nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Slimme regelgeving vergroot succes van erosiebestrijding en vogelbeheer"
10.12.2012  Aanbevelingen voor natuurbeleid in landbouwgebied

Afgelopen vrijdag presenteerde het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) zijn Natuurrapport Beleidsevaluatie in het Vlaams Parlement. Zowel Joke Schauvliege als Kris Peeters kregen een exemplaar. In het rapport staan aanbevelingen voor beide excellenties aangezien INBO het natuurbeleid in landbouwgebied evalueerde. “We peilden in het bijzonder naar de beleidsmaatregelen voor broedvogels en naar de maatregelen om erosie tegen te gaan”, vertelt Jurgen Tack, administrateur-generaal van INBO. Een bijsturing van de beheerovereenkomsten voor akker- en weidevogels is wenselijk zodat de inspanningen van landbouwers meer opleveren. Het advies luidt beter doen met de beschikbare middelen en, indien mogelijk, meer mensen en middelen vrijmaken want de doelstelling is nog veraf. Voor erosiebestrijding zit Vlaanderen wel op schema.

Vogelbeheer in landbouwgebied          Op vraag van de Vlaamse Landmaatschappij en het Departement Landbouw en Visserij namen onderzoekers van INBO voor hun evaluatie van het natuurbeleid het landbouw- in plaats van natuurgebied onder de loep. Uiteraard is er meer natuur in landbouwgebied dan vogels alleen, maar voor geen enkel ander dier (of plant) zijn zoveel data beschikbaar. Uit al die gegevens blijkt dat de meeste broedvogelsoorten vechten om te overleven in landbouwgebied. Tussen 1990 en 2002 verdwenen heel wat broedvogels uit landbouwgebied. Daardoor zit de populatie - tot op vandaag - op een laag niveau. “De (kwantitatieve) indicator van het monitoringsnetwerk Algemene Broedvogels Vlaanderen zou tien procent moeten verbeteren tussen de winter van 2007 en 2015. Maar het ziet er naar uit dat we die doelstelling uit het milieubeleidsplan niet gaan halen”, vreest Peter Van Gossum, onderzoeker bij INBO en auteur van het rapport.

PeterVanGossum.INBO.1.jpg“Houtduif, zwarte kraai en kauw doen het beter dan akker- en weidevogels”

Tussen 2007 en 2010 valt er geen significante verandering - lees verbetering - te bespeuren. Niet voor alle broedvogels gaat dat liedje op. De status quo verbergt de vooruitgang van algemene soorten als de houtduif, zwarte kraai en kauw, terwijl akker- en weidevogels nog zeldzamer worden in landbouwgebied. De zwarte kraai is, als predator, gevaarlijk voor de kuikens van (weide-)vogels. Cru gesteld gaan voor de landbouw schadelijke en voor de natuur minder interessante vogelsoorten er op vooruit. En gaan “meer gewenste soorten” zoals graspieper, grutto en tureluur in weiden, en patrijs, veldleeuwerik en grauwe gors op akkers achteruit. Broedvogels worden pas sinds 2007 geteld zodat INBO de resultaten van nieuwe meetjaren wil afwachten alvorens van een significante verandering en negatieve trend te spreken.

akkervogel.gelekwikstaartb_SvenJardinVLM.2.jpgBijkomende data zullen naar alle waarschijnlijkheid bevestigen dat er nog veel werk aan de winkel is voor de verschillende actoren in het buitengebied. Landbouwers leveren zelf inspanningen in het kader van beheerovereenkomsten die ze afsluiten met de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) en waar ze ook een vergoeding voor ontvangen. Sinds 2000 bestaan er maatregelenpakketten die weidevogels ten goede komen. Landbouwers kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen om vogelnesten te beschermen, de maaidatum op weiden uit te stellen of pas later te beweiden met vee. In 2009 zijn landbouwers ook gestart met beheer in functie van akkervogels : leeuwerikvlakjes in graanakkers, graanstoppels niet onderploegen, de randen van een graanakker niet oogsten, enz.

Kan het vogelbeheer beter?          INBO boog zich over de effectiviteit en efficiëntie van deze beheermaatregelen in landbouwgebied. Akkervogelmaatregelen zijn vrij recent geïntroduceerd zodat er meer tijd nodig is alvorens een evaluatie van de resultaten zinvol is. Voor weidevogels lijken de inspanningen hun vruchten af te werpen. “Na één meetjaar zijn er aanwijzingen om aan te nemen dat weidevogelbeheer effectief is. De resultaten van nieuwe meetjaren kunnen dat bevestigen”, zegt Peter Van Gossum.

beheerovereenkomst2.jpgMaar het kan natuurlijk altijd beter, in dit geval meer én beter. Meer kan slaan op extra (financiële) middelen om de doelstellingen te realiseren, maar ook op extra mensen om milieu- en natuurinspanningen bij landbouwers te promoten. Het werk van voorlichters zoals de bedrijfsplanners van VLM of erosiecoördinatoren wordt immers erg positief onthaald. Eén van de suggesties van INBO is om te evolueren naar één voorlichter per landbouwer. Maar dan wel iemand die een landbouwer alle mogelijkheden kan tonen, van beheeroveereenkomsten tot oplossingen van de gemeenten en provincies in de strijd tegen modder- en wateroverlast.

“Kies voor een gerichte aanpak in voldoende én voldoende grote gebieden”

Om met de beschikbare middelen beter te doen, adviseert INBO om het effect van vogelbeheer door landbouwers te vergroten. Dat kan door een aantal eenvoudige vuistregels in acht te nemen. Kies voor een gebiedsgerichte aanpak, luidt de eerste. “Maatregelen worden best geconcentreerd in de gebieden waar ze het meeste kans op succes geven”, verduidelijkt Van Gossum. Het aantal broedparen van de veldleeuwerik is bijvoorbeeld verder afgenomen omdat beheerovereenkomsten voor een beperkt aantal versnipperde percelen eerder beperkte resultaten opleveren. Lokaal is vooruitgang mogelijk door verschillende maatregelen op vijf à tien procent van de oppervlakte in een gebied toe te passen. Door deze gerichte aanpak toe te passen in voldoende gebieden kan op Vlaams niveau resultaat worden geboekt. “Dat vergt mogelijk wel een groter budget”, merkt Van Gossum op.

kievit.akkervogel_SvenJardinVLM.2.jpgVerder vindt INBO het aangewezen om de maatregelen af te stemmen op de doelsoort(en) van een specifiek gebied. Hoewel alle maatregelen een positief effect hebben op de algemene biodiversiteit, zijn ze niet allemaal even efficiënt voor alle soorten. Sommige soorten zoals de grutto, graspieper en patrijs zouden gebaat zijn met uitstel van maaien of begrazen tot in juli, terwijl dat voor de kievit niet nodig is. Daarnaast zijn win-winsituaties niet altijd mogelijk. Zo zal de graspieper beter gedijen in een omgeving waar de grasstroken kort zijn, terwijl de grutto een omgeving verkiest met voldoende hoog en kruidenrijk grasland. “De huidige generatie weidevogelmaatregelen zijn sterk gericht op de grutto en derhalve minder effectief voor de andere vogelsoorten”, weet Van Gossum.

De derde aanbeveling komt tegemoet aan de verzuchtingen van landbouwers: “Schenk klare wijn en streef naar een eenvoudig en logisch beleid.” Dat begint met onduidelijkheden in de wetgeving te verhelpen. “In dat kader verscheen dit jaar een brochure die landbouwers toont hoe zij graslanden natuurgericht kunnen beheren zonder in conflict te komen met de randvoorwaarden voor landbouwsubsidies”, illustreert Peter Van Gossum. Met een uitgebreider pakket beheermaatregelen kan volgens INBO beter ingespeeld worden op de behoeften van elke vogelsoort. Dat kan ook zonder de landbouwers te overladen met nieuwe regeltjes. “Wanneer één voorlichter uit een breed pakket maatregelen diegene kiest en voorstelt die relevant zijn voor een bepaald gebied, dan ervaart de landbouwer dat net als minder complex”, motiveert de INBO-onderzoeker.

beheerovereenkomstc.2.bmpLandbouwers meer geschikte beheermaatregelen aanbieden, is één zaak. Ze overtuigen om voor vijf jaar een beheerovereenkomst af te sluiten, is nog iets anders. De overheid dient met een aantal zaken rekening te houden. Landbouwers zijn producenten. Beheerovereenkomsten die dichter aanleunen bij landbouwproductie, kunnen op meer bijval rekenen. Landbouwers hebben behoefte aan continuïteit in het beleid. En ze willen van bij het ontwerp betrokken worden bij de maatregelen. Dat laatste biedt volgens Van Gossum duidelijke voordelen: de kennis van landbouwers zit vervat in de beheerovereenkomst en zij zullen eerder geneigd zijn om de overeenkomst te promoten bij collega’s.

“Afweging maken van vrijheid, verplichting en maatschappelijke kost”

Meer controversieel is de discussie over vrijwillige inspanningen versus verplichtingen. “Probeer altijd eerst met vrijwillige maatregelen de doelstelling te bereiken. Levert dat na enkele jaren onvoldoende resultaten op, dan maakt de overheid best de afweging of het niet tijd is om meer dwingende instrumenten in te zetten”, vat de INBO-onderzoeker het advies aan de beleidsmakers samen. In het kader van het erosiebeleid is die oefening momenteel volop bezig. Voor akker- en weidevogels zou de meest dwingende maatregel neerkomen op de aankoop van landbouwgrond voor de inrichting van een reservaat.

akkervogel.geelgors_HansRoosenVLM.1.jpg“Stel, de overheid is dankzij de inspanningen van vele landbouwers dicht bij de doelstelling voor akker- of weidevogels. Zijn er andere landbouwers binnen het gebied die de beheerovereenkomsten niet zien zitten, dan kan de overheid beslissen om gronden aan te kopen. Bij voorkeur de gronden van landbouwers uit die laatste groep, en liefst van een stoppende landbouwer zonder opvolger, want wie meewerkte, verdient meer rechtszekerheid.” Het is aan de overheid om dit debat over rechten, plichten en keuzevrijheid te voeren. En rekening te houden met de tijd waarbinnen zij de doelstelling wil bereiken.

Erosiebestrijding          Behalve de broedvogels in landbouwgebied zoomt het beleidsrapport ook in op maatregelen om bodemerosie tegen te gaan. Op het eerste gezicht heeft dat weinig met biodiversiteit te maken, maar schijn bedriegt. Grasgangen, grasbufferstroken en groenbedekkers bieden voedsel, schuil- en nestplaatsen aan vogels. Zelfs het waterleven heeft baat bij erosiebestrijding want erosie brengt sediment in het water en tegelijk ook nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. “Bovendien dragen erosiebestrijdingsmaatregelen bij aan een stabielere bovenste bodemlaag, wat goed is voor organismen zoals regenwormen”, weet Van Gossum. Door de gangen die zij graven, stroomt er minder water van de helling, wat op zijn beurt bodemerosie vermindert.

erosie1.jpgVlaanderen zit op schema en de doelstellingen voor erosiebestrijding worden naar alle waarschijnlijkheid bereikt. Het beleidssucces is te danken aan een groot aantal beheerovereenkomsten voor erosiebestrijding, de inspanningen van gemeentelijke erosiecoördinatoren en een eenvoudige procedure voor gemeentelijke erosiebestrijdingswerken. “Maar de strijd tegen erosie is nog niet gewonnen”, tempert de INBO-onderzoeker. “Als de erosiebeleidsindicator tegen 2014 effectief ‘14’ aanduidt, dan is 14 procent van de voornaamste erosieproblemen in Vlaanderen opgelost. Aan dat tempo hebben we nog bijna 80 jaar werk.” De overheid moet zich met andere woorden afvragen of we wel zoveel tijd hebben, gelet op de maatschappelijke kost van erosie.

De tweede parameter waaraan het erosiebeleid afgemeten wordt, ziet er rooskleuriger uit. Tegen 2015 moet 50 procent van de (zeer) sterk erosiegevoelige percelen permanent bedekt zijn met landbouwgewassen of natuurlijke vegetatie. In 2011 staat de teller al op een keurige 48 procent. Het streefdoel permanente bodembedekking in de toekomst verder opschroeven, is niet per se noodzakelijk want er zijn nog andere goede oplossingen voor het erosieprobleem. Toch een kleine kanttekening: landbouwers kiezen nog vaak voor een erosiegevoelige teelt als aardappelen of maïs op erosiegevoelige percelen.

Voorkomen is beter dan genezen en dat geldt ook voor modderstromen. “Toch is een combinatie nodig van maatregelen op het perceel en opvang van sediment onderaan het perceel”, merkt Van Gossum op. “De overheid dient immers rekening te houden met het draagvlak voor de verschillende maatregelen. Voor niet-kerende grondbewerking moet de landbouwer investeren in een nieuw werktuig en het vertrouwde ploegen achterwege laten. Hij is dan misschien eerder geneigd om onderaan de helling een grasbufferstrook aan te leggen.”

erosie1.jpgTerwijl erosie ook onderaan het perceel aangepakt kan worden, is dat niet het geval voor bodemverdichting en bodemvruchtbaarheid. In een steekproef van 17 percelen kampten 12 percelen met een (zeer) hoge verdichting op 40 cm diepte. Ook het koolstofgehalte in de bodem is op veel akkers en weiden niet optimaal. Dit heeft een negatieve invloed op de gewasopbrengst en werkt bodemerosie in de hand. Daarom breekt INBO een lans voor een uitbreiding van de overheidssteun naar teelttechnieken die een gunstige invloed hebben op de bodemvruchtbaarheid en -verdichting. Het Mestdecreet durft het toedienen van extra organische stof (via stalmest of compost, nvdr.) dwarsbomen, wat INBO doet vragen om een wettelijke uitzondering. “De voordelen van de uitzondering moeten wel afgewogen worden tegen de mogelijk bijkomende waterverontreiniging met nutriënten.” Een derde en laatste aanbeveling voor het erosiebeleid gaat over de ‘gewasspecifieke maatregelen’ wanneer niet-kerende bodembewerking minder geschikt is. Op aardappelpercelen zou de overheid bijvoorbeeld beter aarden drempels tussen de aardappelruggen promoten.

Algemene aanbevelingen          Of het nu om erosiebestrijding of vogelbescherming gaat, beheerovereenkomsten kunnen maar succesvol zijn als er voldoende participatie is van landbouwers. INBO beseft dat het cruciaal is om het beleid af te stemmen op de mogelijkheden van de landbouwers. De financiële vergoeding is een eerste, belangrijke motivatie voor een landbouwer om zich te engageren. Ook aan rechtszekerheid hechten landbouwers veel belang. “Na het beëindigen van de beheerovereenkomst wil een landbouwer soms terugkeren naar de begintoestand. Dat lukt niet altijd, bijvoorbeeld omdat voor het verwijderen van een poel een stedenbouwkundige vergunning nodig is”, schetst Van Gossum het probleem. Een correct statuut voor ‘tijdelijke natuur’ dringt zich volgens INBO op. “Communiceer als overheid duidelijk en op voorhand welke natuur tijdelijk is, en welke permanent omdat anders de doelstellingen van de beheerovereenkomst niet bereikt worden.”

Meer info: INBO Natuurrapport Beleidsevaluatie 2012

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: VILT/VLM (Sven Jardin & Hans Roosen)

Volg VILT ook via