nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

10.10.2017 Wat je zelf doet, doe je meestal beter. Of toch niet?

Naar aanleiding van de 125e verjaardag van Cera – de coöperatie die de aandelen groepeert van de vroegere vennoten van CERA Bank en van nieuw toegetreden vennoten – zoomt VILT in op hun dienstverlening coöperatief ondernemen. We vallen bij Cera in Leuven met de deur in huis: Is de coöperatie nog wel ‘sexy’ in de hoofden van land- en tuinbouwers? Terwijl coöperaties in andere sectoren een hoge vlucht nemen, lijken de jaren van snelle groei voor landbouwcoöperaties voorbij. Zijn de verwachtingen op vlak van prijsrealisatie soms te hoog gespannen? “Een coöperatie staat met beide voeten in de markt”, tempert coöperatiespecialist Hannes Hollebecq (Cera), “maar je wil als individuele producent niet tegenover de grote aankoopcentrales van supermarkten staan.”

In West-Europa blijven afzetcoöperaties in land- en tuinbouw hoog scoren qua aansluitingsgraad en marktaandeel. “Dat is daarom nog geen garantie dat het morgen ook zo zal zijn”, beseft Hannes Hollebecq, die bij Cera verantwoordelijk is voor de dienstverlening coöperatief ondernemen. “De verschillen tussen de leden van coöperaties (bv. klein versus groot) nemen toe, en met een minder homogene groep is het lastiger samenwerken. Het is altijd moeilijk om voor iedereen goed te doen. De ene fruitteler wil frigocellen op de veilingsite huren, voor de ander hoeft dat niet. De ene teler gelooft in clubappels en wil daarin investeren, een ander niet. Enzovoort.” Net daarom is de communicatie met coöperanten en de organisatie van zeggenschap voor de leden-telers heel hard werken. En soms ook een ondankbare taak voor bestuurders, vindt Hollebecq. Zij moeten blijven nadenken over hun businessmodel, en binnen dat kader innoveren.

Een coöperatie kan zich niet onttrekken aan de marktwerking. Ze staat met beide voeten in de markt. “Een faire prijs voor de coöperanten-telers mag dan wel het doel zijn, daarom is dat nog niet eenvoudig te realiseren. Zie naar groente- en fruitveiling BelOrta die goed in de gaten heeft dat de andere marktpartijen clusteren en daarom ook zelf inzet op schaalvergroting. Er zijn nog slechts een handvol grote aankoopcentrales van supermarkten actief in Europa. Daar wil je als individuele boer of tuinder niet tegenover staan”, aldus de specialist in coöperaties.

De bijkomende uitdagingen voor een coöperatie, zoals ledenbetrokkenheid, komen bovenop de uitdagingen waarmee elke onderneming te maken krijgt. Een zuivelcoöperatie zoals Milcobel zal moeten investeren in communicatie met de leden-leveranciers, terwijl dat voor een private zuivelverwerker minder hard nodig is. Vooral bij grote coöperaties is ledenbetrokkenheid een item. Wanneer de activa verdeeld zijn over slechts tien vennoten is de kans groter dat iedereen zich mede-eigenaar voelt van de coöperatie dan wanneer er honderden vennoten zijn.

Het allerlastigste is de meerwaarde van het coöperatieve model zwart op wit aantonen. “Je kunt de situatie met en zonder coöperatie niet gauw even tonen”, verduidelijkt Hannes. Al is het wel mogelijk, want wetenschappers maakten in 2012 die oefening. In opdracht van de Europese Commissie en onder leiding van Wageningen Universiteit vergaarden zij achtergrondkennis die landbouwers er toe moest aanzetten om de krachten te bundelen in coöperaties. “Als het marktaandeel van zuivelcoöperaties stijgt van minder dan 20 procent naar 20 tot 50 procent, dan resulteert dat in een tot 15 procent hogere melkprijs”, citeert Hannes hun bevindingen.

Dat marktaandeel is niet uit de lucht gegrepen want coöperaties staan in de Europese Unie effectief in voor meer dan de helft van de melkophaling. Andere sectoren waarin de samenwerkingsgraad groot is, zijn groenten en fruit, wijn, olijven en granen. Coöperaties hebben telkens een derde of meer van de markt in handen. De nieuwe lidstaten halen die percentages omlaag omdat coöperaties daar slechts een marginale rol spelen. Wist je dat niet alleen de leden profiteren van sterke coöperaties? De iets hogere en minder volatiele prijs waarvoor zij zorgen, komt ook ten goede aan landbouwers die hun product leveren aan private afnemers. Meer nog, die private afnemers gaan in competitie met de coöperatie door een iets hogere prijs uit te betalen. Noot van de redactie: In eigen land geldt de Milcobel-prijs inderdaad als de referentie en zijn veel melkveehouders ervan overtuigd dat de concurrentie de melkprijs daarop baseert en niet op het eigen presteren in de zuivelmarkt.

Benieuwd naar de andere bevindingen van de onderzoekers? Het rapport ‘Support for Farmers’ Cooperatives’ is online nog steeds te consulteren. Het is aan te bevelen lectuur voor wie denkt dat grote land- en tuinbouwbedrijven het op hun eentje kunnen redden. Hannes verwijst in dat verband naar Nederland, waar een aantal telersverenigingen in de tuinbouw uit elkaar zijn gevallen. “Nu zie je dat tuinders elkaar opnieuw opzoeken, en dat geldt niet alleen voor de kleinere bedrijven. Ook bijvoorbeeld tomatenbedrijven met een areaal van 3 tot 30 hectare willen samenwerken, terwijl we nog vaak denken dat grote bedrijven zelf de stap naar de markt kunnen zetten.”

Wat altijd aanwezig moet zijn, is de wil om samen te werken. “Je kunt niemand verplichten om in een coöperatie te stappen. Maar zodra iemand vrijwillig die keuze maakt, moet hij of zij zich wel aan de regels houden. We denken dan bijvoorbeeld aan leverplicht, sommigen ervaren dat als beknotting van het ondernemerschap, maar het is vaak inherent aan het model.”

Lees ook de wekelijkse duiding “Bij grote uitdagingen wordt het coöperatieve model een natuurlijke vorm van ondernemen”.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Cera

Volg VILT ook via