nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

14.08.2018 Zesde mestactieplan op zijn milieueffecten beoordeeld

Ter bescherming van het oppervlakte- en grondwater tegen nitraatverliezen, bereidt de Vlaamse overheid het zesde mestactieplan (MAP 6) voor. Met de Europese Commissie wordt onderhandeld over de inhoud daarvan. Over de kennisgevingsnota van de milieueffectenbeoordeling, en later tijdens het openbaar onderzoek, kan iedereen zijn zegje doen. MAP 6 bouwt voort op MAP 5 maar steekt een tandje bij om meer vaart te maken met de verbetering van de waterkwaliteit. Vlaanderen wil daarin slagen via een betere implementatie en handhaving van bestaand beleid en met bijkomende maatregelen, zoals het beter in kaart brengen van het kunstmestgebruik op landbouwbedrijven. De gebiedsgerichte aanpak wordt nog uitgediept.

Met MAP 6 ambieert Vlaanderen in de periode 2019-2022 een verdere reductie van de nutriëntenverliezen uit land- en tuinbouw. Om de vier jaar stelt Vlaanderen een nieuw mestactieprogramma op in uitvoering van de Europese Nitraatrichtlijn. Bij de opmaak zijn de stakeholders nauw betrokken via het overleg in de opvolgingscommissie mestactieplan (OMAP). Daarin zetelen naast de vertegenwoordigers van de overheid ook de landbouw- en natuurorganisaties en experten van coördinatiecentrum CVBB, VMM en ILVO.

Om de mogelijke effecten van MAP 6 op mens en milieu in kaart te kunnen brengen, wordt de procedure voor de opmaak van een plan-MER opgestart. Een eerste stap daarin is de publicatie van een kennisgevingsnota. Nog tot begin september heeft iedereen de mogelijkheid om opmerkingen te formuleren en suggesties te doen over de opstelling van het milieueffectenrapport.

Wie MAP 6 niet de juiste aanpak vindt en dat duidelijk wil maken via een bezwaarschrift of petitie doet dat beter in een later stadium. Er volgt namelijk nog een openbaar onderzoek over het beleidsplan zelf. Nu wil de Vlaamse overheid graag achterhalen of er bepaalde zaken zijn die ze over het hoofd heeft gezien: alternatieve maatregelen, mogelijke milieueffecten of andere aandachtspunten. De kennisgevingsnota vermeldt uitdrukkelijk dat reacties zoals ‘ik ben tegen het plan’ geen meerwaarde bieden voor het milieu-onderzoek.

Eén van de meest opvallende wijzigingen in MAP 6 is dat het percentage MAP-meetpunten met een overschrijding van de nitraatnorm verlaten wordt als indicator voor de impact die landbouw heeft op het oppervlaktewater. De vooruitgang zal nog altijd afgemeten worden aan de nitraatconcentratie, maar men zal een gemiddelde hanteren van de meetpunten in een bepaalde afstroomzone. De streefwaarde bedraagt 20 mg nitraat per liter water in een afstroomzone.

De gebiedsgerichte aanpak in het mestbeleid wordt aangehouden en zelfs nog uitgediept. In sommige afstroomzones wordt het streefdoel reeds gehaald en zijn dus geen bijkomende maatregelen nodig. Een aantal strenge bepalingen uit het lopende beleid kunnen er zelfs herbekeken worden. Elders is de streefwaarde in zicht, wat een verderzetting van het beleid toelaat, of is er integendeel nog veel werk aan de winkel. Daar zijn bijkomende maatregelen nodig en mogen landbouwers zich verwachten aan een MAP 6 dat nog strenger zal zijn dan MAP 5. Een risicobeoordeling van de mogelijke nutriëntenverliezen op het bedrijf en in het afstroomgebied als geheel zal daar de basis vormen voor de bemesting.

Het zesde mestactieprogramma zet extra in op handhaving en het verder uitbouwen van bestaande maatregelen zoals het traject rond een correctere mestsamenstelling. Mestverwerkingsinstallaties zullen beter opgevolgd worden en het kunstmestgebruik op landbouwbedrijven wil de overheid beter in kaart brengen. Landbouwers dienen hun kunstmestgebruik al langer te rapporteren, maar controle op de juistheid van de gegevens ontbreekt momenteel. Voor de grondloze tuinbouw wordt samen met de sector een actieplan opgesteld omdat nutriëntenverliezen uit serres een grote impact kunnen hebben op de waterkwaliteit in een afstroomzone. 

De bijkomende maatregelen zijn in de eerste plaats gericht op het reduceren van de stikstofverliezen. Wat de verliezen van fosfor betreft, is reeds een belangrijke herziening van de fosforbemestingsnormen doorgevoerd met MAP 5. Op percelen waar veel fosfaat in de bodem beschikbaar is, gelden sindsdien zo’n strenge bemestingsnormen dat de gewassen verplicht zijn om dit nutriënt uit de bodem te halen omdat de bemesting alleen niet volstaat. Die aanpak werkt, maar het vraagt tijd vooraleer je daarvan het resultaat ziet in de kwaliteit van het oppervlaktewater. Daarom zal het bestaande beleid voortgezet worden zonder bijkomende maatregelen voor de fosforbemesting.

Landbouwers voelen al langer aan dat er een spanningsveld is tussen de steeds strengere bemestingsnormen en het op peil houden van de bodemvruchtbaarheid. Het inzaaien van vanggewassen is een goede praktijk die verder gestimuleerd en zo nodig verplicht wordt. Specifieke aandacht wordt ook gegeven aan het gebruik van boerderijcompost. In MAP 6 staan nog maatregelen om de bodemkwaliteit te verbeteren, zoals het stimuleren van meerjarig grasland. Een bijsturing van de teeltrotatie kan wenselijk zijn voor zowel de bodem- als de waterkwaliteit. Het ene gewas weet de nutriënten uit een bemesting immers beter te benutten dan het andere.

Meer info: Kennisgevingsnota plan-MER MAP 6

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: CVBB

Volg VILT ook via