nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Systeemanalyse voeding
15.05.2017  Vlaamse Milieumaatschappij meet voedselketen af aan milieugebruiksruimte

Met zijn allen eten we, gebruiken we energie en verplaatsen we ons en we doen dat nog lang niet op de meest duurzame manier. Vooral door technologische vooruitgang vermindert de impact op het milieu maar er is meer nodig om aan onze huidige en toekomstige behoeften te voldoen binnen de draagkracht van onze planeet. De dienst milieurapportering (MIRA) van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) spreekt in dat verband over “systeemveranderingen”. Welke dat precies zijn, zoeken we specifiek voor het voedingssysteem uit in het ‘MIRA-rapport Systeembalans 2017’. Snel wordt duidelijk dat de milieurapporteurs van VMM nog wel mogelijkheden zien om efficiënter te produceren, maar op basis van de milieu-indicatoren ook tot de conclusie komen dat de landbouw het anders en zelfs een tikkeltje bescheidener moet aanpakken om binnen de grenzen van de milieugebruiksruimte in Vlaanderen te blijven. Van export gaat naar verluidt een productieprikkel uit die milieuwinst in de weg staat.

Voeding is een basisbehoefte, net als energie en vervoer. Voor deze drie belangrijke maatschappelijke systemen gaat de Vlaamse Milieumaatschappij na hoe ze presteren op milieuvlak, en welke verbeteringen nodig zijn. De milieu-uitdagingen zijn zo groot dat ze vragen om structurele innovaties, om “systeemveranderingen” volgens de terminologie van het rapport MIRA Systeembalans 2017. Met behulp van een ruime set milieu-indicatoren (MIRA, zie www.milieurapport.be) volgt VMM sinds jaar en dag de milieutoestand in Vlaanderen op. De MIRA-indicatoren tonen aan dat de milieukwaliteit op verschillende vlakken verbetert, maar dikwijls te traag om de doelstellingen te bereiken. Ook worden we meer en meer met hardnekkige milieuproblemen geconfronteerd, zoals klimaatverandering en biodiversiteitsverlies.

Als we onze welvaart willen behouden binnen de planetaire grenzen, dan zijn er ingrijpende veranderingen nodig in de manier waarop we consumeren en produceren, wonen, werken, eten, ontspannen, enz. Maatschappelijke systemen lopen namelijk tegen hun grenzen aan. Zo ook het huidige voedingssysteem, “hoewel dat succesvol is gebleken in termen van voldoende en betaalbare voedselvoorziening”. Met de rendabiliteit van landbouw is het minder goed gesteld en ook op milieuvlak zijn er spanningen. De hoge consumptie van dierlijke producten veroorzaakt een groot milieubeslag, ook buiten Vlaanderen, en de intensieve landbouw steunt op een hoog gebruik van externe inputs zoals kunstmest, water, geïmporteerd veevoeder, gewasbeschermingsmiddelen, diergeneesmiddelen en fossiele brandstoffen.

Ook de andere schakels in de keten, zoals de voedingsindustrie en de detailhandel, zijn sterk afhankelijk van het gebruik van onder meer energie en water. En hoewel de milieu-impact per eenheid product van deze sectoren sterk is afgenomen in Vlaanderen, zorgen de hoge productievolumes van de landbouw ervoor dat de totale milieu-impact hoog blijft, zeker op het lokale niveau. Een systeembenadering laat toe om zowel de complexiteit van de milieuproblemen als de hefbomen voor de noodzakelijke veranderingen in beeld te brengen. De Vlaamse Milieumaatschappij stelt namelijk vast dat niet alle kosten van de dominante manier van voedselproductie weerspiegeld worden in de prijs van voedsel. Bovendien heeft het grote aantal schakels in de voedselketen de consument vervreemd van de productie van voedsel. Hierdoor verkleint ook het gevoel van medeverantwoordelijkheid tegenover landbouwers en de ecosystemen waarin voedsel wordt geproduceerd.

Klimaatopwarming noopt tot minder vleesappetijt
Het eerste fundamentele probleem dat aangehaald wordt in de VMM-publicatie is de hoge vleesconsumptie. Dierlijke producten, voornamelijk vlees en melk, leverden in 2011 ongeveer 60 procent van de eiwitten in Belgische voeding. Vooral de vleesconsumptie is te hoog want in 2014 at de Belg gemiddeld 111 gram vlees per dag terwijl de Vlaamse gezondheidspromotor VIGeZ aanbeveelt om maximaal viermaal per week ten hoogste 100 gram vlees te consumeren. Ondertussen lijkt de consumptie van dierlijke eiwitten wel een dalende trend te vertonen, vooral voor rundvlees. Vlees maar ook zuivel en eieren vaker vervangen door plantaardige eiwitbronnen heeft volgens een Nederlandse studie waarnaar VMM verwijst het grootste potentieel om het voedingssysteem te verduurzamen. Een halvering van de vlees- en zuivelconsumptie in Europa verkleint de stikstofverliezen met 40 procent, de broeikasgasuitstoot met 25 tot 40 procent en het landgebruik met 23 procent. Voor het ene vegetarische product is de milieuwinst groter dan voor het andere.

koe.verkeersbord.antiveehouderij_geVILT.jpg

Die vermindering van de broeikasgasemissie is één van de moeilijkst te nemen horden voor het huidige voedingssysteem omdat specifiek voor landbouw geldt dat biologische processen de belangrijkste bron van broeikasgassen zijn. Niet CO2 ten gevolge van het gebruik van fossiele brandstoffen speelt de grootste rol, maar wel methaan en lachgas afkomstig van de spijsvertering bij herkauwers, de productie en opslag van mest en uitstoot door de bodem. Emissies van de voedingsindustrie zijn louter van energetische oorsprong. Aan de reeds geleverde inspanningen doen de milieurapporteurs geen afbreuk, ze melden een totale emissiereductie door landbouw en voedingsindustrie van 29 procent tussen 1990 en 2008. En schrijven dit toe aan spijsverteringsprocessen (-18 %), mestopslag en -gebruik (-13 %), bodemprocessen (-35 %) en energiegebruik (-37 %). Vanaf 2009 lijken de emissies echter te stagneren, in het bijzonder voor niet-energetische broeikasgassen. Een lichte toename van de veestapel ligt aan de basis hiervan.

Landbouw en voedingsindustrie hebben samen een aandeel van 11 procent in de totale Vlaamse broeikasgasemissie, waarbij driekwart afkomstig is van landbouw. Ruim twee derde van de 8.224 ton CO2-eq in 2014 is volgens een studie door VITO in opdracht van MIRA toe te schrijven aan productie voor export. Andersom strekt de broeikasgasuitstoot van de in Vlaanderen geconsumeerde voedingsmiddelen tot ver voorbij de grenzen van de eigen regio. Niet alles wat Vlamingen eten, wordt hier geproduceerd en in het geval van dierlijke producten is er bijvoorbeeld import van veevoedergrondstoffen. Terwijl 41 procent van de toegevoegde waarde gekoppeld aan de Vlaamse voedingsconsumptie in Vlaanderen gecreëerd wordt, is er maar 15 procent van de broeikasgasemissies die hier ontstaat.

Landbouw zal zelf de impact voelen van een veranderend klimaat
Wat de gevolgen van de klimaatverandering betreft, zijn de lasten opnieuw ongelijk verdeeld maar deelt Vlaanderen in de klappen. Hier mogen we ons verwachten aan meer hittegolven in de zomer en meer neerslag in de winter. Voor de teelten op het veld is dat verre van ideaal, en worden oogstverliezen tot 30 procent voorspeld door droogtestress in een gewas als suikerbiet. Voor veehouders zouden de hogere temperaturen productieverliezen kunnen meebrengen, evenals nieuwe dierziekten en meer energiegebruik voor koeling. De verwarming zal daarentegen een graadje lager kunnen.

akker.boom_geVILT.jpg

De Vlaamse Milieumaatschappij dicht landbouw een rol als ‘klimaatbuffer’ toe. Het krachtige wapen dat boeren in de klimaatstrijd kunnen inzetten, heet grasland. Onder gras dat jarenlang op een perceel blijft aanliggen, kan immers een aanzienlijke hoeveelheid koolstof worden opgeslagen. Een literatuurstudie uitgevoerd door landbouwonderzoeksinstituut ILVO in opdracht van Boerenbond rapporteert een gemiddelde koolstofopslag van 0,5 à 1 ton koolstof per hectare per jaar bij het omzetten van akker- naar grasland. Grasland maakt ongeveer een derde uit van het Vlaamse areaal, waarbij 169.000 hectare te boek staat als blijvend grasland. Een areaal dat sinds 1990 achteruitgaat ten voordele van tijdelijk grasland, maïs en nijverheidsgewassen.

Tegenover de broeikasgasuitstoot door de veehouderij plaatst de landbouwsector steevast de efficiëntieslag die in Vlaanderen gemaakt is. Per eenheid product heeft intensieve landbouw inderdaad een lagere uitstoot. In ontwikkelingslanden veroorzaakt de productie van bijvoorbeeld een kilo melk een broeikasgasuitstoot van 2,7 kilo CO2-equivalenten. Voor de intensievere Europese melkveehouderij die naast begrazing ook op veevoeder gebaseerd is, blijkt dat slechts 1,7 kilo CO2-eq per kilo melk.

Erg efficiënt zijn per eenheid product lost niet alles op
Ondanks de vrij hoge eco-efficiëntie voor sommige parameters beoordeelt de Vlaamse Milieumaatschappij de totale milieudruk van de Vlaamse landbouw als aanzienlijk, zeker op het lokale niveau. “Dit komt door de grote productievolumes in verhouding tot de kleine oppervlakte van Vlaanderen, en door de aard van de productie (veel veeteelt). Bovendien zet de nadruk op een hoge arbeids- en landproductiviteit landbouwers soms aan tot een overmatig gebruik van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en energie, of gesubsidieerde hulpbronnen zoals machines en stallen. Een gespecialiseerde en intensieve productie is ook fysiek (bv. dierziekten) en economisch kwetsbaar.”

De kleine marges waaruit een landbouwer een inkomen moet halen, vindt VMM niet alleen een bedreiging voor de leefbaarheid van landbouwbedrijven maar ook voor de mogelijkheden van landbouwers om te investeren in een duurzamere bedrijfsvoering. Er wordt gewezen op volgende moeilijk te ontwarren knoop in het dominante landbouwmodel: “Dat is gericht op productie tegen een zo laag mogelijke kostprijs zodat landbouwers onder druk staan om te investeren in de nieuwste technologieën. Opdat de investering financieel haalbaar zou zijn, laten ze hun productie mee stijgen. Gelijktijdig zijn er landbouwers die de technologische tredmolen niet kunnen volgen. Zij proberen nog zo lang mogelijk door te gaan met hun (verouderde) productiemiddelen. Hierdoor wordt er collectief meer geproduceerd dan strikt genomen rendabel is. In combinatie met de lage prijselasticiteit van de vraag naar voeding leidt dit tot een neerwaartse druk op de prijzen. Ook de marktconcentratie in bepaalde schakels van de voedselketen draagt daar volgens VMM toe bij.

Stikstofverliezen van landbouw tasten natuur- en milieukwaliteit aan
Door de Europese natuurdoelstellingen die in Vlaanderen gerealiseerd moeten worden, kreeg de landbouwsector het probleem van de stikstofverliezen naar de omgeving voor de voeten geworpen. Een berekening van de stikstofstromen in Vlaanderen toont dat de landbouw verantwoordelijk is voor de helft van het totale verlies. Specifiek voor de uitstoot van ammoniak is het aandeel van landbouw 94 procent. Bijna twee derde hiervan komt van de veehouderij, als gevolg van stalling en mestopslag en in mindere mate van beweiding en mestverwerking. De overige emissies komen van kunstmest en dierlijke mest op het land. In de jaren ’90 realiseerde de sector een grote reductie, o.a. door afbouw van de veestapel, stikstofarmer veevoeder, de bouw van emissiearme stallen en het emissiearm aanwenden van mest op de velden. Het laatste decennium stagneert deze uitstoot omdat het gunstige effect van bijvoorbeeld emissiearme stallen en mestverwerking verwatert door een lichte toename van de veestapel vanaf 2009.

stalmest.jpg

Stikstof blijft de landbouwsector ook achtervolgen wanneer het over de waterkwaliteit gaat. Mestbeleid vanaf begin jaren ’90, en de steeds verdere aanscherping ervan, heeft de nitraatconcentratie van oppervlaktewater in landbouwgebied met 42 procent verbeterd in 15 jaar tijd. Ook het aantal MAP-meetpunten met een overschrijding van de drempelwaarde van 50 mg nitraat per liter is meer dan gehalveerd. De laatste twee winters is er weinig verdere verbetering merkbaar. De doelstelling van MAP4 (maximaal 16 % normoverschrijdingen in 2014) werd tot op heden niet gehaald. Verwacht wordt dat de doelstelling van het vijfde mestactieprogramma, namelijk vijf procent normoverschrijdingen in 2018, zonder bijkomende inspanningen ook niet zal worden bereikt. De Vlaamse Milieumaatschappij wijst op de grote lokale verschillen. Vooral in regio’s met concentraties van intensieve veebedrijven zoals Zuid-West-Vlaanderen (varkenshouderij) en de Noorderkempen (pluimveehouderij en vleesvee) blijft de waterkwaliteit problematisch.

Voedingssysteem op een andere leest schoeien
In de analyse van VMM komt meermaals terug dat vooral technische innovatie de eco-efficiëntie van de Vlaamse landbouw sterk verbeterd heeft. Per eenheid product is het gebruik van hulpbronnen en de hoeveelheid emissies en reststromen verminderd. De moeilijke boodschap die van de systeemanalyse uitgaat, is dat de productie verder optimaliseren niet zal volstaan om de natuur- en milieukwaliteitsdoelstellingen te halen die uitgaan van bijvoorbeeld Natura 2000 en de Nitraatrichtlijn. Ook vergen bepaalde eco-efficiëntieverbeteringen een hoge investeringskost die steeds meer landbouwers steeds moeilijker kunnen dragen in het huidige verdienmodel. Een verlaging van de milieudruk van de Vlaamse voedselproductie heeft bovendien weinig invloed op de milieudruk die ontstaat door activiteiten buiten Vlaanderen die onlosmakelijk verbonden zijn met ons agrovoedingssysteem. Kortom, de geografische reikwijdte en ook de aard, omvang en urgentie van de milieu-uitdagingen vragen om meer structurele innovaties in het hele voedingssysteem.

Naar analogie met het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving schuift de Vlaamse Milieumaatschappij drie brede oplossingsrichtingen voor een ecologisch duurzamer voedingssysteem naar voor: anders eten, anders produceren en verdienen, en anders vermarkten, (ver)delen en verbinden. Op de drie fronten moet tegelijk gewerkt worden omdat het bijvoorbeeld niet volstaat om minder vlees te produceren als er ook niet minder vlees gegeten wordt. Anders lok je gewoon meer import uit. Omgekeerd gaan milieuvriendelijkere consumptiepatronen niet automatisch gepaard met een daling van de milieu-impact van de lokale productie zolang er in het voedingssysteem een prikkel zit voor landbouwers om steeds meer te produceren. Zo vertaalde de dalende vleesconsumptie in België zich tot nu toe niet in een daling van de vleesproductie omdat de export is toegenomen.

zeugenstal_geVILT.jpg

Bij de oplossingsrichtingen die VMM aanreikt geen grote verrassingen, maar een aan de milieudoelstellingen afgetoetste aanpak. ‘Anders eten’ wordt in het rapport vertaald als minder dierlijke producten eten, minder voedsel verspillen en aanhaken bij nieuwe trends. Consumenten zijn in toenemende mate bekommerd om zaken als gezondheid, milieu, klimaat en dierenwelzijn. Dit vertaalt zich bijvoorbeeld al in een aanzienlijke stijging van het aantal Vlaamse consumenten dat vlees en vis af en toe bewust links laat liggen. “Die trends kunnen aangegrepen worden om het nieuwe voedingspatroon in te bedden in een eetcultuur die meer gericht is op zaken als spaarzaamheid, seizoengebondenheid, weten wat je eet, lekker eten en het persoonlijk kennen van de boer als producent”, aldus VMM.

Minder en ‘zorgvuldiger’ produceren
Aan productiezijde zijn er volgens het rapport nog mogelijkheden om efficiënter en meer circulair te werk te gaan. Als voorbeeld wordt hergebruik van nutriënten uit rest- en afvalstromen zoals dierlijke mest en organisch-biologisch afval genoemd. In Vlaanderen is er één bedrijf dat pioniert met aquaponics, de combinatie van zoetwaterviskweek met serreteelt, maar worden op veel grotere schaal nevenstromen uit de voedings- of biobrandstoffenindustrie gebruikt als alternatief voor soja-eiwitten in veevoeder. In België komt al meer dan de helft van de grondstoffen voor mengvoeders uit dergelijke stromen. Efficiëntieverbeteringen alleen zullen volgens VMM niet volstaan “zodat er ook ingegrepen moet worden op de productievolumes, en hierbij heeft de overheid een rol te spelen”.

Vervolgens gaat het over ‘zorgvuldiger produceren’, een terminologie die geleend is van het Nederlandse Planbureau. In het door de studiedienst van de Vlaamse landbouwadministratie beschreven kringloopmodel, dat nauw aanleunt bij het concept agro-ecologie, probeert de landbouwer kringlopen zoveel mogelijk op het eigen bedrijf of lokaal te sluiten en ligt de nadruk op voedselproductie. In het multi-actor multifunctionele productiemodel worden kringlopen gesloten op het niveau van de nabije (stedelijke) omgeving. De landbouwer produceert daarbij niet alleen voedsel maar vervult ook andere functies zoals recreatie of ‘leveren’ van biodiversiteit, en werkt hiervoor samen met verschillende actoren. Ook biolandbouw wordt een manier van zorgvuldiger produceren genoemd. Wat de milieuvoordelen betreft, is het beeld gemengd. Lokaal is er vaak minder milieu-impact, maar per eenheid productie is er vaak een hoger landgebruik, bijvoorbeeld door een lagere productiviteit of door de vrije uitloop van de dieren. Ook kunnen bepaalde emissies hoger zijn omdat de dieren ouder worden en dus meer voeder nodig hebben, of meer ammoniak uitstoten naar de omgeving in de buitenlucht dan in een gesloten stalsysteem.

vleesvee.zoogkoe.landschap.weide_geVILT.jpg

Cruciaal is naar verluidt dat milieuprestaties zich voor de boer vertalen in een inkomen. De slaagkans voor verdienmodellen met meer toegevoegde waarde (b.v. bio- en streekproducten of diversificatie) hangt in grote mate af van de andere actoren in het voedingssysteem. Veranderingen in de productie- en distributieketens en in het gedrag van individuele consumenten zullen elkaar moeten versterken. Zoals ook de milieu-impact doorheen de hele voedingsketen moet verminderen, en niet alleen op het niveau van de landbouwer. Het verminderen en verduurzamen van het energiegebruik door voedingsindustrie, handel, diensten en transport heeft namelijk ook een groot effect op de klimaatimpact van voeding.

Onder de noemer ‘Anders vermarkten, (ver)delen en verbinden’ wordt in het systeembalans-rapport onder meer gepleit voor het doorrekenen van milieu- en sociale kosten in de prijs van voedingswaren. Met een verwijzing naar een project van Vredeseilanden merkt de Vlaamse Milieumaatschappij op dat de initiatieven in de retail om ketens te verduurzamen vaak klein blijven, niet in het minst omdat de prijsdruk vanwege de consument de financiële ruimte beperkt. “Om nog verder te kunnen gaan, zijn meer duurzame partnerschappen doorheen de voedselketen nodig, en actieve sturing en steun hiervoor vanuit de overheid.” Aan de korte keten hecht VMM vooral belang voor het vergroten van het wederzijds begrip en respect tussen producent en consument, “waardoor deze laatste misschien meer bereid is om een correcte prijs te betalen”. De milieu-impact van hoevewinkels, boerenmarkten, zelfpluktuinen, voedselabonnementen, etc. is niet per definitie lager. En het blijft in Vlaanderen nog altijd een niche.

Alle neuzen in dezelfde richting?
Vanuit de eigen ‘Milieuverkenning 2030’ reikt de Vlaamse Milieumaatschappij een aantal handvaten aan om de transitie te stimuleren. Een langetermijnvisie die gebaseerd is op overleg, is er daar één van. Die visie moet vervolgens op een stabiele en consistente manier doorwerken in het reguliere beleid. Beleidsintegratie, bijvoorbeeld door beleidsdomeinen die elkaars doelstellingen integreren in hun eigen beleid, is daarbij een belangrijke hefboom. VMM: “Concreet moet zich dat vertalen in de keuzes die gemaakt worden in bijvoorbeeld landbouwonderzoek en -onderwijs en in de promotie van producten bij de consument.” Voor een krachtig instrument kijkt de organisatie in de richting van de Europese milieuregelgeving. Een aanscherping zou niet alleen de gangbare landbouw verduurzamen, maar ook het prijsverschil met de “nog duurzamere producten” verkleinen waardoor die laatste meer kansen krijgen.

Een derde handvat om de transitie te versnellen, is het creëren van experimenteerruimtes. Denk daarbij aan zogenaamde regelluwe zones waarbij innovaties los van remmende regels uitgeprobeerd kunnen worden. Ook netwerken zijn van cruciaal belang om vernieuwende experimenten op te zetten en verder op te schalen. Rond voeding bestaan al veel netwerken, onder andere (inter)sectorale netwerken zoals Flanders Food en het Belgisch ketenoverleg agrovoeding, en netwerken op stedelijk niveau zoals in Gent en Brugge. Net als beleidsinstrumenten kunnen ook netwerken een krachtiger effect hebben wanneer ze hun krachten bundelen. Dit gebeurt soms al. Het Citizens for the Foodture-project van Vredeseilanden en Fairtrade Belgium wordt ondersteund door organisaties als Boerenbond, FEVIA en Test-Aankoop.

Ook de overheid kan helpen om netwerken bij te sturen of op elkaar af te stemmen in functie van de langetermijnvisie op een duurzaam voedingssysteem. Engagement is van alle betrokkenen vereist omdat de transitie ingrijpt op sterk maatschappelijk verankerde structuren en praktijken. “Maar”, zo besluit de Vlaamse Milieumaatschappij, “de overheid speelt wel een sleutelrol en kan onder andere het initiatief nemen om de neuzen in dezelfde richting te krijgen, zoals naar aanleiding van de geplande hervorming van het Europees landbouwbeleid in 2020.”

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: VILT / Loonwerk Defour

Volg VILT ook via