nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

11.04.2017 Vlaamse varkenshouders blinken niet uit in vertrouwen

De resultaten van een grootscheepse overheidsenquête waaraan bijna 1.200 Vlaamse varkenshouders deelnamen, zijn bekend. Ruim een derde van hen ziet de toekomst van het eigen bedrijf somber in. De lage marktprijzen baren het meeste zorgen. Andere knelpunten zijn de kosten van mestafzet, milieu- en dierenwelzijnseisen, veranderend overheidsbeleid, administratieve lasten en hoge voederkosten. Bijna 30 procent van de respondenten kampt met een betalingsachterstand bij een veevoederfabrikant. Contractteelt verdeelt de sector. Wie het doet, zegt veelal dat het een eigen keuze is en toont zich erg tevreden. Onrendabele bedrijven kunnen de sector beter verlaten, klinkt het, maar een varkenshouder hoopt stiekem dat het ‘de buurman’ is die stopt.

Vlaamse varkenshouders hebben massaal gereageerd op de enquête die het Departement Landbouw en Visserij in de tweede helft van vorig uitstuurde. De responsgraad lag met 34 procent heel hoog, wat neerkomt op 1.171 van de ongeveer 3.500 varkenshouders die de enquête invulden. Zo’n grootschalige bevraging van de sector maakt deel uit van het actieplan dat het licht zag na de door minister Joke Schauvliege georganiseerde G30-varkenstop over de toekomst van de Vlaamse varkenshouderij.

Gevraagd naar de toekomst van het eigen bedrijf zien heel wat varkenshouders, 35 procent om precies te zijn, het somber in. Bijn vier op de tien heeft meer in het algemeen geen vertrouwen meer in de toekomst van de Vlaamse varkenshouderij. Een kwart van de respondenten beantwoordde beide vragen wel met vertrouwen in de toekomst. De grootste knelpunten voor varkenshouders zijn een mix van economische factoren en het overheidsbeleid (milieueisen, administratieve lasten, enz.). De lage marktprijzen staan met stip op één als grootste bekommernis.

De enquête werd in 2016 afgenomen, een jaar met twee gezichten voor de varkenssector. De eerste jaarhelft was de situatie vooral voor zeugen- en gesloten varkensbedrijven precair als gevolg van de lage biggen- en vleesvarkensprijs. De prijsverbetering vanaf mei zorgde voor optimisme na een lange moeilijke periode maar in oktober kwam de varkensprijs opnieuw onder druk te staan. Het idee leeft dat varkenshouders vooral hopen dat ‘de buurman’ stopt, eerder dan dat zijzelf gaan stoppen. Om en bij de helft van de respondenten vindt dat de Vlaamse varkensstapel kleiner moet (46%) en onrendabele bedrijven de sector moeten verlaten (55%). Kanttekening hierbij is dat varkenshouders vooral ‘hopen’ dat ‘de buurman’ stopt waardoor hun toekomstperspectieven toenemen, eerder dan dat zijzelf de productie beëindigen.

Van de respondenten geeft 16 procent aan in de komende vijf jaar te willen stoppen met de varkens en 10 procent wil helemaal stoppen als landbouwer. Dit komt neer op drie procent stoppers per jaar, wat een afname is van de boerenpopulatie die we inmiddels gewend zijn geraakt in Vlaanderen. De schuldenlast wordt het vaakst genoemd als reden waarom ze niet kunnen stoppen. “Je zit in een bootje en je moet blijven varen”, antwoordde iemand.

Een beperkt aantal bedrijven wil uitbreiden: tien procent van de vleesvarkensbedrijven en drie procent van de zeugenbedrijven. Het zijn vooral de grotere bedrijven die op verdere groei mikken, en ze willen ineens een grote sprong maken. Ten opzichte van hun huidige bedrijfsomvang zijn ze over vijf jaar graag 60 procent groter. Die ambitie ligt ongeveer gelijk op de vleesvarkens- en zeugenbedrijven. Niet over uitbreidingsmogelijkheden beschikken, wordt door één op de vijf varkenshouders aangekaart als probleem. Een kwart vindt het eigen bedrijf te klein om leefbaar te zijn. Het (niet) verkrijgen van vergunningen is voor 30 procent van de respondenten een probleem.

Van de bijna 1.200 varkenshouders die de enquête invulden, geeft meer dan een kwart toe dat er financiële problemen zijn. Bijna drie op de tien niet-contractproducenten heeft een betalingsachterstand bij een veevoederfabrikant. In twee derde van de gevallen gaat het over een achterstand van meer dan drie maanden. Een overstap van financiering door de veevoederindustrie naar de banken blijkt niet vanzelfsprekend. Volgens twee op de drie respondenten is een kaskrediet of overbruggingskrediet bij banken te duur.

Een aantal varkenshouders wil stoppen, maar kan dat niet. De belangrijkste reden daarvoor is de schuldenlast. Sedert 2014 heeft acht op de tien respondenten één of meerdere kunstgrepen moeten uithalen om aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen. De meest genoemde maatregelen zijn de privéspaarcenten aanspreken, het bedrijfsspaargeld gebruiken, bezuinigen op de gezinsuitgaven en investeringen uitstellen. Als dat niet volstond, vroeg men de leverancier om uitstel van betaling of werd er bij de bank aangeklopt. De laatste redmiddelen zijn op contract gaan produceren, buitenhuis werken en gronden of andere activa verkopen.

Een kwart van de respondenten doet aan contractproductie, een cijfer waarvan de landbouwadministratie vermoedt dat het in werkelijkheid hoger ligt omdat een aantal enquêtes toegekomen zijn bij veevoederfabrikanten, handelaars en varkenshouders die varkens onder contract laten houden door collega’s en op eigen naam de verzamelaanvraag indienen. Bij vleesvarkensbedrijven komt contractkweek vaker voor dan vrije kweek. De meest voorkomende contractvormen zijn een loonovereenkomst per dier (57%), een loonovereenkomst per dag of maand (20%) en een prijsgarantie-overeenkomst (18%).

Wie varkens op contract vetmest, doet dat tot eigen tevredenheid. Toch vindt meer dan de helft van de respondenten dat contractproductie niet goed is voor de Vlaamse varkenssector. Zo gaat 58 procent niet akkoord met de stelling ‘ik produceer liever onder contract dan te moeten stoppen met varkens houden’. Acht op de tien zou niet als vaste medewerker in dienst willen treden bij een andere varkenshouder als het eigen bedrijf stopgezet moet worden. De varkenshouders zijn unaniem dat het een groot verlies zou zijn voor de Vlaamse varkenshouderij als de familiale structuur zou verdwijnen.

Voor die familiale structuur van varkensbedrijven oogt de opvolgingssituatie ongunstig. De helft van de bedrijfsleiders ouder dan 45 jaar geeft aan niet over een opvolger te beschikken terwijl slechts 17 procent daaromtrent in geruststellende zekerheid leeft. Slechts 10 procent van de respondenten is jonger dan 35 jaar terwijl 29 procent 55 jaar is of ouder. Arbeid is meestal nog familiaal op de Vlaamse varkensbedrijven. Gemiddeld werken 1,6 voltijdse familiale arbeidskrachten op de bedrijven van de respondenten. Eén op de vijf bedrijfsleiders heeft ook een job buitenshuis. Bij de partners (44%) komt dat vaker voor.

Morgen gaan we op VILT.be dieper in op de resultaten van de enquête.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Loonwerk Defour

Volg VILT ook via