nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

24.07.2014 Vogelopvangcentrum in Merelbeke rekent op landbouwers

Vorig jaar werden 4.000 zieke, uitgehongerde, gekwetste of verzwakte vogels en wilde dieren binnengebracht in het Opvangcentrum in Merelbeke. Dat bestaat ondertussen 30 jaar zodat de aandacht wordt gevestigd op het werk dat hier gebeurt met een hart voor dieren. Ongeveer de helft van de ‘patiënten’ kan na revalidatie terug vrijgelaten worden in een voor hen geschikte biotoop. Volgens Sofie Vergucht, één van de vele vrijwilligers die de dieren verzorgt, zit er in iedere landbouwer een vogelbeschermer verscholen. Zij kroop in haar pen voor een resem eenvoudig uitvoerbare tips: nestkastjes, kunstnesten voor boerenzwaluwen, beheerovereenkomsten, enz.

In 1984 werd het Opvangcentrum voor Vogels en Wilde dieren, kortweg het VOC, in Merelbeke opgericht door Guy De Meulemeester. Alle vogels en wilde dieren die in nood verkeren, zijn welkom in het opvangcentrum. Nick De Meulemeester nam in 2004 het Opvangcentrum over van zijn vader. Hij legt uit dat de drukste periode van april tot augustus loopt. “In die maanden krijgen we veel jonge vogels binnen die uit het nest zijn gevallen of gebeten door de kat. Deze kleine vogeltjes moeten om het half uur gevoederd worden.”

Samen met drie vaste medewerkers, stagiairs van de opleidingen dierenarts en dierenverzorging en een groot vrijwilligersteam worden de dieren dagelijks verzorgd. Dit kan gaan van het spalken van een gebroken vleugel, het ontsmetten en naaien van een wonde tot het wassen van een vuil verenkleed. De allerkleinste en erg verzwakte dieren verblijven een aantal dagen in de couveuse. Het voederen gebeurt met spuitjes gevuld met speciale melk voor de konijntjes, haasjes en egeltjes, spuitjes met een insectenpaté voor de vogeltjes en stukjes muis of kip worden met een pincetje aan de kleine uiltjes gevoederd.

Het Opvangcentrum krijgt subsidies van het Vlaams gewest, de provincie Oost-Vlaanderen, de gemeente Merelbeke, Bond Beter Leefmilieu en de Lotto. Daarnaast zijn er de inkomsten uit ledenbijdragen en uit het organiseren van verschillende activiteiten, zoals een kwis of een eetfestijn. Op zondag 10 augustus houdt het Opvangcentrum zijn jaarlijkse opendeurdag. Iedereen is welkom om te komen kijken naar de verzorging en het voederen van de dieren. Op het einde van de dag worden ook heel wat herstelde dieren vrijgelaten.

De inspanningen van de mensen achter het Opvangcentrum ten spijt, hebben een aantal vogelsoorten het moeilijk in Vlaanderen. Zo bedraagt de populatie boerenzwaluwen nu slechts 20 tot 30.000 broedparen, terwijl dit er in de jaren 70 nog zo’n 100 tot 200.000 waren. De landbouw is sindsdien ingrijpend veranderd, met een ongewild negatief effect op de broedplaatsen en het beschikbare voedsel voor heel wat vogels. Daarom vestigt vrijwilliger Sofie Vergucht namens het Opvangcentrum in Merelbeke de aandacht op de positieve bijdrage die landbouwers kunnen leveren. Door een aantal eenvoudige acties zullen vogels zich beter in hun sas voelen op het platteland.

Nestkastjes ophangen voor roof- en andere vogels is een kleine moeite die niet alleen de vogels ten goede komt maar ook een belangrijke meerwaarde biedt op een land- of tuinbouwbedrijf. Vogels voeden zich maar al te graag met insecten zoals muggen en vliegen. Valken en uilen houden de muizenpopulatie onder controle. Het aanbrengen van nestkastjes zit ook in de nieuwe richtlijnen voor geïntegreerde gewasbescherming ingebakken.

In veel Vlaamse gemeenten wordt een subsidie toegekend voor het aanplanten en het onderhoud van knotwilgen en hoogstamboomgaarden. Deze subsidie draagt bij tot de instandhouding van oude knotbomen en zorgt op termijn voor nieuwe geschikte broedlocaties voor de steenuilen. De steenuil is het symbool van een kleinschalige landschap met oude knotwilgen, hoogstamboomgaarden en oude stallingen. Natuurpunt of het Regionaal Landschap komen gratis een nestkast voor steenuilen ophangen in een weide met knotwilgen of in een hoogstamboomgaard.

De voorkeur van de boerenzwaluw gaat uit naar een landelijke omgeving met boerderijen en stallingen. De aanwezigheid van vee, vooral grote grazers als runderen en paarden, is belangrijk voor deze vogels. Boerenzwaluwen broeden vrijwel uitsluitend in stallen en gebouwen op het boerenerf maar de open stallen van vroeger worden zeldzamer. In nieuwe en in metaal opgetrokken gebouwen is het voor zwaluwen dikwijls moeilijk om nesten te bouwen. Kleinere stallen van hobbyboeren, onder meer voor paarden en schapen, bieden hier en daar een alternatief.

Vanaf half maart komen de boerenzwaluwen aan in onze streken en het duurt dan niet lang voor ze beginnen aan hun nest. Een boerenzwaluwnest heeft de vorm van een vlakke lemen schaal, die ze bouwen vanaf een steun zoals een uitspringend muurtje, een balk, een richeltje, een lamp of zelfs gewoon een spijker. Indien dergelijke nestplaatsen niet voorhanden zijn, kan een landbouwer in de donkere hoekjes van zijn stal kunstnesten aanbrengen of latjes van circa 10 cm lang en tenminste 2 cm breed. Katten, ratten en muizen mogen niet bij deze plaatsen kunnen. Verder moet de stal permanent toegankelijk zijn gedurende de dag, bijvoorbeeld via een open raam, deur of verluchtingskoker.

Torenvalken bouwen geen nest, maar kiezen vaak een oud kraaiennest uit om in te broeden. Ook zijn ze fan van nestkasten waar ze zicht hebben op een open ruimte zodat ze vanuit hun nest naar voedsel kunnen speuren. Fruitplantages zijn ideaal voor het ophangen van een nestkast voor torenvalken. Een fruitteler weet zich hiervoor beloond want een torenvalk vangt woelmuizen in de plantage. Ook heel wat schadelijke insecten zijn een smakelijke prooi voor de torenvalken. De nestkast moet halfopen zijn en vier meter of hoger tegen een boom in een open of halfopen landschap worden opgehangen.

Vogels eten graag zaden op het veld, maar zaaizaden die behandeld zijn met gewasbeschermingsmiddelen (je herkent ze aan het kleurtje dat ze altijd hebben) dienen volledig ondergewerkt te worden zodat de vogels deze niet kunnen oppikken. Anderzijds blijven voor de vogels ‘gezonde’ granen en zaden met de moderne oogsttechnieken minder vaak achter op het veld. Dat is één van de redenen voor de achteruitgang van akkervogels zoals patrijs, geelgors, gele kwikstaart en veldleeuwerik. Ook het vinden van voldoende nestgelegenheid en dekking vormt voor veel van deze vogels een probleem.

Een landbouwer kan in de bres springen door een beheerovereenkomst af te sluiten met de Vlaamse Landmaatschappij. In ruil voor een vergoeding voorziet hij dan een graan- of faunarand, een winterstoppel die het voedselaanbod vergroot en nestgelegenheid biedt, zogenaamde leeuwerikvlakjes (teeltvrije zones) in een graanperceel, enz. Met de beheerovereenkomsten als instrument kan de landbouwer ook de weidevogels te hulp schieten. Het verschil kan je voor deze vogels maken door later te maaien of te beweiden, door nestbeschermers in de weide te plaatsen, vluchtstroken aan te leggen, …

Beheerovereenkomsten om weidevogels te beschermen, zijn alleen in welbepaalde gebieden mogelijk. Deze beheergebieden werden zorgvuldig geselecteerd om de inspanningen zo goed mogelijk te laten renderen en de kans op succes zo groot mogelijk te maken. Beheerovereenkomsten starten altijd op 1 januari van het kalenderjaar en hebben een looptijd van vijf jaar. Aanvragen dienen voor 1 oktober ingediend te worden.

Meer info: VOC Merelbeke

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: VOC Merelbeke

Volg VILT ook via