nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

17.10.2018 Vleesveehouders delen in de klappen die koe krijgt

De meeste landbouwers worstelen met volatiele prijzen voor hun producten. Dat geldt niet voor vleesveehouders want de prijs die zij ontvangen voor Belgisch wit-blauwe dikbil-runderen is vrij stabiel, helaas voor hen op een ondermaats niveau. “Het thuisverbruik van rundvlees daalt in eigen land en ons kwaliteitsvol rundvlees verliest de prijzenslag op exportmarkten”, legt sectorvakgroepvoorzitter Michiel Deroo (Boerenbond) de vinger op de wonde. Ook de beeldvorming zit tegen vanwege de schandalen in slachthuizen. Op de koop toe wordt de koe geslachtofferd in het klimaatdebat – “op basis van halve waarheden en zonder een woord over de voordelen van rundvleesproductie”, reageert Deroo.

De vleesveebarometer die Boerenbond berekent op basis van boekhoudingen van leden-landbouwers blijft ver onder het gemiddelde van de laatste vijf jaar steken. In de wetenschap dat de vleesveehouderij alleen maar magere jaren kent, is een beneden-gemiddeld jaar voor het gros van de bedrijven verlieslatend. Valorisatie van het kwaliteitsrundvlees van het Belgisch wit-blauwe ras blijft een probleem. “In eigen land wordt er minder rundvlees gegeten. Het thuisverbruik is de voorbije acht jaar met meer dan 20 procent gedaald”, verklaart Michiel Deroo, vleesvee- en melkveehouder in Zwevezele (West-Vlaanderen) en sectorvakgroepvoorzitter bij Boerenbond.

Hij beaamt wat melkveehouder en collega-bestuurslid bij Boerenbond Dirk Van de Keere eerder zei, namelijk dat het goedkoper rundvlees van melkkoeien beter onthaald wordt door de markt dan het kwaliteitsvlees afkomstig van dikbillen. “Naar goedkoper rundvlees van reforme melkkoeien is in eigen land maar ook in het buitenland vraag. Export van wit-blauw rundvlees blijft daarentegen een moeilijk verhaal. Belgen lusten graag een mager stukje rundvlees, maar wit-blauw wijkt af van het rundvlees dat in het buitenland gegeten wordt. Naar Noord-Frankrijk en Nederland is er wel uitvoer. Buiten Europa, onder meer in het Midden-Oosten, is de afzet erg beperkt”, weet Deroo.

Terwijl de vraag sputtert, blijft het aanbod te groot. “Vleesveehouders houden het voor bekeken bij deze prijzen. Tijdelijk zorgt dat echter voor een verhoging van het aanbod want wie stopt, brengt in korte tijd al zijn dieren op de markt. Kijken we een beetje vooruit, dan zal het aanbod kwaliteitsvolle runderen met zekerheid afnemen. Het aantal slachtingen van vleesrunderen in Vlaanderen is in vijf jaar tijd met 30 procent gedaald. Vorig jaar waren er 8,5 procent minder vaarzen van het vleestype jonger dan 1 jaar. Ook het aantal kalvingen blijft afnemen: min zes procent in 2017 en een verdere daling in de eerste jaarhelft van 2018.

De overblijvers kunnen hopen dat de productiedaling hen betere prijzen zal opleveren, maar ze kunnen niet voorzien wat het verbruik van rundvlees zal doen. “Gaat dat blijven dalen?”, vraagt de sectorvoorzitter zich af. Hij is niet vergeten dat een Vlaamse krant kopte: “Red het klimaat, eet geen biefstuk’. Boerenbondvoorzitter Sonja De Becker reageerde toen met een opiniestuk dat in de krant gepubliceerd werd. Veel vaker blijven de media doof voor de argumenten van de sector en heeft de koe het op voorhand al verkorven in een klimaatcontext. Vleesveehouder Michiel Deroo doet daarom een poging om de broeikasgasuitstoot van de rundveehouderij in zijn juiste context te plaatsen.

“Volgens de recentste cijfers van de Vlaamse Milieumaatschappij is de hele land- en tuinbouwsector verantwoordelijk voor acht procent van de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen. Alleen de sector handel en diensten (6%) doet het beter. De overige sectoren stoten beduidend meer uit: industrie (27%), energie (24%), transport (22%) en huishoudens (13%). Van de acht procent die aan landbouw toe te schrijven is, komt vijf procent op het conto van de veehouderij waarvan bijna vier procent voor rekening is van de rundveehouderij (vlees- én melkkoeien). Vlamingen die het klimaat willen redden door geen biefstuk meer te eten, pakken dus anderhalve procent van het probleem aan en blijven blind voor de uitstoot door transport onder meer. We verplaatsen ons nog steeds massaal met de wagen, en maken steeds verdere vliegreizen met dank aan lagekostenmaatschappijen. Daar zijn veel grotere winsten voor het klimaat te boeken, maar blijkbaar sussen we liever ons geweten door biefstuk van het menu te schrappen.”

Boerenbond maakt er een punt van om over klimaat en broeikasgassen te communiceren op basis van correcte cijfers. Het stoort Michiel Deroo dan ook enorm dat de media halve waarheden oppikken om de koe te verketteren. Hij verwijst in dat verband naar een recent artikel op VILT.be over insectenkweek. Daarin citeerden we een onderzoeker die krekels promoot als eiwitbron van de toekomst omdat je één kilo krekels kweekt met één kilo voeder terwijl, zo voegde hij er aan toe, “één kilo rund tien kilo voeder vergt.” De voederconversie van een wit-blauw rund is beter dan 1 op 10, zo maakt Deroo duidelijk. “Voor één kilo rund is zeven kilo voeder nodig, en dat zijn niet uitsluitend granen die ook voor humane consumptie geschikt zijn. Onze runderen verteren gras en eten reststromen uit de voedingsindustrie (bietenpul, bierdraf, aardappelschillen, enz.).”

“Wat ik bovendien niet las in het artikel over insectenkweek”, vervolgt Deroo, “is dat krekels een verwarmde kweekbak nodig hebben, terwijl wij geen energie verstoken in rundveestallen. Zo probeert iedereen zijn product als schoon voor te stellen door eigen nadelen te verzwijgen en rundvee ‘zwart’ te maken. Dit neemt niet weg dat de koe een grotere uitstoot heeft van broeikasgassen dan andere vleessoorten, de uitstoot van ons intensief gekweekte wit-blauw ligt wel de helft(!) lager dan importrundvlees. Lokaal rundsvlees eten – ook op restaurant – helpt het klimaat dus reeds vooruit.”

Mondiaal is de methaanuitstoot van de rundveehouderij vergelijkbaar met de uitstoot door rijstteelt die het gevolg is van het onder water zetten van akkers. “Hoor je iemand het eten van rijst ter discussie stellen?!” Ongenuanceerd zijn volgens de sectorvoorzitter ook de berichten over de grote waterbehoefte van rundvleesproductie. Eén steak die duizenden liters water vergt? “Dat is een kromme rekenoefening waarbij het regenwater meegeteld wordt dat op de akkers en weiden valt die ingezet worden voor ruwvoederproductie. Neem alle koeien weg en er valt nog altijd evenveel neerslag op die weiden, maar er zal niemand meer zijn om het gras te vreten en om te zetten in dierlijke eiwitten en de bijbehorende vitaminen die de mens wél kan consumeren.”

Michiel Deroo wacht nog altijd op het eerste krantenartikel dat de klimaatvoordelen van rundveehouderij durft beschrijven. Hij wijst in dat verband op de koolstofopslag in de bodem van blijvende weiden en het belang van stalmest om het koolstofgehalte van akkers op te krikken zodat die op hun beurt een bufferfunctie kunnen vervullen. “Een meer vruchtbare bodem dankzij stalmest laat water beter doorsijpelen in tijden van overlast, is beter beschermd tegen erosie en werkt als een buffer bij lange droogteperioden.” De rundveehouder hoopt op een stimulerend klimaatbeleid, met vergoedingen voor het behoud van blijvend grasland en het opslaan van koolstof in de bodem. Ook het mestbeleid zou een duit in het zakje kunnen doen door stalmest positief te discrimineren op dezelfde manier als dat met compost gebeurt.

Als de aanval op rundvlees niet ingezet wordt door zelfverklaarde klimaatredders, dan zijn het wel dierenrechtenactivisten die zich tegen de sector kanten. “De beelden die gefilmd werden in runderslachthuizen keur ik zeker niet goed. Maar de publieke opinie zou het de vleesveehouders niet mogen aanrekenen omdat de problemen zich stelden in de schakel na ons, wanneer de dieren de boerderij verlaten hebben en wij er geen vat meer op hebben”, aldus Deroo. Dat vleesveehouderij zo zichtbaar aanwezig is in het straatbeeld maakt de sector volgens hem kwetsbaar voor maatschappijkritiek. “Er moet maar één iemand met een smartphone in de buurt zijn wanneer de boer een onwillige koe wil verplaatsen en de poppen gaan aan het dansen.”

De waardering voor vleesveehouderij blijft uit, zowel financieel als maatschappelijk. Geen wonder dat zoveel boeren het voor bekeken houden. Over bedrijfsstopzetting zegt de sectorvoorzitter: “Voor gespecialiseerde vleesveebedrijven is de drempel om te stoppen groot vanwege de investeringen die ze deden. Wie vleesvee houdt als neventak of hobby heeft een lage arbeidsefficiëntie maar ook een heel lage kostprijs die toelaat om de crisis lang te trotseren. Eigen aan vleesveehouderij is dat de sector deels uit professionelen en deels uit hobby- en pensioenboeren bestaat. Heb je als uitbollende boer enkele weides, dan kan je geen handvol koeien melken maar wel een aantal runderen vetmesten. Van het financiële plaatje liggen deze hobbyhouders minder wakker.”

Voor een professionele vleesveehouder is het wél belangrijk dat de rendabiliteit verbetert. Na 2020 zou het echter verder de verkeerde richting kunnen uitgaan door de hervorming van het Europees landbouwbeleid. “Door de onafwendbare budgetdaling zal de inkomenssteun verminderen. Vleesveehouders zullen opnieuw bij de grote verliezers zijn. Of de levensnoodzakelijke gekoppelde steun (de zoogkoeienpremie, nvdr.) behouden kan blijven, is bang afwachten. Europa laat het ook na 2020 nog toe zodat het aan Vlaanderen is om die keuze effectief te maken.” Deroo maakt zich sterk dat de zoogkoeienpremie de vleesveehouders ten goede komt, en niet de slachthuizen.

Als sectorvoorzitter dient Michiel Deroo te blijven geloven in een toekomst voor vleesveehouderij in Vlaanderen, maar het valt hem toch moeilijk: “Het gemiddelde vleesbedrijf is vandaag niet rendabel. De meerderheid van de bedrijfsleiders worstelt met een negatief arbeidsinkomen. Moet je daarom alle kandidaat-overnemers negatief adviseren? Nee, want een aantal bedrijven zijn dankzij erg goede technische resultaten of een hoeveslagerij toch rendabel. Een overname van een vleesveebedrijf moet dus steeds bekeken worden in het licht van het presteren van het bedrijf in kwestie. Dat is alleszins een betere strategie dan een vleesveebedrijf voortzetten en hopen dat het aanbod krimpt en de prijs stijgt omdat collega’s het sneller dan jijzelf voor bekeken houden.”
 

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Johan Vanneste

Volg VILT ook via