nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

05.09.2012 Elk systeem van braadkippenhuisvesting heeft minpunten

In opdracht van het Nederlandse productschap Pluimvee heeft Wageningen Universiteit verschillende huisvestingssystemen van braadkippen vergeleken op duurzaamheidsaspecten zoals voedselveiligheid, milieu, dierenwelzijn en profijt voor de pluimveehouder. Uit het onderzoek blijkt dat geen enkele huisvesting (gangbaar, biologisch en alle varianten daartussen) op alle aspecten tegelijkertijd beter is dan alle andere systemen.

De maatschappij heeft steeds meer aandacht voor hoe dieren worden gehouden. Men wil dat voedsel op een verantwoorde manier is geproduceerd. Daarbij zijn diverse aspecten van belang, zoals het milieu en het welzijn van de dieren, maar ook de veiligheid van het product. Het rapport van Wageningen Universiteit velt geen waardeoordeel over de diverse productiesystemen voor de braadkippenhouderij, maar verschaft inzicht in de diverse aspecten die te maken hebben met de verantwoorde productie van pluimveevlees.

Reguliere vleeskippen bereiken in circa 40 dagen een gemiddeld gewicht van 2,2 kilo. Ze worden gehouden in strooiselstallen en starten met een bezetting van circa 20 tot 24 kuikens per vierkante meter. Biologische kippen worden minimaal 70 dagen opgefokt en hebben dan een gemiddeld gewicht van 2,6 kilo. Biologische kippen worden eveneens in strooiselstallen gehouden, waarbij de bezetting bij de start circa 8 tot 10 kuikens per vierkante meter bedraagt en er een buitenloop is. Naast de reguliere en biologische productiewijze van vleeskippen zijn er in Nederland een aantal productiewijzen die wat betreft eisen aan huisvesting, voeding en verzorging tussen beide in staan.

Op het vlak van diergezondheid zijn de verschillen gering. Bij de alternatieve systemen is het antibioticumgebruik lager. Qua dierenwelzijn scoren kippen uit de alternatieve systemen beter op loopvermogen en weerstand tegen hittestress, maar biologische braadkippen hebben dan weer vaker last van hakdermatitis dan de reguliere en scharrelkippen die binnen worden gehouden.

Voor de volksgezondheid geven kippen met buitenloop een minimaal hoger risico op het ontstaan van vogelgriep dan binnen gehouden kuikens. Voor schadelijke stoffen in het vlees zijn er geen significante verschillen tussen de systemen. Wat betreft microbiologische contaminatie blijken filets uit de reguliere en biologische productie even vaak positief te zijn voor ESBL, maar de aantallen kiemen zijn lager op biologische filets.

Gepubliceerde gegevens over MRSA zijn minder recent. In 2008 en 2009 kwam op reguliere kipfilet vaker MRSA voor dan op biologische. Salmonella komt in gelijke mate voor bij regulier gehouden kippen en scharrelkippen met binnenhuisvesting. In de biopluimveehouderij komen iets minder Salmonella-positieve koppels voor. Campylobacter komt het minst voor bij reguliere koppels, terwijl in de biologische pluimveehouderij en bij scharrelhuisvesting met buitenloop het merendeel van de koppels positief test voor Campylobacter.

Voor het milieu zijn biologische en andere alternatieve systemen beter wanneer dat bekeken wordt per dierplaats, maar per kilo pluimveevlees stoten ze meer ammoniak, geur en fijn stof uit dan de gangbare braadkippenhouderij. De alternatieve systemen hebben per kilo pluimveevlees een hoger verbruik aan energie, vooral vanwege verwarming en een hoger voederverbruik.

Finaal ligt de ‘carbon footprint’ per kilo pluimveevlees bij de alternatieve systemen hoger dan bij de reguliere. Vanwege het hogere voederverbruik en in geringere mate door de bezettingsgraad en uitloop is voor alternatieve systemen meer grondoppervlakte per eenheid product nodig dan voor reguliere systemen.

De productiekosten van de alternatieve systemen zijn hoger dan die voor reguliere braadkippen. Dat is te wijten aan de lagere bezettingsgraad van de gebouwen en het hogere voederverbruik. De ketenefficiëntie ligt bij de alternatieve systemen lager dan bij de reguliere, deels door verschillen in slachtrendement, deels door het niet realiseren van meerwaarde op alle vleesdelen, deels door schaaleffecten.

Meer info: Vergelijkende WUR-studie vleeskuikenproductiesystemen

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via