BBP) met 6 à 7 procent. Het is vooral de regering die daar een pluim voor op z’n hoed mag steken: ze hebben een uitstekend investeringsklimaat gecreëerd. Fiscaal enerzijds, maar ook logistiek wordt bijvoorbeeld via de aanleg van industrieparken een ondernemersvriendelijke context geschapen. Het eenpartijstelsel zorgt er bovendien voor dat er snel geschakeld kan worden. Je kan de situatie hier vandaag vergelijken met onze babyboomgeneratie. De gemiddelde leeftijd is hier 27, terwijl dat in België ondertussen meer dan 40 is.”

De overheid heeft hier een ondernemersvriendelijke context geschapen

De economische groei doet de middenklasse flink aanzwellen. Steeds meer Vietnamezen kunnen een groot huis bouwen, een auto kopen en hun kinderen verder laten studeren. En zoals dat ook het geval is in andere opkomende economieën: hoe hoger het inkomen, hoe meer vlees er gegeten wordt. “Vietnamezen eten vooral varkensvlees, zo’n 25 à 30 kilo per jaar”, aldus De Vreese. “Voor kip ligt dat cijfer rond de 11 kilo, dus er is best nog wel wat groeimarge. Er wordt trouwens niet alleen meer vlees gegeten, je merkt ook dat de consument steeds hogere eisen stelt, vooral dan als het over voedselveiligheid gaat. Denk maar aan het gebruik van antibiotica, dat ook hier steeds minder wordt getolereerd.”

Naar kippen moet je niet lang zoeken op het Vietnamese platteland. In elke achtertuin lopen er bijna standaard enkele exemplaren rond die voor speciale gelegenheden geslacht, gepluimd en vaak in hun geheel geserveerd worden. Terwijl de Belgische consument quasi enkel nog zachte kippenfilets op z’n bord wil, zijn Vietnamezen dol op taai vlees. Kippenpoten zijn een lekkernij, en de kop van het dier is zodanig gewild dat het de oudste aan tafel is die de eer krijgt om de hersentjes naar binnen te werken.

Je kan je op het eerste zicht moeilijk inbeelden dat er achter al die loslopende kippen een performante pluimveesector schuilt. “En toch is de sector de laatste jaren enorm aan het professionaliseren”, vertelt De Vreese. “Het is een sector op twee snelheden die aangestuurd wordt door enkele grote integraties, waarvan het Thaise Charoen Pokphand de grootste en belangrijkste is. Zij bepalen als marktleider de prijs. Een eendagskuiken kost vandaag omgerekend ongeveer 45 eurocent. De prijs voor braadkippen is enorm volatiel, maar schommelt rond de 1,15 euro. Zowel het kuiken, het voeder als het vlees zijn dus duurder dan bij ons. Toch kreeg de sector het laatste jaar veel concurrentie van diepvriesimport uit de Verenigde Staten.”

broederij Vietnam gevilt.jpg

“Bij de kwekers heb je enerzijds bedrijfjes waar 10.000 tot 15.000 kippen worden gehouden”, gaat de Vreese verder. “Zij schakelen meer en meer over op de zogenaamde ‘gele rassen’. Dat zijn traag groeiende rassen die op 90 tot zelfs 140 dagen worden gekweekt en enorm populair zijn door hun taaier vlees. Anderzijds heb je gigantische bedrijven waar tot 400.000 kippen worden gehouden, de witte Ross- en Cobb-variant die we ook bij ons kennen. Op deze bedrijven wordt vaak heel goed gewerkt en komen de technische resultaten in de buurt van de Vlaamse braadkippenhouders. Het slachtgewicht ligt meestal rond de 2 kilo.”

Het zwaartepunt van de pluimveesector ligt in het zuiden van het land, precies daar waar ook De Vreese het grootste potentieel ziet voor de broederij die hij runt. “Vandaag hebben enkele grote spelers de hele keten in handen. Ze hebben hun eigen moederdieren, hun eigen broederij, maken hun eigen voeder en besteden enkel het kweekproces uit via contractboeren. Wij willen het alternatief zijn voor de vrije boer, naar het model zoals dat bij ons in België en Nederland gangbaar is. We vinden dat een boer zelf moet kunnen beslissen hoeveel kippen hij wil houden, hoeveel rondes per jaar, waar hij zijn voeder koopt, aan wie hij de kippen verkoopt, enzovoort. Daarom zetten we samenwerkingen op doorheen de keten: we faciliteren contacten met voederleveranciers en slachthuizen zodat pluimveehouders – net zoals dat binnen een integratie het geval is – zich geen zorgen moeten maken over de afzet. De Vietnamese boer is steeds gewoon geweest om te volgen, wij zetten volop in op een mentaliteitswijziging.” 

Het beste moet nog komen
Dat zowat alle takken van de veehouderij gedomineerd worden door grote integratoren is volgens Tran Thi Dinh van de Vietnam National University of Agriculture niet meer dan normaal. Dinh is één van die Vietnamese landbouwstudenten die van de Vietnamese overheid een beurs kreeg om in Europa nieuwe inzichten op te doen. In samenwerking met de KU Leuven onderzocht ze hoe je voedselverlies na de oogst kan beperken – zoals eerder aangehaald een gigantische uitdaging in Vietnam. “De veehouderij is een pak kapitaalintensiever dan de fruit- en groenteteelt”, aldus Dinh. “En de grote meerderheid van de boeren heeft dat kapitaal simpelweg niet. In de melkveesector krijg je precies hetzelfde verschijnsel: zowat alle professionele bedrijven zijn eigendom van of liggen onder contract bij een grote integrator.”

tuinbouw Vietnam gevilt.jpg

“Het kwalijke gevolg daarvan is dat er te weinig kennis tot bij de kleinere boeren geraakt, en dat je een sector op twee snelheden krijgt”, bevestigt Dinh wat ook De Vreese al aangaf. “70 procent van de bevolking werkt in de landbouwsector, dus het emancipatorisch potentieel van de sector om voor meer welvaart te zorgen is enorm. Een betere doorstroming van het goede onderzoekswerk dat in onze landbouwuniversiteiten wordt verricht kan voor veel kleine landbouw- en visbedrijfjes het duwtje in de rug zijn om zich verder te gaan ontwikkelen. De voedingsindustrie is goed voor 20 procent van het BBP en een verdere professionalisering kan dat percentage nog doen stijgen.”

Rijst en koffie zijn met stip dé Vietnamese exporttoppers, tweemaal goed voor een tweede plaats wereldwijd, respectievelijk achter Thailand (rijst) en Brazilië (koffie). Maar ook de massale export van rubber, rode peper, cashewnoten en hout leveren Vietnam een aanzienlijk handelsoverschot op. “Zet gerust ook groenten en fruit in dat lijstje”, vult Dinh aan. “Onze overheid is druk in de weer om bilaterale handelscontracten af te sluiten met onder meer de Verenigde Staten en Japan. We doen het met andere woorden al vrij goed, maar als je het mij vraagt blijft de progressiemarge groot.”

Dinh heeft het onder meer over de lycheeteelt, een belangrijk exportproduct. “Het lycheeseizoen is erg kort en duurt amper een maand. Heel wat boeren kunnen niet investeren in aangepaste opslagcapaciteit, en dus wordt de markt overspoeld door een enorme hoeveelheid lychees van zodra het seizoen begint. Gevolg? De prijs zakt in elkaar en heel wat lychees gaan verloren omdat ze niet verkocht geraken. Een simpele verpakking zou de levensduur al met enkele dagen kunnen verlengen, maar vooral in de verwerking liggen nog enorme kansen. Een eerste succes op dat vlak is de export van gedroogde lychees naar China, maar er is nog heel veel ruimte voor meerwaardecreatie. Dat geldt trouwens ook voor andere vruchten als rambutan, durian, mango, enzovoort.”

fruitmarkt Vietnam gevilt.jpg

“Daarnaast moeten we ook werk maken van onze voedselveiligheid”, verwijst Dinh naar de vele voedingsschandalen die geregeld voor deukjes zorgen in de exportreputatie. “Het probleem situeert zich eigenlijk vooral op de lokale versmarkt. De groenten en het fruit die geëxporteerd worden moeten voldoen aan strenge internationale lastenboeken zoals GLOBALG.A.P., maar op producten voor de lokale markt worden nog al te vaak gevaarlijk hoge residuwaarden aangetroffen. Er bestaan officiële regels omtrent het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, maar er is amper of geen controle. Telers kunnen zich laten certificeren voor hun binnenlandse afzet, maar dat kost hen al snel enkele honderden euro’s per hectare, terwijl de meerprijs die ze ervoor krijgen niet in verhouding is. Enkel gesubsidieerde coöperatieven kunnen zich dat permitteren.”

Toch lijkt de kentering ingezet. Waar de overheid tekortschiet, is het steeds vaker de consument zelf die zijn stem laat horen. “Het klopt zeker en vast dat de Vietnamese consument steeds mondiger wordt”, aldus Dinh. “Vooral in de steden zien we nieuwe bewegingen ontstaan die het overmatig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en kunstmeststoffen aanklagen en pleiten voor een duurzame landbouw. Voedselveiligheid is daarbij vaak de eerste bekommernis, maar ook een groeiend milieubewustzijn zal onze voedingssector op lange termijn dwingen om die verduurzaming in praktijk om te zetten. Een gigantische uitdaging, en we zijn er nog lang niet, maar als je ziet vanwaar we komen kan je niet anders dan concluderen dat het beste nog moet komen.”

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via