nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Parlement trekt debat over schaalvergroting breed open
01.02.2016  Zijn er grenzen aan de groei van land- en tuinbouwbedrijven?

Het romantische beeld van een boerenerf wordt achterhaald door de schaalvergroting die in de Vlaamse land- en tuinbouw aan de gang is. Dat bedrijven vandaag groter zijn dan 20, 30 of 50 jaar geleden lijkt de logica zelve. Technologische vooruitgang heeft dat in de landbouw net zoals in andere sectoren mogelijk gemaakt. Maar de groei verloopt niet zonder slag of stoot. Bij volatiele prijzen staan grote bedrijven niet sterker, integendeel zelfs. Bovendien zuchten gezinnen onder de zware investeringslast. Voor een starter lijkt het bijna onbegonnen werk om een rendabel landbouwbedrijf uit te bouwen. Bovendien heeft de milieubeweging moeite met de toenemende schaalgrootte en vragen politici zich af of er geen grenzen aan de groei gesteld moeten worden. Hoog tijd dus voor een hoorzitting met experten in de commissie Landbouw van het Vlaams Parlement. Dat wierp vorige maand een ander licht op de evoluties in de land- en tuinbouw.

Toen de melkquota in het voorjaar van 2015 afgeschaft werden, leek een gouden tijdperk in de maak. Ondertussen weten we wel beter, maar staan de nieuwe en grotere stallen er wel. Niet dat het zo’n vaart liep. Het kleine aantal bedrijven dat een (grote) groeisprong maakt, kan een verkeerde indruk geven van de algemene teneur in een sector. Om te beginnen blijft het beeld van een grote, nieuwe stal langer op het netvlies branden dan dat van een bestaande stal. Bovendien zijn het alleen de groeiers die na een investering in nieuwbouw en onder impuls van hun toeleveranciers de staldeuren opengooien voor bezoekers. Als de uitnodiging daarvoor in de landbouwbladen geadverteerd wordt, krijg je al snel de indruk dat er bijgebouwd wordt dat het een lieve lust is.

Daarom is het goed dat de Vlaamse landbouwadministratie onderzoekers in dienst heeft die zich beperken tot de feiten. De studiedienst leverde recent twee rapporten af over de schaalgrootte en schaalvergroting in de landbouw enerzijds en de economische impact daarvan in de melkveehouderij anderzijds. Bart Van der Straeten, auteur van één van de rapporten, lichtte ze toe tijdens een hoorzitting in de commissie Landbouw van het Vlaams Parlement. Eerder dan een fikse schaalvergroting in land- en tuinbouw is er volgens Van der Straeten sprake van een concentratie van de productie bij de grotere bedrijven.

Cijfers liegen niet, of juist wel?
Van der Straeten plaatst een belangrijke kanttekening bij de groei in de gemiddelde bedrijfsgrootte. De statistieken zouden het fenomeen schaalvergroting overschatten. Met een simpele rekenoefening toont de landbouwonderzoeker dat treffend aan: “Als twee bedrijven grootte ‘10’ hebben en een derde veel kleiner bedrijf ‘1’, dan is het rekenkundig gemiddelde ‘7’. Stopt dat laatste bedrijf er mee, dan stijgt het gemiddelde naar ‘10’ hoewel de blijvers niet gegroeid zijn.” Van der Straeten pleit daarom voor een juist gebruik van de cijfers. “In alle deelsectoren kennen de blijvers een veel kleinere groei dan de gemiddelden op het eerste gezicht doen vermoeden. De gemiddelde bedrijfsgrootte neemt sterk toe omdat de kleinste bedrijven er tussenuit vallen. De grote groep blijvers groeit lichtjes – Van der Straeten gebruikt de term “organische groei” – terwijl een forse groeisprong een keuze van een minderheid is. Ook de ondergrens die gehanteerd wordt, is van belang. Als bedrijven met 100 of 1.000 kippen voor vol aanzien worden, dan beïnvloedt dat de cijfers.

boerderij.keuterboer.geVILT.jpg

Schaalvergroting is een fenomeen van alle deelsectoren, maar zet zich in de intensieve veehouderij het sterkst door. De vaststelling dat er minder (-31% tussen 2001 en 2012) maar grotere bedrijven in de landbouw actief zijn, slaat zowel op het bedrijfsareaal dat meer dan verdubbeld is in 20 jaar tijd als op de veestapel. Vooral in de intensieve veehouderij (pluimvee en varkens) stijgt het aantal dieren per bedrijf. Gemiddeld voor beide sectoren komt het bijna neer op een verdubbeling in 12 jaar tijd, maar opnieuw plaatst Bart Van der Straeten daar de kanttekening bij dat het bij de blijvers niet zo hard is gegaan als de cijfers doen vermoeden.

Bestaat de optimale schaal van een landbouwbedrijf?
Samen met collega’s van de studiedienst van het Departement Landbouw en Visserij identificeerde Van der Straeten verschillende drijvende en remmende krachten voor schaalvergroting: bij dalende marges houdt een grotere productie het landbouwinkomen overeind; productiefactoren zoals arbeid, kapitaal en grond hebben allemaal een invloed; idem dito met overheidsbeleid dat groei kan stimuleren door bijvoorbeeld dure luchtwassers te verplichten maar ook kan afremmen, bijvoorbeeld door quota en mestwetgeving. “Bovenal is groei de keuze van de bedrijfsleider”, weet Van der Straeten.

Of de boer effectief meer gaat verdienen door te groeien, is een heel lastige vraag. De bedrijfseconomische boekhouding van de melkveebedrijven uit het Landbouwmonitoringsnetwerk wees uit dat de cashflow stijgt maar het arbeidsinkomen daalt door de toegenomen investeringslast. Er bestaat zoiets als een optimale grootte voor een landbouwbedrijf want de grootste bedrijven presteren niet het best. Zo neemt in de melkveehouderij de cash flow boven een melkproductie van 750.000 liter opnieuw af. Ook is het zo dat de ‘middelmatige groeiers’ de hoogste marge op de melk realiseren, niet degenen die zichzelf voorbij hollen in de groei.

voederrobot.schaalvergroting.melkvee.geVILT.jpg

Volgens professor Guido Van Huylenbroeck (UGent) verschuift de optimale bedrijfsgrootte doorheen de tijd. De voorzitter van het kennisnetwerk Agrolink Vlaanderen waarschuwde de parlementsleden dan ook voor de nadelen van grenzen stellen aan de groei. Hij denkt in de eerste plaats aan de competitiviteit tegenover het buitenland. “We mogen niet vergeten dat de landbouwsector door te groeien in een reductie van de kosten slaagde. Het mag een bijzondere prestatie heten dat een liter melk vandaag aan een lagere kostprijs wordt geproduceerd dan 50 jaar geleden. Voor diezelfde liter melk is er in vergelijking met toen maar 15 procent van de arbeid nodig, 20 procent van de dieren, 25 procent van het voeder en 35 procent van het water. Bovendien wordt er per liter melk minder mest, minder CO2 en minder methaan uitgestoten.”

Groter betekent vaak ook kwetsbaarder
Bij groei en intensivering worden arbeid en grond ingeruild voor de goedkopere productiefactor kapitaal. De rente op kapitaal is in de loop der jaren minder sterk gestegen dan de kostprijs van arbeid (lonen). Een bedrijfsleider gaat dus kapitaal inzetten om arbeid te substitueren en mikt na de investeringen op een hogere productie. Komt daarbij de technologische vooruitgang die maakt dat een bedrijfsleider wil groeien alleen al om de eigen arbeidstijd nuttig te kunnen blijven invullen.

Keerzijde van de medaille is dat de bedrijven behalve groter ook kwetsbaarder zijn geworden. Professor Van Huylenbroeck wijt dat aan de toenemende prijsvolatiliteit en aan de markt die niet meer afgeschermd wordt zoals Europa dat in de beginjaren van het gemeenschappelijk landbouwbeleid pleegde te doen. Meer dan in het verleden is het nu de kunst om marge over te houden aan de productie. Dat brengt de professor bij de kern van zijn betoog: de toegevoegde waarde per eenheid product die almaar belangrijker wordt.

zeugenbedrijf.jpg

In de varkenshouderij maar ook in andere sectoren is dat natuurlijk de ‘hamvraag’: hoe kan de producent toegevoegde waarde realiseren, én die liefst zo stabiel mogelijk houden om schommelingen in het inkomen te vermijden. “Dat kan door de vaste kosten te doen dalen wanneer je ze uitsmeert over een grotere productiehoeveelheid”, geeft Van Huylenbroeck ‘groei’ als één mogelijk antwoord. Dat de middelmatige groeiers in de melkveehouderij de grootste marge behalen, gebruikt de professor om aan te tonen dat er naast groei nog zoiets bestaat als het optimaliseren van de mix van productiefactoren. “Op veel bedrijven is te weinig grond of te veel arbeid aanwezig”, weet hij. Behalve te weinig grond kan het probleem in Vlaanderen ook zijn dat het bedrijfsareaal te sterk versnipperd is. Tijdens de hoorzitting werd namelijk duidelijk dat een doorsnee landbouwperceel maar 1,34 hectare groot – of beter gezegd klein – is.

Groeien zonder groter te worden
De andere manieren om toegevoegde waarde te realiseren, zijn genoegzaam bekend: diversificatie, innovatie, samenwerking in de keten, verticale integratie zodat je als producent enkele treden richting consument overbrugt, enz. De voorzitter van het Vlaams landbouwkennisnetwerk Agrolink noemt dit allemaal mogelijke groeipaden. Voor hem is groei dus niet hetzelfde als schaalvergroting. Diversificatie gebruikt Van Huylenbroeck niet zozeer in de zin van verbreding van de landbouwactiviteiten, wel om het onderscheidend vermogen van landbouwproducten aan te duiden. De markt voor landbouwproducten is geglobaliseerd. Sommige mensen zijn daar voor, andere tegen maar voor de professor is dat gewoon een nuchtere vaststelling. “Het komt er dus op aan om ons met Vlaamse landbouwproducten te onderscheiden op de wereldmarkt. Aan Parmaham kunnen we een voorbeeld nemen.”

kaas.geVILT.jpg

Op die piste zal Joris Relaes van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) doorgaan. Van Huylenbroeck staat eerst nog even stil bij de vraag of er grenzen zijn aan het groeipad schaalvergroting. “Technologische ontwikkeling gaat door. Als onze landbouwers de technologie niet gebruiken en anderen doen het wel, dan dreigen ze uit de markt geprijsd te worden. Er zullen in Vlaanderen altijd landbouwers zijn die voor schaalvergroting willen opteren om de kosten te drukken en hun inkomen op peil te houden.” De ervaringen met mestwetgeving en melkquota leren dat ondernemers zo nodig creatiever zijn dan de wetgever als het erop aan komt om onder de opgelegde grenzen uit te komen. Krijgen we dan een ongebreidelde schaalvergroting in de landbouw? De professor meent van niet omdat bedrijven over nog andere groeistrategieën beschikken.

Parlement haalt de mosterd in Nederland
Allicht versprak de voorzitter van de commissie Landbouw zich wanneer hij de eerste spreker over schaalvergroting bedankte om het ‘probleem’ te schetsen, maar het is wel een indicatie dat de hoorzitting niet geheel vrijblijvend is. In Nederland is schaalvergroting opgeklopt tot een discussie over ‘megastallen’ die vrij breed gevoerd werd. Uiteindelijk leidde dat tot een voorzichtig standpunt van de hogere overheid over de maximaal wenselijke omvang van de veehouderij. Voorzichtig in de zin dat de toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken Sharon Dijksma ongebreidelde groei niet meer mogelijk noemde, maar de bal vervolgens in het kamp van de lokale besturen legde. Een nieuw wettelijk kader maakte dat gemeenten en provincies grenzen kunnen stellen aan de omvang van een veebedrijf en de veehouderij als sector.

Vanuit Nederland waaide de discussie over naar Vlaanderen. In het najaar van 2015 werd schaalvergroting een eerste keer onderwerp van debat in de commissie Landbouw van het Vlaams Parlement. Dat verliep veel serener dan in Nederland, waar alleen al het woord ‘megastallen’ een negatieve focus verraadt. In een meer open sfeer werd in het Vlaams Parlement nagedacht over de toekomst van onze landbouw. Ook de Vlaamse provincies tonen interesse omdat zij wensen te weten of zij hun houding moeten veranderen in het kader van het vergunningenbeleid. Uit het door de studiedienst van de Vlaamse landbouwadministratie verzamelde cijfermateriaal blijkt dat de problematiek van de megastallen zich in Vlaanderen niet acuut voordoet wanneer de Nederlandse normen gehanteerd worden. “Het behoeft daarom niet meer aandacht dan nodig”, schreven de onderzoekers er zelf bij. Twee jaar na de publicatie van hun rapport is schaalvergroting – of schaalverandering, what’s in a name – toch het thema van twee hoorzittingen en een werkbezoek aan Nederland.

grasoogst.silage.geVILT.jpg

Volgens professor Van Huylenbroeck is niet schaalvergroting het probleem, wel de bedrijfsvorm van land- en tuinbouwbedrijven. Het familiale karakter van de Vlaamse boerderijen wordt dikwijls in de verf gezet. Alleen is het dan maar de vraag of de gezinnen achter de bedrijven het kapitaal kunnen blijven ophoesten. De omvang van de investeringen op een landbouwbedrijf neemt almaar toe. Is het verantwoord dat de boer en zijn gezin zich diep in de schulden steken en vervolgens het hoofd moeten bieden aan extreem wisselvallige prijzen voor landbouwproducten? Of, en dat is de achterliggende vraag, moet het kapitaal van elders komen?

In plaats van lang te blijven stilstaan bij schaalvergroting adviseert Van Huylenbroeck de beleidsmakers om na te denken over alternatieve bedrijfsvormen en financiering van landbouwbedrijven. Tezelfdertijd moet Vlaanderen sterk inzetten op de toegevoegde waarde van landbouwproducten zodat de producenten ontsnappen aan de prijsdruk op de wereldmarkt. Hoe kunnen we ons onderscheiden op de wereldmarkt? Wat is de ‘unique selling position’ van de Vlaamse landbouwproducten? Het zijn vragen die een aanpak op sectorniveau vergen en een grondige analyse van de zwakke en sterke punten van onze landbouw.

Landbouwproductie stijgt sneller dan de vraag naar voedsel
Die boodschap lijkt verdacht hard op hetgeen we september vorig jaar, aan de vooravond van de grote boerenbetoging in Brussel, lazen in een opiniestuk in De Tijd. “De Vlaamse landbouw moet als niche de wereldmarkt op”, schreef Joris Relaes toen, met het idee dat toegevoegde waarde breder te realiseren is dan alleen met streek-, bio- of speciaal gelabelde producten. Relaes is gastdocent landbouweconomie en voedselbeleid aan de KU Leuven en hoofd van het Vlaams landbouwonderzoeksinstituut ILVO. Bijna een half jaar later gelooft Relaes nog altijd in de sterkte van niches op de wereldmarkt. Hij lichtte dat graag toe in het Vlaams Parlement.

De prijsschok in 2007 leek het einde in te luiden van de honderdjarige daling van landbouw- en voedselprijzen. De huidige laagconjunctuur in de landbouw toont volgens Relaes aan dat landbouweconomen zich daar tien jaar geleden op miskeken hebben. “De landbouwsector is in staat om zeer snel de productie op te drijven. Tegen de verwachtingen in lukte het om de voedselvraag bij te benen, zelfs al is die spectaculair gestegen.” Relaes geeft de groeiende vraag naar dierlijke eiwitten als voorbeeld. Jaarlijks neemt de vraag naar melk met twee liter per persoon toe. Wereldwijd betekent dat een groei van de zuivelmarkt met 14 miljard liter per jaar. “De Belgische productie bedraagt om en bij de 3,5 miljard liter melk”, verduidelijkt hij de omvang van de groeiende vraag. Toch overtreft de zuivelproductie momenteel die wereldwijde vraag.

melkkoe.voeder.stal.jpg

Niet alleen heeft men de productiestijging onderschat die de landbouw in korte tijd kan realiseren – en gelukkig maar, anders kenden we meer hongersnood –, ook de stijgende productie bij dalende prijzen voor landbouwproducten komt dikwijls bij verrassing. Nochtans is daar een goede verklaring voor, weet Relaes: “De productiefactoren van een landbouwer zijn niet polyvalent inzetbaar zodat de productie nog een tijd blijft stijgen wanneer de prijzen dalen. De micro-economische beslissing van een landbouwer gaat op dat moment in tegen wat macro-economisch verantwoord is.” Wat goed is gebleken voor de wereldwijde voedselzekerheid was dat veel minder voor de portefeuille van de boer. Bij schaarste kon hij geld verdienen, maar in een geglobaliseerde markt gebeurt het steeds minder vaak dat het aanbod krap is zonder dat de handel daar een mouw aan kan passen. De sector moet dus op zoek naar een ander verdienmodel.

Als niche de wereldmarkt op
De administrateur-generaal van ILVO ziet in streek-, bio- en gelabelde producten een kopgroep die (op het vlak van toegevoegde waarde, nvdr.) voor het peloton uitrijdt. “In de toekomst moeten landbouwers zelf een ‘vraagmarkt’ creëren”, aldus Joris Relaes. Een producent kan actief worden in een niche, de verkoop zelf ter hand nemen of in een ander businessmodel zoals ‘community supported agriculture’ stappen. Tot daar niets nieuw onder de zon. Bovendien gaat het hier slechts over een beperkt percentage van de Vlaamse landbouw. Gelukkig brengt de Vlaamse landbouw nog meer kwaliteitsproducten voort die vlot hun weg naar de markt vinden. Relaes denkt spontaan aan de conference-peren.

peer.conference.geVILT.jpg

Hoewel paniek zich meester maakte van de fruitsector nadat Rusland wegviel als belangrijke afzetmarkt dienden zich vrij snel nieuwe kandidaat-kopers aan. “Conference is een uniek product”, analyseert Relaes. “Met diepvriesaardappelen en -groenten staan we net zo sterk. Het zijn nicheproducten, niet voor de lokale maar voor de wereldmarkt. Misschien had het Vlaamse varken met zijn erg specifieke kenmerken (sterke bevleesdheid, ed.) ook kunnen uitgroeien tot zo’n niche, naar het voorbeeld van de Spaanse Ibericoham. Maar de focus kwam zo sterk op productie te liggen dat de kwaliteiten die onze varkens typeerden naar de achtergrond verschoven.”

Hoe voordelig de positie van niche op de wereldmarkt kan zijn, maakt Joris Relaes duidelijk met een verwijzing naar de lactosevrije melk uit Finland. Toen Rusland zijn grenzen sloot voor westerse voedingsproducten werd een uitzondering gemaakt voor de Finse zuivelverwerker Valio. Simpelweg omdat de Russen geen andere keuze hadden want Valio is groot in een klein product als lactosevrije melk. Steeds komt het neer op het creëren van schaarste door een nicheproduct in de markt te zetten. Lukt dat niet, dan rest de ondankbare taak om een bulkproduct te slijten waar weinig of niets mee te verdienen is.

vlees.beenhouwer.geVILT.jpg

“België is de zesde grootste exporteur van landbouwproducten ter wereld”, zegt de ILVO-topman om aan te tonen dat het merendeel van de landbouwsector de concurrentie op de wereldmarkt wil of moet aangaan. Naar het voorbeeld van ‘Belgian beers’ and ‘Belgian chocolates’ moeten we al onze landbouw- en voedingsproducten als niche presenteren op de wereldmarkt. Dat is geen opdracht voor een individueel landbouwbedrijf maar voor een ganse keten. Het logo Food.be met de baseline ‘Small country. Great food’ van de voedingsindustrie is wat dat betreft een heel slimme strategie.”

Joris Relaes besluit met de vaststelling dat ook in het landbouwonderzoek het accent verschuift van kostprijsreductie naar meerwaardecreatie. Namens het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek verneemt hij graag welke onderzoeksthema’s meer aandacht verdienen om de kwaliteit van Vlaamse agrovoedingsproducten beter uit de verf te laten komen. Vlaanderen zal zijn niches op de wereldmarkt voor landbouw- en voedingsproducten immers niet cadeau krijgen. Daarvoor is een samenspel nodig van landbouw, voedingsindustrie, onderzoek en beleid.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via