nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Landbouwonderwijs is er niet alleen voor boerenzonen"
26.04.2010  Erik De Bou - Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs

In september onderging het secundair land- en tuinbouwonderwijs een vrij ingrijpende hervorming. De eerste lichting leerlingen van het nieuwe systeem heeft nog één trimester voor de boeg. Daarna schuiven zij – en met hen de vernieuwingen – door naar het vierde middelbaar. We vroegen aan Erik De Bou, de man die in overleg met alle betrokkenen de nieuwe leerplannen uittekende, of het land- en tuinbouwonderwijs nu beter gewapend is voor de toekomst.

Is het landbouwonderwijs nog populair bij jongeren?
Erik De Bou: Dat valt mee. In het vrije net zijn ongeveer 4000 leerlingen in het land- of tuinbouwonderwijs ingeschreven. Dat is een toename met 30 procent tegenover tien jaar geleden. Eerlijkheidshalve moet ik wel er wel bijzeggen dat die groei voornamelijk aan de studierichting dierenzorg te danken is. De tijd dat het landbouwonderwijs er alleen voor boerenzonen was, is al lang voorbij. Maar mogen we dat populair noemen? Met de hervorming hopen we in ieder geval nog meer leerlingen aan te trekken. Dat is een van de redenen waarom we ons studiegebied hebben verbreed, zoals eerder ook de opleiding landbouwingenieur tot bio-ingenieur is uitgebouwd.

Wat was uw rol bij de hervorming?
Volgens mijn functiebeschrijving ben ik studiegebiedverantwoordelijke en pedagogisch begeleider land- en tuinbouw van het vrij secundair onderwijsnet, het VVKSO. Het eerste luik houdt in dat ik onder andere na overleg met de sector en in samenspraak met de pedagogische werkgroep en de scholen de leerplannen bijstuur. Het tweede dat ik op het terrein opvolg hoe de leerkrachten die plannen naar de praktijk vertalen. In de meeste andere studiegebieden zijn dat twee aparte functies, maar omdat het maar over 16 scholen gaat, combineer ik ze. Mijn voorganger is daarmee gestart en drie jaar geleden heb ik zijn taken overgenomen. Officieel praat ik dus alleen voor het vrij onderwijs, maar zeker in het studiegebied landbouw spelen wij een voortrekkersrol.

Wat is er allemaal veranderd en waarom was dat nodig?
We hebben onze opleidingen vernieuwd en verruimd. De aanpassingen sluiten ook aan bij de actuele onderwijsvisies: leerlingen starten bijvoorbeeld met een flexibele algemene vorming die daarna specifieker wordt. De leerlingen kiezen dus later hun specialisatie, maar krijgen ook daarvoor al heel wat praktijk. In de eerste graad wordt eigenlijk hetzelfde leerplan gevolgd als in alle andere studierichtingen, aangevuld met 5 lesuren agro- en biotechniek. Vanaf het derde jaar kun je in het TSO kiezen voor Plant, dier en milieutechnieken of voor Biotechnische wetenschappen. De laatste twee jaar bestaat de keuze volgens het advies van de Vlaams Onderwijsraad (VLOR) uit Diertechnische wetenschappen, Planttechnische wetenschappen, Natuur- en groentechnische wetenschappen en Biotechnische wetenschappen. In het BSO bestaat het aanbod in de tweede graad voortaan uit de richting Plant, dier en milieu, en de richting Paardrijden en –verzorging. Daarna kunnen de leerlingen kiezen voor de BSO-richtingen Dierenzorg, Landbouw, Tuinbouw en groenvoorziening, Paardrijden en –verzorging, en Groendecoratie.

Dat zijn veel nieuwe namen, maar is er ook aan de leerstof veel gewijzigd?
Toch wel. Ook de kennis, vaardigheden en attitudes die de leerlingen moeten opbouwen, zijn grondig bijgestuurd. De eigenlijke leerinhouden leggen we in een leerplan niet vast: het is aan de leerkrachten, die daarvoor meer dan vakbekwaam genoeg zijn, om in te vullen hoe ze iets willen aanleren. Zo moeten leerlingen in de richting Dier deskundig leren voederen en moeten bepaalde toepassingsgebieden –zoals herkauwers, gevogelte, enz. - aan bod komen. Wel, de leerkracht bepaalt zelf of hij daarvoor een kip, een varken of een nijlpaard gebruikt en hoeveel theorie en praktijk daarvoor nodig zijn. Om zo weinig mogelijk overlappingen te hebben met andere vakken, zal hij daarvoor goed moeten overleggen met de andere leerkrachten. De leerlingen merken veel minder van de hervorming omdat ze het oude systeem nooit hebben gekend.

Was de kloof tussen wat scholen aanleerden en de praktijk in de sector te groot geworden?
Dat gevaar bestond wel. Algemeen geldt dat een leerplan ongeveer tien jaar meegaat. Het land- en tuinbouwonderwijs moet mee evolueren met de sector. Dat is een van de redenen waarom we in een leerplan alleen krijtlijnen vastleggen. De scholen hebben zelf de vrijheid en de verantwoordelijkheid om de rest zo verstandig mogelijk in te kleuren. Ze kunnen daarbij op veranderingen in de sector inspelen, maar evengoed regionale verschillen accentueren. Leerlingen Tuinbouw uit Poperinge zullen andere interesses hebben dan hun collega’s uit Sint-Truiden. Het is ook een taak van de scholen om ervoor te zorgen dat de lesinhoud niet te ver van de praktijk afwijkt. Momenteel is iedereen volop cursussen aan het uitwerken die afgestemd zijn op de nieuwe leerplannen en ik heb daar het volste vertrouwen in.

Is er wel vraag naar de vele afgestudeerden uit de richting Dierenzorg of Diertechnische wetenschappen?
Ik denk dat de leerlingen uit alle richtingen voldoende mogelijkheden hebben. We richten ons bewust niet alleen op de klassieke land- en tuinbouw, maar ook op aanpalende sectoren zoals de voederindustrie, dierentuinen, voederbedrijven enzovoort. School is maar deels arbeidsmarktgericht, het gaat ook om algemene vorming en doorstroommogelijkheden. Het studiegebied land- en tuinbouw biedt boeiende materie om competenties op te bouwen, waaraan leerlingen ook in andere situaties iets hebben. Een van de voordelen van het hervormde systeem is dat het meer flexibiliteit biedt voor de leerlingen. Ze krijgen eerst een algemenere, transferabele vorming, zodat ze kunnen kijken waar hun interesse ligt. Maar wie dat wil, kan vanaf de derde graad nog altijd kiezen voor een concrete BSO-richting zoals Landbouw.

Worden de leerlingen voldoende gestimuleerd om verder te studeren?
Naar mijn aanvoelen wel. De ene richting is natuurlijk de andere niet, maar sinds de hervorming moeten de leerlingen vanaf de tweede graad ook een bredere kijk hebben, waardoor ze sneller geneigd zullen zijn om verder te studeren. Ik heb geen cijfers over hoeveel procent hogere studies aanvat, maar ik vermoed dat dit in het TSO zeker meer dan de helft is. Ook positief is dat het zevende jaar TSO vanaf 2012 omgevormd wordt naar Se-n-Se (Secundair na secundair). Daardoor kunnen flexibeler opleidingen worden georganiseerd, die bijvoorbeeld maar een half jaar duren en waarvoor nauw met bedrijven kan worden samengewerkt.

Is het tot slot nog mogelijk om als middelbare school leerlingen voldoende voor te bereiden op het uitbaten van een modern landbouwbedrijf?
Ik zie op dat vlak geen probleem. Bij een opgroeiende jongere spelen zo veel factoren een rol: motivatie, interesse, familiale achtergrond, en noem maar op. Sommige leerlingen zullen na hun stage voldoende bekwaam zijn om een eigen bedrijf te leiden, andere niet. Ik denk dat zowel leerlingen uit het BSO als uit het TSO klaar kunnen zijn om op een bedrijf mee te draaien. Het is zeker een goed idee om verder te studeren, maar anderen kunnen gerust de stap naar een eigen bedrijf zetten, eventueel nadat ze een paar jaar praktijkervaring hebben opgedaan. Alle leerlingen worden opgeleid om een bedrijf te kunnen leiden dat met levende materie werkt. Ze kunnen een bedrijfseconomische boekhouding lezen en hebben voldoende bagage om hun eigen weg te gaan.

Bron: Jansen & Janssen

Volg VILT ook via