nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Vertrouwen is sleutel tot milieuresultaten"
20.04.2009  Hilde Crevits - minister van Leefmilieu

Weinig politieke excellenties hebben zo’n omvattend hoederecht over de Vlaamse land- en tuinbouwsector als de minister van Leefmilieu. We stelden aan Hilde Crevits vragen over onder meer de derogatie, het nitraatresidu, de wildschade, de beheerovereenkomsten en de inplanting van biogasinstallaties. In ruil mag ze de boeren punten geven voor de geleverde milieu-inspanningen van de voorbije jaren.

De oppervlakte onder derogatie is vorig jaar ruimschoots gehalveerd. Is dat voor u een probleem?
Hilde Crevits: Twee jaar geleden verkregen 10.500 landbouwbedrijven afwijkende bemestingsnormen voor een oppervlakte van in totaal 186.000 hectare. Vorig jaar waren dat nog 3.500 bedrijven en een areaal van 84.500 hectare. Het is duidelijk dat veel boeren het eerste jaar eens wilden proeven van de nieuwe maatregel, maar tot de vaststelling zijn gekomen dat de randvoorwaarden vrij complex zijn. Je moet de derogatie zien als een kans om onder strikte condities meer dierlijke mest te gebruiken voor gewassen met een lange groeiperiode of met hoge stikstofopname.

Hoe is het dit jaar gesteld met de populariteit van de derogatie?
De Mestbank heeft 3.800 aanvragen binnengekregen. Uit een eerste analyse blijkt dat slechts 435 bedrijven die vorig jaar een derogatie hadden in 2009 geen aanvraag meer indienden, terwijl er 840 nieuwkomers zijn. Hoewel we nog moeten wachten op de gegevens uit de verzamelaanvraag mogen we nu al concluderen dat de interesse voor de derogatie lichtjes toeneemt. En dat is toch niet zo evident aangezien de mestdruk de jongste jaren gedaald is. Dat merken we zowel aan de nitraatresidu’s als de waterkwaliteit. Tot eind januari werden slechts op 32 procent van de MAP-meetpunten één of meerdere overschrijdingen van de nitraatnorm vastgesteld. Dat stemt me hoopvol.

Zullen alle knelpunten in het dossier van het nitraatresidu opgelost zijn met de kwijtschelding van mestboetes? Straks zal allicht blijken dat de verschillende staalnamen op hetzelfde perceel nog altijd tot verschillend resultaten leiden.
Het is de bedoeling dat de staalnemers dat gaan ondervangen door voldoende steken te nemen per hectare, en bijvoorbeeld niet op de plaats waar de koeien komen drinken. Ik wil vooral benadrukken dat de bepaling van het nitraatresidu de hoeksteen blijft van ons sensibiliserend mestbeleid. Nog deze maand zal het verbeterde compendium van de staalneming en analyse klaar zijn, waardoor een staal voortaan uniforme resultaten moet opleveren in de verschillende labo’s. Dit jaar komt er ook nog een nieuwe norm voor het nitraatresidu, en die zal onverkort toegepast worden. Ik ben er trouwens van overtuigd dat we met ons beleid de juiste weg zijn ingeslagen: de voorbije twee jaar bleef ongeveer twee derde van de percelen onder de norm van negentig kilogram stikstof per hectare. In 2006 was dat nog maar de helft.

Eindelijk is een regeling uitgewerkt voor de vergoeding van wildschade. Waarom lag het dossier politiek zo gevoelig?
Het is niet eenvoudig om een zinnige schatting te maken over de vermoedelijke omvang van het vereiste budget. In Nederland, waar anderhalf miljoen ganzen overwinteren, bedraagt het schadebudget gemiddeld drie miljoen euro per jaar. Dat is omzeggens twee euro per wilde gans. Het bedrag is bij onze noorderburen zo laag omdat ze uitgestrekte partijen grasland intact laten. Ze zorgen er vervolgens voor dat de ganzen daar gaan overwinteren, en niet op de akkers. Het gevolg is dat de dieren relatief minder landbouwschade veroorzaken, waardoor dus ook het budget binnen de perken blijft. In Vlaanderen krijgen we ongeveer 100.000 overwinterende ganzen op bezoek. Dat is slechts een fractie van het aantal dieren bij onze noorderburen, maar onze akkers en weilanden zijn veel meer met elkaar verweven, wat op de akkers aanleiding kan geven tot hogere schade. Een studie van Proclam heeft uitgewezen dat het bij ons niet evident zal zijn om de gemiddelde schade per gans te beperken tot twee euro.

De Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud had er in een advies op aangedrongen om een koppeling te maken tussen de vergoeding voor ganzenschade en het behoud van historisch permanente graslanden. Komt daar iets van in huis?
Om hieraan tegemoet te komen, heeft de Vlaamse regering de regeling inzake de natuurvergunning vereenvoudigd. Die bijsturing verlegt enkele accenten inzake de bescherming van historisch permanente graslanden in het poldergebied. Dat is met name het geval wanneer ze in speciale beschermingszones van de vogelrichtlijn gelegen zijn. Volgens mij valt er echter meer te verwachten van de bescherming van graslanden die als randvoorwaarde gekoppeld is aan de uitbetaling van bedrijfstoeslagen aan landbouwers: het is veel beter de sector zelf te laten zorgen voor het behoud van grasland. Het is de taak van de natuursector om accurate gegevens aan te reiken zodat we weten welke graslanden ecologisch zo waardevol zijn dat ze zeker ongewijzigd moeten blijven.

Heeft u het gevoel dat de schaderegeling het probleem van de wildschade onder controle zal houden? Het is een erg complexe materie geworden.
De vergoedingen zullen er natuurlijk niet voor zorgen dat er minder schade optreedt. Ze zullen immers pas uitgekeerd worden wanneer het probleem net niet onder controle is. Enkel door jacht en bestrijding kunnen we de impact van de wildschade inperken. Op dat vlak heb ik een aantal regels verbeterd. Het jachtvoorwaardenbesluit, dat vorig jaar werd goedgekeurd, biedt betere mogelijkheden om schade door grofwild zoals evers te voorkomen. Daarnaast werd de vossenjacht met een maand verlengd om de populatie beter in toom te houden. Voor ganzen, duiven en konijnen bestaat er al een relatief brede regeling sinds 2005.

Ook beschermde diersoorten zorgen voor landbouwschade…
Via het soortenbesluit wordt het binnenkort mogelijk om bepaalde beschermde soorten op een meer gerichte manier te beheren. In grote lijnen is dit een voortzetting van de huidige regeling, maar nieuw is dat de kauw bestreden zal mogen worden van zodra ernstige schade aan landbouwteelten dreigt. Anderzijds worden de regels voor de bestrijding van eksters, gaaien en spreeuwen strakker. Zo mogen deze dieren enkel nog bejaagd worden voor de bescherming van de fruitteelt. Binnen het jaar moet er een evaluatie gebeuren van het geheel van beheerregelingen.

Eind februari hebben jagers op vraag van de landbouworganisaties heel wat houtduiven afgeknald. Dergelijke praktijken bent u als minister van Natuur liever kwijt dan rijk?
Dergelijke grootschalige acties zijn een reactie op een grootschalig probleem, bijvoorbeeld in gebieden waar veel kolen geteeld worden. In die zin heb ik er begrip voor, en bovendien is er ook niets onwettigs aan. Maar ik vraag me wel af of enkele afschotcampagnes per jaar voor de landbouwers het gewenste resultaat opleveren. De opmars van de houtduiven lijkt immers veel oorzaken en verschijningsvormen te hebben. Er is de ruimtelijke structuur van het buitengebied met veel nest- en schuilgelegenheid, de teelten op de akkers zijn voor die dieren een gedroomde voedingsbron en zelfs in de bebouwde zones vinden duiven voldoende voedsel. Vergeet ook niet dat houtduiven als inheemse vogelsoort onder de Europese vogelrichtlijn vallen, en dus mag je nooit de totale uitroeiing ambiëren. Om al die redenen lijkt het me wenselijk dat bij het begin van de volgende legislatuur een afgewogen duivenbeheerplan wordt opgesteld. Dat mag geen regelneverij zijn, maar het moet een serieuze analyse van het probleem bevatten en een lijst van acties die ondernomen kunnen worden door de betrokkenen.

De Vlaamse regering zal erin slagen om nog vóór de verkiezingen 500.000 hectare landbouwgebied te herbevestigen. Bent u als minister van Natuur tevreden over het ruimtelijke afbakeningsproces voor natuur en bos?
De Vlaamse overheid zal uiteindelijk 750.000 hectare agrarisch gebied, 150.000 hectare natuurgebied, 53.000 hectare bosgebied en 34.000 hectare andere groengebieden vastleggen in de bestemmingsplannen. De vorige regering wilde deze immense taakstelling te lijf gaan met alleen uitvoeringsplannen, maar met die aanpak ben je minstens twee decennia zoet, en dat terwijl bij alle mensen in het buitengebied een grote behoefte aan rechtszekerheid bestaat. Door in een eerste fase te kiezen voor visievorming in combinatie met een herbevestiging van gebieden heeft de huidige regeringsploeg de achterstand voor de agrarische afbakening geneutraliseerd. Ik ben ervan overtuigd dat de komende jaren via de inkleuring van ruimtelijke uitvoeringsplannen het hele proces snel voltooid kan worden omdat de herbevestigde gebieden veel klaarheid gebracht hebben. Bovendien zal de implementatie van habitat- en vogelrichtlijngebieden een richtsnoer bieden om te gaan uitzoeken waar we de bijkomende groene bestemmingen bij voorkeur willen lokaliseren.

Over het trage ritme van de bosuitbreiding verschijnen regelmatig alarmerende berichten in de media. Waarom is het zo moeilijk om 10.000 hectare bijkomend bosgebied af te bakenen?
De afbakening van natuur- en bosgebied is per definitie een vrij moeilijk proces, omdat de ruimte in Vlaanderen nu eenmaal schaars is. Maar er zijn twee belangrijke verschillen tussen de afbakening van natuurgebied en van bosgebied. De natuursector kan met een zekere precisie aanduiden welke gronden het meest geschikt zijn om er een natuurgebied te creëren. Dikwijls gaat het om gronden die niet erg waardevol zijn voor landbouwactiviteiten. Bij de afbakening van bosgebieden gaat men echter meestal op zoek binnen grotere oppervlaktes, zonder op voorhand te weten waar die bossen nu precies moeten komen. Bovendien treden al snel fricties op met boeren omdat goede landbouwgronden natuurlijk ook geschikt zijn om er een bos aan te planten.

Uit een studie die Idea Consult gemaakt heeft over het plattelandsbeleid blijkt dat de landbouwers meer gesensibiliseerd moeten worden op het vlak van agrarisch natuurbeheer. Kan u zich daar iets bij voorstellen?
Vorig jaar heb ik het budget voor de beheerovereenkomsten met 2,5 miljoen euro verhoogd tot 8 miljoen euro, hetgeen toch een stevige inspanning is. Daarmee worden ook de bedrijfsplanners ondersteund die op landbouwbedrijven actief de landschapszorg moeten stimuleren en verder uitbreiden. Deze mensen gaan dagelijks in overleg met de landbouwers en uit hun gesprekken blijkt dat de parate kennis van boeren over de natuur veeleer bij de oudere generatie te vinden is. Jongere landbouwers hebben het doorgaans wat moeilijker om bijvoorbeeld akker- en weidevogels te herkennen. Hetzelfde geldt voor de kennis van nuttige insecten of zelfs courante boom- en struiksoorten. Iedereen kan echter bijleren en ik twijfel er niet aan dat de wil hiervoor aanwezig is. De bedrijfsplanners moeten op individuele landbouwbedrijven kansen voor natuurbeheer detecteren, maar ook plaatselijk de samenwerking tussen boeren stimuleren. Vervolgens moeten de bereikte resultaten duidelijker in kaart gebracht worden. Op die manier trekken we volop de kaart van kennisoverdracht door overleg en samenwerking.

De relatie tussen landbouw en natuur dreigt verzuurd te raken door een dispuut over een varkensstal in Meldert. Met welke ogen kijkt u naar dat conflict?
Verwacht geen uitspraken over een dossier dat op dit ogenblik in beroep bij mij hangende is. Ik stel alleen vast dat de landbouwer in kwestie nadat hij verbod kreeg om zijn bedrijf uit te breiden in de nabijheid van woningen een nieuwe vergunning gevraagd heeft in het open agrarisch gebied, en dat daartegen opnieuw beroep aangetekend werd. Iedereen heeft in onze democratische rechtsstaat het recht om zijn belangen te verdedigen en elk dossier wordt door mijn administratie grondig geanalyseerd en op zijn merites beoordeeld.

Als minister heeft u een aantal inspanningen geleverd om landbouw en natuur dichter bij elkaar te brengen. Dan moet het toch frustrerend zijn dat zo’n lokaal dossier alle goede intenties weer onderuit kan halen?
Je moet realistisch zijn en vertrekken van de vaststelling dat het in het dichtbevolkte Vlaanderen niet altijd makkelijk is om economie en ecologie met elkaar te verzoenen. In het verleden zijn diepgaande conflicthaarden gegroeid tussen landbouw en natuur. Denk maar aan dossiers zoals dat van de Uitkerse Polder. Besmetten die de globale verstandhouding tussen de beide sectoren? Die indruk heb ik niet. In deze legislatuur zijn we erin geslaagd om de plaatselijke conflicten onder controle te houden en op Vlaams niveau wederzijds begrip te cultiveren.

Bent u nog niet uitgekeken op de vele beroepsprocedures voor de inplanting van biogas- en mestverwerkingsinstallaties die u moet verwerken?
Zijn er echt zoveel actiecomités? Ik heb daar mijn twijfels over. Van de ongeveer zestig beroepsdossiers over milieuvergunningen die op dit ogenblik in behandeling zijn, hebben er minder dan twintig te maken met mestverwerking of biogas. Van juni 2007 tot juli 2008 heeft in Vlaanderen een stijging van de operationele mestverwerkingscapaciteit plaatsgevonden van vijftig procent, in totaal werden 25 nieuwe installaties opgestart. Toch werd meer dan zeventig procent van de behandelde vergunningsaanvragen in die periode in eerste aanleg vergund zonder dat er een beroepsprocedure aan te pas kwam. Driekwart van de operationele installaties ontving nog nooit een klacht. En als er al klachten worden ingediend tegen mestverwerkingsbedrijven, zijn die vooral gericht tegen de installaties die ingeplant werden in industriezones.

Hoeveel begrip heeft u voor de steeds weerkerende argumenten van de actiecomités?
Buurtprotest vanwege geurhinder of lawaai hoeft niet problematisch te zijn omdat dergelijke zaken technisch opgelost kunnen worden. De mobiliteitskwestie is een ander paar mouwen. Maar ook op dat vlak kunnen maatregelen opgelegd worden, zoals een inperking van het gebied van waaruit grondstoffen mogen aangevoerd worden of een verbod om op drukke verkeersmomenten met vrachtwagens langs scholen te passeren. Biogas en mestverwerking bieden een meerwaarde, maar dan mogen de installaties de leefomgeving natuurlijk niet om zeep helpen. Soms blijft het koorddansen.

Gelooft u dat er straks een pak windturbines zullen opduiken in landbouwgebied?
Ik hoop het, en samen met mij veel landbouwers. De inplanting van een windturbine neemt niet veel plaats in beslag, maar het levert wel een aardige duit op. We hebben de regels op het vlak van ruimtelijke ordening versoepeld, waardoor windmolens in nieuw landbouwgebied toegelaten zijn, en zodat geen ruimtelijk uitvoeringsplan meer nodig is voor de plaatsing van windmolens in bestaand landbouwgebied. Het spreekt voor zich dat nog altijd rekening zal moeten gehouden worden met de kans op slagschaduw, geluidshinder, gezichtsbederf en andere ongemakken. Ik heb dan ook een omzendbrief uitgevaardigd om aan te geven hoe met deze risico’s moet omgegaan worden. Ik reken er echter op dat de landbouw via de productie van windstroom sterk zal bijdragen tot het behalen van de doelstellingen inzake hernieuwbare energie en de reductie van broeikasgasemissies. Vergeet ook niet dat we de steun via groenestroomcertificaten vanaf 1 januari 2010 optrekken, van tachtig naar negentig euro per megawattuur, en dat gedurende tien jaar.

Welke strengere milieunormen hangen de Vlaamse boeren de komende jaren nog boven het hoofd?
Wat mij interesseert, is de manier waarop de overheid, de landbouw, de huishoudens en de industrie het best de milieudoelstellingen bereiken, zodat de huidige en toekomstige generaties kunnen genieten van een gezond leefmilieu. Milieunormen zouden geen doel op zich mogen zijn, maar moeten ons helpen de doelstellingen van de verschillende Europese richtlijnen te bereiken. De waterkwaliteit blijft uiteraard belangrijk. Misschien komen er vanuit Europa ook strengere normen voor fijn stof en ammoniakemissies. Maar in Vlaanderen is het volgens mij vooral van belang om te consolideren wat de voorbije jaren werd uitgevoerd. En wat het mestdecreet betreft, staan we eind volgend jaar opnieuw voor de Europese Commissie met een nieuw actieprogramma en een nieuwe vraag voor derogatie. Maar ik ben optimistisch, want de nitraatconcentratie in bodem en water daalt. Hopelijk bevestigen de volgende metingen die trend.

Hoeveel punten op tien krijgen de Vlaamse land- en tuinbouwers voor hun milieu-inspanningen van de jongste jaren?
Als je me vraagt waar de landbouw op het vlak van reeds bereikte milieuresultaten staat, geef ik een zes op tien. Maar als het over de geleverde inspanningen gaat, mag dat gerust negen op tien zijn. Veel meer inspanningen kunnen we op dit ogenblik niet vragen: de boeren en tuinders zijn resoluut op de trein van milieuvriendelijke investeringen gesprongen. Bovendien zitten de beheerovereenkomsten in de lift, zolang ze maar op tijd en correct betaald worden. Als dat niet het geval is, worden boeren kwaad, en terecht. Maar wie bij hen vertrouwen kan losweken, krijgt heel veel gedaan. En dat vertrouwen is er op dit ogenblik dankzij veelvuldig overleg. Als die vertrouwensrelatie tussen de boeren en het beleid de komende jaren blijft voortduren, maak ik me eigenlijk niet al te veel zorgen over de waterkwaliteit.

PollHilde Crevits geeft de landbouwers 9 op 10 voor hun milieu-inspanningen van de jongste jaren. Is die hoge quotering terecht?

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via