nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Boer, plattelandsbewoner en milieu varen wel bij PDPO II"
21.02.2011  Ellen Maertens (AMS) en Bart Van Herck (IDEA Consult)

De tweede pijler van het Europees landbouwbeleid is gericht op de verdere modernisering van een meer milieuvriendelijke landbouw, de bescherming van milieu en biodiversiteit en de leefbaarheid en samenhang op het platteland. In 2010 liet het beleidsdomein Landbouw en Visserij een tussentijdse evaluatie uitvoeren van het Vlaams Programmadocument voor Plattelandsontwikkeling (PDPO). “Budgettair zit het programma goed op schema”, zegt Ellen Maertens, beleidsadviseur van de afdeling Monitoring en Studie. “De Vlaamse en Europese middelen voor plattelandsontwikkeling resulteerden in een meer competitieve landbouw, een lager energie- en waterverbruik, duidelijke milieuvoordelen en een levendiger platteland”, vult extern evaluator Bart Van Herck van IDEA Consult aan.

Waarover gaat het Vlaams Programmadocument voor Plattelandsontwikkeling (PDPO) in grote lijnen?
Ellen Maertens: Het PDPO mag je beschouwen als de Vlaamse invulling van het Europees plattelandsbeleid dat streeft naar een evenwichtige en toekomstgerichte plattelandsontwikkeling. Daarmee bevinden we ons in pijler twee van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, die een aanvulling is op pijler één, de rechtstreeks inkomenssteun aan boeren. PDPO II heeft de doelstellingen opgedeeld in vier assen: verbetering van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector (60% van de Europese en Vlaamse financiering), verbetering van het milieu en het platteland (25%), betere voorzieningen op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie (10%) en as vier die we kennen als ‘Leader’, dat is de gebiedsgerichte werking die vooral gericht is op innovatie en 5 procent van de middelen ontvangt. Het beleidsdomein Landbouw en Visserij en de Vlaamse Landmaatschappij zijn de belangrijkste beheerders die waken over de uitvoering van het PDPO.

Wie financiert het PDPO?
Bart Van Herck: Het budget voor plattelandsontwikkeling wordt bijeen gebracht door cofinanciering, zowel met Europees als Vlaams geld dus. Al is het wel Vlaanderen die optreedt als geldschieter naar de begunstigde toe. Het totale budget bedraagt meer dan 754 miljoen euro voor de volledige periode van het PDPO II (van 2007 tot 2013). Daarmee wordt onder meer het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, beter gekend als VLIF, gefinancierd. Ook krijgen landbouwers een vergoeding voor de inspanningen die kaderen binnen de agromilieumaatregelen. Men tracht bovendien de werkgelegenheid op het platteland te ondersteunen door te mikken op jobs in sectoren als toerisme en diensten. Met Leader wil de EU vernieuwende experimenten voor plattelandsontwikkeling een kans geven, waarbij Vlaanderen zich specifiek richt op plattelandseconomie en -voorzieningen. Het plattelandsbeleid kijkt dus veel breder dan enkel de ontwikkeling van de land- en tuinbouwsector.

Kunnen de huidige betalingen volgehouden worden?
Bart Van Herck: Van een budgetoverschrijding zou pas sprake kunnen zijn na afloop van de zevenjarige periode. Maar na drie jaar zitten we perfect op schema met 40 procent van de middelen die reeds uitgegeven zijn. Natuurlijk zit niet elke maatregel aan precies drie zevende van zijn uitgaven, maar dat vergt hooguit kleine initiatieven opdat na zeven jaar zacht geland wordt. Die tussentijdse afrekening is met andere woorden een signaal dat het ritme van de (uitgaven voor de) maatregelen aangeeft. Dat laat toe om voorzichtigheid in te bouwen of net een tandje bij te steken. Uit de verlaging van de investeringssteun voor zonnepanelen en de oproep aan agrovoedingsbedrijven om steun te vragen voor investeringen die kaderen binnen het innovatief en duurzaam omgaan met natuurlijke hulpbronnen, merk je dat voortdurend afgeremd of gepusht wordt.

Komt het plattelandsbeleid de boer zelf nog ten goede?
Ellen Maertens: Landbouwers zijn ontegensprekelijk de voornaamste begunstigden van het plattelandsbeleid. Wanneer je de 300 miljoen euro investeringssteun, 160 miljoen euro voor agromilieumaatregelen en 50 miljoen euro vestigingssteun voor jonge boeren optelt, dan merk je dat bijna 70 procent van het plattelandsbudget (754 miljoen euro) voor de ondersteuning van landbouwers wordt gereserveerd.

Bart Van Herck: Het zijn ook landbouwers die de finale begunstigden zijn van de 38 miljoen euro die uitgetrokken wordt voor landbouwopleidingen en van de 19 miljoen euro voor bedrijfsadvies. Vlaanderen heeft met andere woorden duidelijk gekozen voor het competitief houden van de landbouwbedrijven, zij het vanuit een breed en duurzaam perspectief.

Wat wordt bekeken in de tussentijdse evaluatie van het PDPO II?
Ellen Maertens: De mid term evaluatie bestaat uit twee grote luiken. Enerzijds wordt de uitvoering van de maatregelen nagegaan. Hoe ver is de maatregel halfweg de rit al gevorderd wat het budget en het aantal projecten betreft? Bereiken we de doelgroep? Zit de kwaliteit van de projecten goed? Hoe verloopt de toepassing van de maatregelen op het terrein? Anderzijds gebeurt een evaluatie van de impact om na te gaan of de vooropgestelde beleidseffecten gerealiseerd werden. De uitvoering van de maatregelen wordt ook opgevolgd in de jaarverslagen zodat vooral het tweede luik een grote meerwaarde betekent.

Bart Van Herck: IDEA Consult stond in voor de coördinatie van de evaluatie waarvoor de afdeling Monitoring en Studie van het Departement Landbouw en Visserij de opdracht gaf. De Universiteit Gent deed de landbouweconomische analyse en het milieuadviesbureau Antea onderzocht de impact op het milieu. Des te beter het voorbereidend werk van de administratie, des te grondiger kunnen wij het beleid evalueren en de milieueffecten in kaart brengen. Op dat vlak hebben wij de vruchten kunnen plukken van de inspanningen van de Vlaamse landbouwadministratie. Het typeert de open houding van Vlaanderen om het eigen beleid grondig te durven evalueren.

Ellen Maertens: We doen dat niet om de beste leerling van de Europese klas te wezen, maar om zelf waardevolle lessen te kunnen trekken uit zo’n evaluatie. Wat niet wegneemt dat onze methode de interesse heeft gewekt van de Europese Unie zodat we die mogen toelichten op een forum.

Kan men in zes jaar tijd met plattelandsbeleid iets significants verwezenlijken op het vlak van natuur, milieu en landschap?
Bart Van Herck: PDPO II is een voortzetting van het Vlaams plattelandsbeleid dat tussen 2000 en 2007 gevoerd werd. Er zit dus continuïteit in de plattelandsontwikkeling die wordt nagestreefd. Wel legt de EU in vergelijking met de vorige programmaperiode enkele nieuwe accenten die een vertaling zijn van nieuwe maatschappelijke verwachtingen omtrent dierenwelzijn, voedselkwaliteit, arbeidsveiligheid, enz.

Ellen Maertens: De agromilieumaatregel groenbedekking is één van de uitzonderingen en bestaat niet meer in PDPO II. Groenbedekking wordt inmiddels beschouwd als een goede landbouwpraktijk. Door het zaaien van groenbemesters als stoppelgewas tijdelijk te subsidiëren, zijn landbouwers overtuigd geraakt van de voordelen. Bij de evaluatie van het PDPO I gaf 69 procent van de boeren aan dat zij groenbemesters na de hoofdteelt zullen zaaien, ook zonder de subsidie van 50 euro per hectare. Dat wordt bevestigd in deze tussentijdse evaluatie en in de verzamelaanvragen van de landbouwers. Daarom kiezen we ervoor om landbouwers financieel te ondersteunen bij inspanningen die voor het ogenblik minder goed passen in hun bedrijfsvoering zoals het telen van vlinderbloemigen of het toepassen van de maatregel verwarringstechniek bij pitfruit.

Welke positieve effecten mag het PDPO II na drie jaar op zijn conto schrijven?
Bart Van Herck: De investeringssteun van het VLIF heeft een aantoonbare impact op de competitiviteit in de landbouw. Bij investeringen in diversificatie zoals energie-investeringen is dit goed aantoonbaar. Voor elke euro steun voor investeringen stijgt de omzet met bijna twee euro. Voor elke euro steun voor investeringen in diversificatie stijgt de omzet met bijna twee euro. Bovendien zorgen de PDPO-investeringen voor het behoud van tewerkstelling en toegevoegde waarde in aanverwante sectoren.

Ellen Maertens: De milieugerichte VLIF-investeringen hebben een duidelijk positieve invloed op het milieu in Vlaanderen. De steun die landbouwers genoten voor hun investeringen in het duurzaam gebruik van materialen en grondstoffen, resulteerde tussen 2007 en midden 2010 in een vermeden energieverbruik van 609 GWh of 7,5 procent van het totale energieverbruik van de Vlaamse land- en tuinbouwsector. Er werd ook 993.000 m³ leidingwater uitgespaard, dat is 1,5 procent van het totale waterverbruik in 2006.

Bart Van Herck: Alle agromilieumaatregelen samen zorgden voor een significante verbetering van het milieu. Concreet gaat het om een vermeden stikstofinput van 5,3 procent van de totale Vlaamse dierlijke mestinput in 2007, van 4,7 procent in 2008 en 3,3 procent in 2009. De daling is voornamelijk het gevolg van het uitdoven van de maatregel groenbedekking. Wanneer zeven op de 10 landbouwers ook na het verdwijnen van de subsidie nog groenbemesters zaaien, dan is het milieuvoordeel in werkelijkheid nog aanwezig, alleen mogen we het bij de evaluatie van het PDPO II niet meer meetellen. Naast de uitdovende agromilieumaatregel groenbedekking wordt de grootste stikstofbesparing gerealiseerd door de maatregelen BO Water en teelt van vlinderbloemigen.

Ellen Maertens: PDPO II zorgt vermoedelijk ook voor een verbetering van de natuurlijke en biologische kwaliteit, vertaald in de criteria akker- en weidevogelpopulaties en de oppervlakte ‘High Nature Value Farmland’. De positieve impact op akker- en weidevogels is de voorlopige conclusie In de studie die we lieten uitvoeren door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) wordt een positieve impact waargenomen op akker- en weidevogels. Pas wanneer er een tweede meting gebeurt om mee te vergelijken, hebben we meer zekerheid omtrent de licht positieve statistische correlaties. Dat agromilieumaatregelen voor 60 tot 70 procent in landbouwgebieden met een hoge natuurwaarde worden ingezet, is een positief signaal naar Europa. Het toont aan dat Vlaanderen zijn inspanningen focust op gebieden waar natuurwaarden nog in belangrijke mate aanwezig zijn zoals ankerplaatsen en relictgebieden.

Bart Van Herck: In het rijtje van realisaties past ook het vermeden bodemverlies van circa 124.000 ton, wat 6,8 procent is van de totale geschatte bodemerosie. Dankzij VLIF-investeringen realiseerden de Vlaamse land- en tuinbouwers tussen 2007 en medio 2010 een vermeden ammoniakemissie van 1,6 procent, een vermeden broeikasgasemissie van 5,6 procent van de totale uitstoot en produceerden zij 0,7 procent van hun totale energieverbruik aan hernieuwbare energie.

Plattelandsgemeenten vragen al enkele jaren meer steun omdat zij fiscaal armer zijn dan andere gemeenten en hogere kosten hebben. Kunnen zij gebruik maken van PDPO-financiering?
Bart Van Herck: Plattelandsbeleid speelt zich af in het buitengebied en is dus zeker ook voor hen bedoeld. As 3 (leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie) en as 4 (Leader) hebben immers gemeenschapsvoorzieningen op het oog. Gemeentebesturen maken daar gretig gebruik van want 30 procent van de indieners in as 3 is een gemeente en in as 4 loopt dat zelfs op tot 40 procent. Het PDPO is geen oplossing voor de structurele financiële noden van een plattelandsgemeente, maar het kan kleinschalige initiatieven helpen tot stand komen om de gemeenschapsstructuur in plattelandsdorpjes te behouden. Door culturele en sociale infrastructuur te ondersteunen, probeert het plattelandsbeleid het doodbloeden van landelijke dorpen door het wegtrekken van jonge mensen te vermijden.

Wat mogen we deze programmaperiode nog van het plattelandsbeleid verwachten? En na 2013?
Bart Van Herck: Medio 2010 was 40 procent van het budget uitgegeven zodat je zou kunnen veronderstellen dat de komende drie jaar nog 60 procent van de doelstellingen gerealiseerd gaat worden. Al hou je dan geen rekening met de niet lineaire effecten van maatregelen die uitdoven, van Leader-projecten die pas na een opstartfase van twee jaar operationeel worden of van maatregelen die nog in de pijplijn zitten zoals agroforestry (mengteelt van landbouwgewassen en bomen, nvdr.). Van de Leader-projecten die werken rond plattelandsvoorzieningen en diversificatie van de plattelandseconomie moeten we het beste nog zien nu de partners de verkenningsfase voorbij zijn. Ik verwacht dus nog meer resultaten inzake basisvoorzieningen en dorpskernvernieuwing, een lichtjes gestegen tewerkstelling op het platteland en meer voorbeelden van samenwerking als gevolg van de partnerschappen tussen de plattelandsactoren in het kader van de Leader-groepen.

Ellen Maertens: Voor de periode na 2013 zal de EU 2020-strategie ongetwijfeld een belangrijke rol gaan spelen in de prioriteiten van het Europees plattelandsbeleid. We verwachten dat de lidstaten een kaderregeling, een soort ‘menukaart’, aangeboden krijgen waaruit zij maatregelen kunnen kiezen die voor het eigen platteland belangrijk zijn. Welke flexibiliteit de lidstaten zullen genieten, is nog onduidelijk.

Bart Van Herck: Het is moeilijk om ons uit te spreken over de periode na 2013 omdat de begrotingsbesprekingen en de gevolgen daarvan voor het Europees landbouwbudget een grote invloed zullen hebben op het plattelandsbeleid dat na die datum gevoerd wordt. Ik durf wel al pleiten voor het bundelen van kennis en middelen in functie van een gemeenschappelijke ambitie voor het Vlaamse platteland. De bestaande samenwerking tussen de verschillende bestuursniveaus dient verder te worden verruimd. Nieuwe ideeën rond plattelandsontwikkeling – zoals de wederzijdse afhankelijkheid en interactie tussen stad en platteland – zouden een sterke vertaling kunnen krijgen in het PDPO.

Meer info: Mid term evaluatie PDPO II

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via