nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Wetenschappelijk inzicht onderbouwt reddingsactie honingbij
12.06.2017  Vlaams Bijenteeltprogramma

Vorige zomer kondigde minister Joke Schauvliege aan dat de bijensterfte in Vlaanderen bekampt zal worden met een nieuw en ambitieus bijenteeltprogramma. Vanuit de Vlaamse en Europese landbouwbegroting gaat er bijna 750.000 euro naar de financiering van maatregelen die alle imkers in staat moeten stellen om meer bijen over te houden na de winter. Ook op het federale niveau is er een ge-updatet bijenplan zodat er geen ander insect is dat op zoveel belangstelling van de overheid kan rekenen. Er staat dan ook veel op het spel want nog meer dan voor hun honing worden bijen gewaardeerd voor de bestuiving van planten. De uitvoering van het Vlaamse Bijenteeltprogramma is toevertrouwd aan Honeybee Valley zodat VILT zich richt tot professor Dirk de Graaf (UGent) om meer te weten te komen over het plan van aanpak.

Zeggen dat het niet goed gaat met de bijen, is een open deur intrappen. Zowel bij honingbijen als wilde bijen is de sterfte hoog. De ernst van het probleem werd in eigen land glashelder nadat de Europese EPILOBEE-studie de grootste bijensterfte tijdens de winter 2012-2013 in België situeerde. Eén derde van onze bijenkolonies is de winter toen niet doorgekomen. Een jaar later was de sterfte minder extreem (15%), maar ook nu weer behoorde België tot de zwaarst getroffen landen. Beleidsmakers zijn zich het lot van de bijen steeds meer gaan aantrekken. Op het kabinet van toenmalig Vlaams minister-president Kris Peeters vond in 2011 een rondetafelgesprek plaats over de zogenaamde ‘verdwijnproblematiek’ in de bijensector. Van de federale overheid ging in het najaar van 2012 het initiatief uit voor een bijenplan met als doel de gezondheid van bijen verbeteren.

De goede intenties volgden elkaar in snel tempo op. In 2014 werd de eerste week van juni door de Vlaamse milieuadministratie uitgeroepen tot ‘Week van de Bij’. De vierde editie is nog maar net achter de rug. Burgers, bedrijven en overheden werden van 28 mei tot 4 juni opnieuw aangezet tot acties ten voordele van bijen. Het advies luidde: ‘Maak van uw tuin, bedrijfsterrein of openbaar domein een bijenrestaurant’. Hoe je dat kan doen, is nog steeds terug te vinden op de campagnewebsite www.weekvandebij.be . Ook de federale overheid sensibiliseert het grote publiek, onder meer via de website www.info-bijen.be. Recente en nog te implementeren acties om de bijensterfte aan te pakken, zijn terug te vinden in het Federale Bijenplan 2017-2019. De Vlaamse tegenhanger luistert naar de naam ‘Bijenteeltprogramma’ en heeft dezelfde tijdshorizon.

honingbij.bijenvolk_Shutterstock.jpg

“Beide actieplannen vullen elkaar goed aan”, zegt professor Dirk de Graaf, notoir bijenexpert van de Universiteit Gent en de initiatiefnemer van Honeybee Valley. Hij richtte dit expertiseplatform in 2014 op om de onderzoeksactiviteiten aan UGent in verband met bijenteelt verder uit te bouwen en de dienstverlening aan imkers te verankeren. Hier wordt de visie gehuldigd dat de teloorgang van honingbijen een multifactorieel probleem is, dat slechts opgelost kan worden door een multidisciplinaire aanpak. De hoop van de imkerij rust op Honeybee Valley, te meer omdat minister Joke Schauvliege de uitvoering van het Vlaamse Bijenteeltprogramma heeft toevertrouwd aan het team van professor de Graaf.

Imkers worden de bijensterfte niet meester op hun eentje
Het driejarige programma komt niets te vroeg want de imkerij dreigde in een negatieve spiraal terecht te komen. Na de dramatische winter 2012-2013 zochten veel imkers soelaas bij de aankoop van vreemde bijenvolken. De overheid heeft weet van meer dan 900 ingevoerde ‘pakketbijenvolken’, voornamelijk uit Zuid-Italië. Deze mediterrane bijenvolken zijn niet aangepast aan het Belgische klimaat, wat de sterfte verder in de hand werkt. Bovendien bestaat het risico dat zo nieuwe bijenziekten ons land bereiken. Het lijstje met stressfactoren waaraan de Belgische bijenpopulatie wordt blootgesteld, is nu al lang: de parasitaire ziekte varroase die imkers onvoldoende onder controle hebben, een tekort aan stuifmeel in de leefomgeving van bijen, blootstelling aan residuen van bestrijdingsmiddelen maar ook van acariciden die imkers zelf gebruiken in de strijd tegen de Varroa-mijt, de historische vervuiling van bijenwas, de smalle genetische basis van de honingbij met onvoldoende aandacht voor ziekteresistentie in de selectie, enz.

bijenkorf_SeverienVanDam.geVILT.jpg

Voor het oplossen van de bijensterfte bestaat geen toverformule. De enige manier is het verminderen van het stressniveau waaraan honingbijen zijn blootgesteld. Een werkbezoek van de Koninklijke Vlaamse Imkersbond aan de Universiteit Wageningen werkte inspirerend voor het Vlaamse Bijenteeltprogramma. Nederlandse onderzoekers zijn van mening dat de aanpak van de Varroa-mijt de volle aandacht van de imkerij verdient omdat het een zo belangrijke stressfactor is. Ook benadrukten ze dat het selectiewerk best uitgaat van bijen die aangepast zijn aan de lokale omstandigheden. Verder is het onwenselijk dat imkers massaal gaan kweken met koninginnen die dezelfde genetica delen. Nog volgens onze Noorderburen kan het snelst resultaat geboekt worden door te focussen op de stressfactoren waarop een imker impact heeft, andere dus dan het voedselaanbod en de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Overigens zou de impact van de zogenaamde neonicotinoïden – een type insecticiden – in de media erg overschat worden.

Deze Nederlandse raadgevingen hebben het Vlaamse actieplan gevoed, samen met de feedback van de imkersverenigingen en de bijencentra en een kritische evaluatie van de acties in de periode 2010-2015. De krijtlijnen voor het bijenteeltprogramma werden uitgezet door professor Dirk de Graaf (UGent) en diens collega-professor Octaaf Van Laere (UAntwerpen), voorzitter van het Vlaams Vulgarisatiecentrum voor Bijenteelt. Het bijenteeltprogramma dat vorige zomer door minister Joke Schauvliege werd goedgekeurd, beschikt niet alleen over een breed draagvlak maar ook over 750.000 euro aan Vlaamse en Europese middelen. Het ambitieniveau is navenant groot. “Twee van mijn medewerkers scharen zich voltijds achter de uitvoering van het programma, wat een enorme stap voorwaarts is”, aldus professor de Graaf.

Vlaams Bijenteeltprogramma biedt hulp op maat van imkers
De doelgroep van het bijenteeltprogramma zijn imkers, waarbij het voor Honeybee Valley de kunst is om iedereen te bereiken. Niet alle imkers zijn namelijk aangesloten bij een imkersbond, en nog minder vaak staat hun activiteit geregistreerd bij de overheid. Het Voedselagentschap telt 5.160 geregistreerde imkers maar acht het mogelijk dat er ongeveer 10.000 imkers actief zijn in ons land. In Vlaanderen staan er 3.420 imkers bij het FAVV geregistreerd. Hoeveel er in totaal actief zijn, dat kunnen zelfs de imkerverenigingen moeilijk inschatten. Niet alle imkers zijn namelijk lid bij een imkersbond terwijl er anderen zijn met een dubbel lidmaatschap.

Typerend aan de sector is dat er weinig professionele imkers actief zijn. In feite is er maar één iemand die er in Vlaanderen zijn broodwinning van maakte en dat is Herman Torfs die in 2014 door VILT geïnterviewd werd. “De bedrijfsvoering van zo iemand met honderden bijenkasten kan je niet vergelijken met de teeltmethoden van een hobby-imker die vaak maar over handvol bijenkasten beschikt”, zegt Dirk de Graaf. De Vlaamse imkerij leeft bij de gratie van hobbyisten zodat de aanpak in de voorlichting vooral op hen is afgestemd.

Lees ook: Imker is een onderschatte want verschrikkelijk zware stiel

Voor imkers is de ondersteuning door overheden en wetenschappers relatief nieuw want de sector blonk de voorbije decennia vooral uit in zelfredzaamheid. “Op school kan je geen opleiding tot imker volgen. De imkerverenigingen organiseren zelf opleidingen en elke imker ontwikkelde als het ware een eigen teeltmethode”, beschrijft de Graaf. Op vlak van wintersterfte lijkt het alsof er imkers zijn die minder tegenslagen moeten incasseren dan hun collega’s, maar in werkelijkheid maken ze het verschil met hun teeltmethoden. Imkers die uitblinken in een lage bijensterfte krijgen een voorbeeldfunctie. Honeybee Valley geeft hen een forum zodat ze andere imkers op sleeptouw kunnen nemen en uiteindelijk gans de sector doen kiezen voor teeltmethoden die bewezen goed zijn. “We moeten het warm water niet heruitvinden, maar imkers gidsen”, klinkt het.

honingbij.bloem_Shutterstock.geVILT.jpg

Verspreid over de terreinen van de Universiteit Gent staan een 80-tal bijenkasten die dienstdoen voor wetenschappelijk onderzoek. De zorg voor de bijen is onder meer toevertrouwd aan Dries Laget, die als imker-onderzoeker verbonden is aan Honeybee Valley. De eigen bijenkasten laten de onderzoekers toe om goede teeltmethoden vast te leggen op video en online verder te verspreiden. Imkers zullen met eigen ogen kunnen zien hoe het precies werkt. De nadruk zal sterk gelegd worden op imkerpraktijken die de Varroa-mijtziekte onder controle krijgen. Behalve met video’s en imkers die een voorbeeldfunctie krijgen zal het expertiseplatform zijn gidsrol ook invullen met technische brochures, lezingen, workshops en studiedagen voor een publiek van startende en gevorderde imkers.

Genetisch selecteren op robuuste bijen
Naast goede imkerpraktijken ter bestrijding van varroase is genetische selectie een belangrijke hefboom voor het terugdringen van de bijensterfte in Vlaanderen. Zoals een melkveehouder selecteert op koeien die veel melk geven en gedwee naar de melkrobot stappen, streeft een imker naar een bij die veel honing produceert en zachtaardig is van temperament. Probleem is dat de slinger wat te hard doorgeslagen is in de richting van een tamme en productieve honingbij. Voor ziekteresistentie had men minder oog, wat bijdraagt tot de kwetsbaarheid van de bijenpopulatie in Vlaanderen. “Binnen het huidige kweekprogramma streven we naar veerkrachtige bijenvolken”, benadrukt de Gentse bijenexpert. “Dat kwam de voorbije jaren te weinig aan bod omdat het accent zo sterk lag op honingopbrengst, zwermtraagheid en weinig steeklast.”

honingbij_Shutterstock.geVILT.jpg

In de toekomst zal de selectie voortbouwen op de meest veerkrachtige bijenvolken. Daartoe wordt de teeltwaarde van de koningin bepaald, of beter gezegd afgeleid uit het bijenvolk van de koningin en vele verwante volken. De voorbije decennia liet de imkerij zich bijna blindelings door de herkomst van de koningin leiden. De Graaf: “Kocht men er één van een Duits bijeninstituut, dan sprak men meteen van een ‘topmoer’ (moer is imkertaal voor koningin, nvdr.). Dat blijkt een illusie want imkers moeten bijna jaarlijks de moeren vervangen terwijl een bijenkoningin vroeger vier à vijf jaar standhield. De zogenaamde ‘topmoeren’ uit het buitenland hebben het probleem dus niet opgelost, integendeel zelfs.”

A-B-C van bijenteelt even opfrissen
Een gemiddeld bijenvolk telt 50.000 tot 60.000 bijen. In de zomer kunnen dat er nog meer zijn, maar in de winter daalt hun aantal aanzienlijk. Elk volk bevat één koningin, enkele honderden darren en hoofdzakelijk werkbijen. De taak van de darren is de koningin bevruchten. In de natuur paart een koningin met 10 tot 20 darren, wat een zegen is voor de genetische diversiteit maar imkers weinig grip geeft op de eigenschappen van een bijenvolk. Vooral zwermlust is een eigenschap die imkers liever onder controle houden. Om tot raszuivere paringen te komen, opteren imkers voor kunstmatige inseminatie of ze trekken met hun (in het buitenland aangeschafte) moeren naar een bevruchtingseiland. Het woord ‘eiland’ mag je in deze context letterlijk nemen want de populairste bestemmingen zijn de Nederlandse en Duitse Waddeneilanden. Hier vinden imkers paringsstations die buiten het bereik liggen van vreemde darren. Een kilometerslange strook water tot het vasteland en tussen de verschillende eilanden is nodig opdat de koningin niet met de verkeerde partner zou paren.

Veredeling is een arbeidsintensief proces zodat een groot aantal imkers een binnenweg neemt en toch mee geniet van de genetische vooruitgang. Zij laten het kweken van de koningin over aan een ander en kopen bij die collega-imker larfjes die ze vervolgens zelf laten uitgroeien tot koninginnen. Op die manier krijg je een snelle verspreiding van de nakomelingen van een koningin die een goede reputatie geniet. Het oude kweekprogramma stimuleerde dit. De overheid vergoedde de teler zodat de larven gratis aangeboden werden. “Van die gratis-politiek stappen we af”, zegt Dirk de Graaf, “want imkers schaften veel meer larven aan dan nodig. De financiering staat voortaan in het teken van teeltwaarde-bepaling.” De nieuwe leuze binnen het Vlaamse bijenteeltprogramma luidt ‘meten is weten’. De teeltwaarde van een koningin kan niet automatisch afgeleid worden uit diens betrouwbare (lees: Duitse) herkomst, maar dient in onze specifieke omstandigheden te worden geverifieerd. Wie bijdraagt tot de teeltwaardebepaling van koninginnen en hun nazaten kan rekenen op een financiële compensatie.

honingraat.bijen_SeverienVanDam.jpg

Eén aspect van het bijenteeltprogramma bleef tot dusver onbesproken. Over de kwaliteit van honing valt nochtans veel te zeggen. In het interview met VILT maakte imker Herman Torfs zich druk over collega’s die kiezen voor goedkoop geldgewin door honing uit het buitenland of de supermarkt om de hoek voorzien van een nieuw label aan de man te brengen als ‘honing van de lokale imker’. Op Honeybee Valley wil niemand het probleem overroepen, maar de verleiding bestaat naar verluidt wel wanneer een imker niet kan voldoen aan de vraag naar honing. “Het is geen gangbare praktijk”, benadrukt Dries Laget, “want over het algemeen is Belgische honing van grote kwaliteit.” De kwaliteitszorg die ingeschreven staat in het bijenteeltprogramma moet het kaf van het koren scheiden.

“In het verleden werd de herkomst niet geverifieerd van een potje honing dat ingestuurd werd voor kwaliteitscontrole. In de toekomst zullen we ter plaatse gaan en een imker vragen om zijn honingvoorraad te tonen. Daar nemen we een tweede pot honing met hetzelfde lotnummer om de testen te herhalen. Zit daar stuifmeel in van planten uit Zuid-Amerika, dan zien we dat in de analyse, net zoals we ook ongewenste residuen kunnen opsporen.” Honeybee Valley besteedt de analyse van de honing uit aan landbouwonderzoeksinstituut ILVO. De benadering verschuift van een vrijwillige inzending van honingpotjes voor controle naar een steekproefsgewijze controle. Op die manier zullen de resultaten meer representatief zijn voor de kwaliteit van de Vlaamse honing. Wie honing maakt en verkoopt volgens de regels van de kunst zal daarvoor beloond worden met een kwaliteitslabel. In elke sector heb je freeriders, zo ook in de imkerij. Zij zijn bij deze gewaarschuwd want de pakkans verhoogt.

Leren van de Noorderburen die bijensterfte wél onder controle hebben
Een koningin legt tot 1.800 eitjes per dag, wat een enorm potentieel aan nakomelingen inhoudt maar tegelijk een risico vormt. Eén zwaluw maakt de lente niet. Anders gezegd, het kan niet de bedoeling zijn dat alle imkers larfjes gaan opkweken uit dezelfde genenpool. Voor die fout uit het verleden wil professor de Graaf de sector behoeden. Het propageren van een paar genetische lijnen gebeurt in Nederland niet, en daar blijft de wintersterfte al vele jaren onder de tien procent. “In eigen land schommelt die tussen 25 en 35 procent, uitzonderlijk eens 15 procent en dan spreken we meteen van een uitzonderlijk goede winter.” Zijn er dan geen andere factoren die dat verschil in sterfte kunnen verklaren. “Die zijn er, namelijk meer in het algemeen de teeltmethoden van imkers en ook de betere begeleiding bij het bestrijden van de Varroa-mijtziekte.” Dankzij het nieuwe bijenteeltprogramma zal de Vlaamse imkerij grote stappen vooruit kunnen zetten op dat vlak.

gewasbescherming.koolzaad_Cofabel.geVILT.jpg

En wat dan gezegd over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen? In het interview met VILT verklaarde professioneel imker Herman Torfs dat de impact op bijen overschat wordt. Hij stelt vast dat de verschillen in bijensterfte tussen imkers groot zijn, terwijl de blootstelling van hun bijenvolken aan gewasbeschermingsmiddelen een gemeenschappelijke factor is. Professor Dirk de Graaf volgt die redenering: “Ik pleeg vaak overleg met collega’s van de universiteit van Wageningen en ook zij zijn de mening toegedaan dat het aandeel van gewasbeschermingsmiddelen in de bijenproblematiek overroepen wordt. Die producten worden in Nederland niet anders gebruikt dan bij ons, en toch doen de bijen het daar veel beter. Uiteraard is het een stressfactor die in combinatie met een voedseltekort en foute keuzes in de selectie weegt op de gezondheid van de bijenpopulatie. In het verdwijnen van wilde bijensoorten hebben gewasbeschermingsmiddelen een groter aandeel dan in de sterfte van honingbijen.”

Specifiek voor de honingbij klinkt de bijenexpert optimistisch. “In vijf jaar tijd kan het tij keren. Als de imkerij op de kar (het bijenteeltprogramma, nvdr.) springt en het selectiewerk zijn vruchten afwerpt, dan kan het snel weer beter gaan met de honingbij. Voor de wilde bijen is het probleem complexer omdat ze ook nood hebben aan een goede nestlocatie en een aantal soorten sterk gespecialiseerd zijn in een beperkt aantal draagplanten, wat hen extra kwetsbaar maakt. Het verklaart waarom we al tien procent van de ongeveer 2.000 bijensoorten in Europa zijn kwijtgeraakt.”

Hoe kan landbouw het reddingsplan voor de bij versterken?
Kunnen boeren helpen om daar wat aan te doen? Honeybee Valley dweept met samenwerking, dus reageren Dirk de Graaf en imker-onderzoeker Dries Laget enthousiast: “Vooral voor solitaire bijen zijn akkerranden vol bloemen en ecologisch bermbeheer waardevol. Om voor honingbijen een goede leefomgeving te creëren, heb je erg veel van dat soort maatregelen nodig. In die zin doet de Vlaamse Landmaatschappij een mooi aanbod aan landbouwers met de beheerovereenkomst bloemenstroken, maar wordt er nog te weinig op ingegaan. Van de groenbedekkers die boeren massaal telen, weten we dat ze in bloei moeten komen opdat de bijen er wat aan zouden hebben. Bovendien bloeien ze laat in het seizoen, op een moment dat bijen beter niet te veel nectar meer verzamelen om honing van te maken omdat er in de bijenkast ruimte nodig is voor het broed met het oog op de winterpopulatie.”

mais.geVILT.jpg

Als er morgen boeren opstaan die de combinatie met imkerij willen maken, dan juichen de wetenschappers dat toe. “Een boer die imker is (of omgekeerd) heeft toegevoegde waarde, vraag is alleen of landbouwers daar tijd voor kunnen maken. Twee bijenkasten op het erf van elke boerderij veranderen niets aan de bijenpopulatie, maar misschien maken al die boeren-imkers dan de klik in hun hoofd en richten ze hun velden bijenvriendelijk in”, aldus Laget. Nu hoor je vaak dat bijen makkelijker voedsel vinden in de stad dan op het monotone platteland. “In een akkerbouwgebied waar enkel maïs, graan en suikerbieten groeien, kunnen bijen niet overleven”, bevestigt de imker-onderzoeker, “terwijl bijen binnen een straal van drie kilometer in de stad altijd wel een park of privé-tuinen met bloemen vinden. Maar je mag het probleem niet veralgemenen want er zijn verschillende soorten platteland in Vlaanderen als je naar het voedselaanbod voor bijen kijkt.”

Bijenteeltprogramma komt stilaan op volle snelheid
Aan het voedselaanbod voor bijen kan Honeybee Valley zelf weinig veranderen. Daarom focussen de wetenschappers op het begeleiden van imkers. De bestrijding van de Varroa-mijtziekte kan wetenschappelijk inzicht gebruiken, ook in de selectie van bijenvolken kunnen meer toekomstbestendige keuzes gemaakt worden. Communicatie is logischerwijze een belangrijk luik uit het bijenteeltprogramma. “Dat zal op meerdere fronten gebeuren, rechtstreeks door Honeybee Valley maar ook via de lokale imkerverenigingen”, kondigt professor Dirk de Graaf aan.

Het voordeel is dat Honeybee Valley geen onbekende is voor de imkerij, maar breed gedragen wordt door imkers en imkerverenigingen van alle strekkingen. De sector stelt de reeds bestaande dienstverlening erg op prijs. Naar aanleiding van de vondst van een Aziatische hoornaar in Oudenaarde stuurde Honeybee Valley meteen een nieuwsflash uit om de sector te waarschuwen voor de schadelijke exoot die bijen rooft. Sindsdien wordt op hun expertise een beroep gedaan om uit te maken of het een Europees dan wel schadelijker Aziatisch exemplaar van de wesp betreft. “We doen ons best om imkers te gidsen”, zegt de professor van UGent daarover. Hij kan daarvoor terugvallen op een team van onderzoekers die dagelijks bezig zijn met bijenteelt. Sinds de integratie van het Informatiecentrum voor Bijenteelt in Honeybee Valley is de equipe 15 man sterk.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Severien Van Dam/Schutterstock/Honeybee Valley/Cofabel/VILT

Volg VILT ook via