nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

18.02.2020 5 vragen over de Europese meerjarenbegroting

Europees president Charles Michel organiseert donderdag een extra Europese top over de meerjarenbegroting voor de periode 2021 tot 2027. Omdat de brexit een gat in de begroting zal slaan, zijn de onderhandelingen nog complexer dan ze in het verleden al waren. De gesprekken slepen al bijna twee jaar aan en verder uitstel dreigt de opstart van talloze projecten te vertragen. Maar hoe zit die begroting in elkaar en wat ligt er op de tafel van de onderhandelaars?
Misschien even starten met een weetje. De meerjarenbegroting is er gekomen op voorstel van toenmalig Commissievoorzitter Jacques Delors. Die kreeg het eind jaren ’80 op zijn zenuwen dat de Britse premier Margaret Thatcher jaarlijks een ruzie ontketende over de begroting. Delors wilde dat van de baan en stelde voor om het budget voor een langere periode vast te leggen.
 
De meerjarenbegroting dekt sindsdien een periode van 7 jaar, wat toelaat om investeringen over een langere periode in te plannen.
 
Over welk bedrag gaat het?
 
De vorige 7 jaar bedroeg de Europese begroting 1 procent van het bruto nationaal inkomen (BNI) van de 28 lidstaten. In 2019 gaf de Europese Unie bijna 148 miljard euro uit. Dat lijkt een hallucinant bedrag, maar als je dat naast de Belgische begrotingscijfers houdt, is het vrij relatief.
 
Professor Europese studies aan de UGent Hendrik Vos noemt het Europese budget in een opiniestuk in De Standaard zelfs “idioot klein”. De Belgische overheden klokken af op ongeveer 230 miljard euro. “Dat komt in de buurt van het dubbele van Europa”, aldus Vos. “De Europese begroting vertegenwoordigt 1 procent van de welvaart in de Unie, terwijl lidstaten dikwijls ruim 50 procent van hun bruto binnenlands product besteden.”
 
De EU haalt haar inkomsten voor 80 procent uit bijdragen van de lidstaten en voor 20 procent uit onder andere douanerechten of boetes die aan lidstaten of bedrijven worden opgelegd als ze de regels niet respecteren.
 
Het grootste deel van het budget is dus afkomstig van de lidstaten. Rijkere landen betalen meer dan arme landen. Die laatste krijgen ook meer subsidies terug. VRT berekende dat de Belg tijdens de vorige begrotingsperiode jaarlijks gemiddeld 86 euro betaalde aan de Europese Unie. Dat maakt van België een nettobetaler, ons land draagt namelijk meer bij aan de Europese begroting dan het terugkrijgt. Maar dat wordt gecompenseerd door de interne markt.
 
De Europese Commissie becijferde in 2019 dat België ongeveer 56 miljard euro meer verdient dan wanneer het geen deel zou uitmaken van de interne markt. Dat komt neer op 11 procent van het Belgische BNI.
 
De grootste nettobetalers zijn Oostenrijk (200 euro per persoon), Zweden (154 euro per persoon), Nederland (134 euro per persoon) en Denemarken (132 euro per persoon). De top drie van netto-ontvangers, landen die meer subsidies krijgen dan ze bijdragen, zijn Hongarije (458 euro per persoon), Griekenland (404 euro per persoon) en Letland (374 euro per persoon).
 
Hoe wordt het geld verdeeld?
 
Landbouw en natuur is met 37 procent of ruim 58 miljard euro (jaarlijks bedrag) de grootste slokop van het Europese budget. Op de tweede plaats komt het cohesiebeleid, goed voor 35 procent of ruim 54 miljard euro. Dat regionale beleid is erop gericht om arme landen en regio’s te ontwikkelen. Concurrentiekracht vervolledigt de top 3 en krijgt 14 procent of ruim 21 miljard euro toebedeeld. Dat geld wordt aangewend om op te kunnen tegen landen zoals de VS en China. Europa investeert het budget ook in onderzoek en ontwikkeling.
 
Het overige deel van het geld gaat naar administratie (6% of bijna 10 miljard), extern beleid (6% of 9,5 miljard) en veiligheid en burgerschap (2% of ruim 3 miljard).
 
Waarom krijgt landbouw zo’n groot stuk van de taart?
 
De belangrijkste doelstellingen van het Europees Gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) zijn een billijke levensstandaard voor de landbouwers en een stabiele, veilige en betaalbare voedselvoorziening voor de consument. De Europese instellingen streven drie prioriteiten na: een rendabele voedselproductie, duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en een evenwichtige ontwikkeling van de landelijke gebieden in de EU.
 
Dat 37 procent van de EU-begroting naar het GLB gaat, heeft als reden dat landbouw de enige sector is waar alleen Europees geld naartoe gaat. De lidstaten hoeven dus zelf niets bij te leggen. Voor andere beleidsdomeinen, zoals onderzoek, onderwijs en opleiding, vervoer, defensie, pensioenen en gezondheidszorg, geeft de EU niets of nauwelijks iets uit en berust de verantwoordelijkheid inzake zowel financiering als uitvoering uitsluitend of voor het grootste deel bij de lidstaten.
 
Maar blikken we even terug naar 1985, dan zagen de cijfers er anders uit. Toen ging nog 70 procent van het budget naar landbouw. Tijdens de laatste 20 jaar hebben 13 landen zich aangesloten bij de Unie, het merendeel met een niet onaanzienlijke landbouwsector. Maar het budget voor het GLB is niet gestegen om die extra kosten te dekken. Integendeel, de uitgaven blijven dalen. Voor de komende periode, van 2021 tot 2027, stelt de Commissie bovendien voor om minder dan 30 procent van het Europese budget aan landbouw toe te kennen.
 
Welke impact heeft de brexit op de komende meerjarenbegroting?
 
Door de brexit verliest de EU een rijk land. Het VK betaalde jaarlijks ongeveer 10 miljard euro meer dan het terugkreeg. Over de volledige periode van de begroting komt dat bedrag dus neer op 70 miljard, dat gespendeerd werd aan projecten in de andere 27 lidstaten. Willen die 27 landen hetzelfde bedrag blijven ontvangen als voor de brexit, moet er extra financiering gevonden worden om dat gat te dichten. Maar geen enkel land staat hiervoor te springen. Het enige alternatief is dat er bespaard zal moeten worden of dat er andere inkomstenbronnen moeten worden gevonden.
 
Ondertussen passeerden verschillende voorstellen om het budget te verhogen de revue. Het Europees Parlement pleit voor een verhoging van 1 procent naar 1,3 procent van het BNI. De Commissie is iets voorzichtiger en stelde voor om het budget op te trekken naar 1,11 procent. Charles Michel wil het budget verhogen met 1,074 procent, dat overeen komt met een totaalbudget van 1,094 miljard euro over zeven jaar.
 
Het voorstel van Michel zou voor België een budgettaire impact van 1,2 miljard euro per jaar hebben. Dat heeft premier Sophie Wilmès dinsdag gezegd in de Kamer. Bij 1,3 procent stijgt de Belgische bijdrage tot 2 miljard euro. "België kan een toename van de begroting van de Europese Unie ondersteunen, maar op gematigde wijze", reageerde ze.
 
België hoopt zijn cohesiefondsen (Europees Sociaal Fonds, Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling) te behouden. In het laatste voorstel gaat er meer geld naar de armste regio's, waardoor het statuut van regio in transitie onder druk komt. België pleit voor het behoud van dit statuut.
 
Een andere Belgische prioriteit is het aandeel van de douanerechten die de lidstaten als inningskosten mogen bijhouden in plaats van doorstorten naar de Europese kas. Voor België gaat het om een bedrag van meer dan 2 miljard euro per jaar. Momenteel mogen de lidstaten 20 procent bijhouden, maar de Commissie wil dat aandeel verlagen tot 10 procent. Michel stelt in zijn voorstel 12,5 procent voor.
 
Voor België is dit aspect des te belangrijker in de context van de brexit. Zelfs indien er een handelsakkoord met Londen komt, is ons land omwille van zijn ligging extra kwetsbaar voor de gevolgen van het Britse vertrek uit de Europese douane-unie en eenheidsmarkt. België steunt het voorstel om het Europese globaliseringsfonds uit te breiden, maar het idee van een speciaal brexitfonds lijkt geen terrein te winnen.
 
Voor de fondsen voor onderzoek en ontwikkeling en innovatie houdt de EU rekening met het principe van wetenschappelijke excellentie, wat tal van Belgische bedrijven en universiteiten ook halen. België is dus voor een hogere financiering voor deze programma's en aanvaardt geen aanvallen op het excellentieprincipe, zo stipte Wilmès aan.
 
Nederland, Oostenrijk, Zweden en Denemarken kanten zich tegen een budgetsverhoging, wat hen de bijnaam ‘frugal four’, of de vrekkige vier, heeft opgeleverd. Zij behoren tot de 1%-club en willen niet raken aan het Europese budget. Zij vinden dat een kleinere unie, zonder het VK, het ook met minder geld moet stellen en willen een besparing op uitgaveposten zoals landbouw of steun aan armere regio’s. Ze pleiten voor een verschuiving van de middelen naar onderzoek en ontwikkeling.
 
De vier staan lijnrecht tegenover ‘de vrienden van de cohesie’, zoals een vijftiental Oost- en Zuid-Europese landen genoemd worden. Die laatste kanten zich tegen een besparing op de cohesiefondsen. Frankrijk van zijn kant verzet zich dan weer tegen besparingen op landbouw. President Macron hamert op het belang van een eigen landbouwsector als Europa wil blijven instaan voor zijn eigen voedselbevoorrading. En die sector kan volgens hem alleen overleven met subsidies.
 
Wat brengt het nieuwe GLB?
 
Hoewel de landbouw voor grote uitdagingen staat, zoals de gevolgen van de brexit, de nasleep van de Russische boycot en de toenemende groene eisen en ambities van de Green Deal, ligt een voorstel op tafel om te besparen op het landbouwbudget. Het voorstel van Charles Michel is minder hard dat dat van de Commissie, maar gaat toch om een beknotting van het budget met 45,5 miljard euro. De Europese president wil een plafond instellen van 100.000 euro subsidies voor landbouwbedrijven en ook in de rechtstreekse betalingen aan de landbouwers dreigt er bespaard te worden.
 
Volgens Boerenbond krijgen de boeren drie keer de rekening voorgeschoteld. “Ten eerste wordt het landbouwbudget met 5 procent gekort waarbij de korting voor België volgens onze berekeningen oploopt tot ruim 11 procent”, zegt Vanessa Saenen van Boerenbond. “Ten tweede zullen door de zogenaamde externe convergentie meer middelen van West-Europa naar Oost-Europa worden overgeheveld. En tot slot zal de nieuwe groene architectuur in het GLB veel extra eisen met zich meebrengen zonder extra vergoeding, integendeel. Bovendien zal de Green Deal nog bijkomende kosten veroorzaken die nog niet eens meegerekend werden in deze begroting.”
 
Donderdag belandt de meerjarenbegroting op de tafel van de Europese leiders. Maar een voorafgaand debat onder de ministers van Europese Zaken laat vermoeden dat het bijzonder moeilijk wordt om een deal uit de brand te slepen. Ook premier Wilmès is realistisch. Er zullen volgens haar minstens verlengingen nodig zijn. "Er is ons gezegd om reservekledij mee te brengen." Het zou volgens Wilmès al een goede zaak zijn om tot een "toenadering" in de verschillende standpunten van de lidstaten te komen.
 
Wanneer de regeringsleiders een gemeenschappelijk standpunt zouden bereiken, dan moeten er nog onderhandelingen met het Europees Parlement volgen. De Europarlementsleden hebben er al meermaals mee gedreigd om het licht niet op groen te zetten indien het budget ontoereikend zou blijken.

Bron: Belga / VRT / Eigen verslaggeving

Volg VILT ook via