nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

04.12.2013 Jongeren debatteren over voeding en landbouw op Agribex

Het jongerenparlement dat Agribex organiseerde op de tweede dag van het landbouwsalon bracht een interessant inzicht in de visie van jongeren op landbouw en voeding. Zo zijn ze niet principieel tegen gentechnologie, maar vragen ze wel zekerheid omtrent de veiligheid van ggo’s. Op basis van de debatten zullen zij een memorandum opstellen, dat zondag wordt overhandigd aan minister van Onderwijs Pascal Smet.

Een 200-tal studenten van de Katholieke Hogeschool VIVES campus Roeselare en Kortrijk woonden vier ‘plenaire’ debatten bij over vier landbouw- en voedinggerelateerde thema’s: vlees, ggo’s, schaalvergroting en voedselverspilling. Na de debatten kregen ze de kans om vragen te stellen aan de experten en ten slotte zelf hun mening te uiten over de thema’s in een aantal elektronische stemrondes. De studenten in de zaal waren zeker niet allemaal even vertrouwd met de thema’s, want hun profiel was zeer divers: van landbouw en biologie tot risicobeheer en voedingsmiddelenindustrie. Desondanks was de groep sterk betrokken bij het debat en werd de experten soms het vuur aan de schenen gelegd.

Een eerste thema dat in het parlement meteen tot de verbeelding sprak, was vlees en de impact van veehouderij op het klimaat en op dierenwelzijn. Bijna alle studenten (90%) zeiden ervan overtuigd te zijn dat vlees eten en dierenwelzijn hand in hand kunnen gaan, en de meerderheid (70%) vindt niet dat onze vleesconsumptie drastisch omlaag moet. Dit ondanks het pleidooi van Tobias Leenaerts van het Ethisch Vegetarisch Alternatief (EVA vzw), dat vleesconsumptie verbonden is met problemen als dierenleed, klimaatverandering, bodemerosie, ontbossing, waterschaarste enzovoort.

“Eén kilogram rundvlees ingevoerd uit Zuid-Amerika is verantwoordelijk voor een CO2-uitstoot vergelijkbaar met die van een autorit van Brussel naar Rome”, klonk het bijvoorbeeld. Leenaerts’ opponent tijdens het debat, ethicus Stef Aerts van KAHO Sint-Lieven, trad hem daarin deels bij, maar nuanceerde door te stellen dat de ecologische voetafdruk afhankelijk is van waar en hoe dat stuk vlees geproduceerd wordt. “De uitstoot van vlees dat hier gekweekt wordt, is significant lager dan die van vlees uit Zuid-Amerika omdat ons productiesysteem milieuvriendelijker is: extensieve veehouderij stoot meer broeikasgassen uit dan intensieve veehouderij, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt”, klonk het.

“Bovendien zouden we door dierlijke productie uit te schakelen, nieuwe milieuproblemen creëren. Want geen veehouderij betekent geen dierlijke mest en dus meer nood aan kunstmest, terwijl die productie toch ook een aanzienlijke druk legt op het milieu.” Aerts sloot zijn pleidooi daarom af door de studenten op te roepen bewuster om te gaan met voeding en vlees, eerder dan hun vleesconsumptie lineair terug te schroeven.

Het thema ‘vlees en klimaat’ sprak de studenten blijkbaar aan, want er kwamen verschillende vragen uit het publiek voor Leenaerts en Aerts. Zo vroeg een student of de milieu-impact van vlees niet voldoende omlaag kan worden gebracht door als consument resoluut te kiezen voor lokaal geteeld vlees. Leenaerts repliceerde dat niet alleen de consumptie, maar vooral ook de productie een belangrijke rol speelt in het klimaatverhaal. “Het belang van voedselkilometers wordt in de discussie over voeding en klimaat wat overschat. Het productiesysteem is eigenlijk belangrijker. Zo zal de ecologische voetafdruk van tomaten die hier in serres worden geteeld hoger zijn dan tomaten die in Griekenland in buitenlucht worden geteeld en daarna naar hier worden getransporteerd.”

Het tweede thema dat aan bod kwam, leverde nog meer plenaire vragen op dan het eerste: genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s). Greet Riebbels van het Instituut voor Landbouw- en Visserijmarketing (ILVO) nam het daarbij op tegen Louis De Bruyn, voorzitter van de Werkgroep Eigen Zaadteelt en sympathisant van de Field Liberation Movement. Volgens Riebbels kan genetische modificatie bijdragen tot een verduurzaming van de landbouw, omdat het gezondere en resistentere gewassen kan creëren die minder gewasbeschermingsmiddelen nodig hebben. “Wel ben ik voorstander van strenge controles op de veiligheid van ggo’s. Als iemand een ggo op de markt wil brengen, moet hij bijvoorbeeld eerst bewijzen dat het veilig is. Maar vooralsnog is er geen enkel bewijs bekend dat ze negatieve effecten zouden hebben op het milieu of op onze gezondheid, ook niet op lange termijn.”

De Bruyn stelde dan weer dat ggo’s en duurzaamheid niet samengaan omdat duurzaamheid volgens hem te maken heeft met diversiteit terwijl ggo’s monoculturen in de hand werken. “Een gezond ecosysteem is een divers ecosysteem, met weerbare en dynamische planten. Wat gentechnologie doet, is die weerbaarheid aantasten door alleen op genresistentie te selecteren. Bovendien maakt ggo’s boeren afhankelijk van multinationals, en ondermijnt het de ggo-vrije landbouw.”

Op dat laatste pikte een studente meteen mooi in. Ze vroeg of ggo’s geen gevaar inhouden voor andere planten in de natuur. Riebbels stelde haar gerust door te antwoorden dat gewassen niet zomaar kunnen kruisen met bijvoorbeeld planten in de wilde natuur, tenzij ze verwant zijn. “En dat is meteen wat er is misgelopen met ggo-koolzaad in Amerika, want koolzaad heeft in tegenstelling tot de meeste landbouwgewassen nog veel verwanten in de natuur. Daardoor is het geen geschikte kandidaat voor gentechnologie. Ik zal nooit beweren dat genetische modificatie op zomaar alle gewassen mag worden toepast en ggo’s op zomaar alle plaatsen mogen worden geteeld. Het koolzaadprobleem in Amerika bewijst dat co-existentieregels wel degelijk van vitaal belang zijn”, legde ze uit. Waarop De Bruyn meteen de bezorgdheid van de studente bijtrad: “Ggo’s worden niet in een vacuüm geteeld. Er is wel degelijk horizontale besmetting mogelijk via de bodem.”

Een andere vraag die de studenten stelden was of we niet genoodzaakt zijn met ggo’s te werken in deze “snel veranderende wereld”. “Klassieke veredeling vraagt immers veel meer tijd, en die tijd hebben we vandaag niet”, klonk het. Volgens De Bruyn weegt dit snelheidsvoordeel echter niet op tegen de mogelijke aantasting van de weerbaarheid van het gewas door gentechnologie. “Het gaat sneller ja, maar is het resultaat ook duurzaam wanneer de plant minder weerbaar wordt?”, repliceerde hij. Uiteindelijk stemde bijna 80 procent van de studenten voor ggo’s als stap in de richting van een duurzamere landbouw, maar vindt 72 procent wel dat de langetermijneffecten gekend moeten zijn, voor ggo’s mogen worden toegelaten.

Het derde thema dat aan bod kwam was schaalvergroting, het enige thema waar de meningen van de studenten duidelijk verdeeld waren. De helft van de studenten vindt dat schaalvergroting nodig is voor de toekomst van de landbouw, terwijl de andere helft daar niet mee akkoord gaat. Wel is de meerderheid van de studenten (83,5%) het niet eens met de extremere stelling dat familiale landbouw de enige duurzame vorm van landbouw is. Dit sluit min of meer aan bij de uiteenzettingen van Guy Depraetere van ABS en Jeroen Watté van de Werkgroep voor een Rechtvaardige en Verantwoorde Landbouw (Wervel).

De eerste wees op het belang van verbreding zoals korte keten naast schaalvergroting, de tweede op de potentiële productiviteits- en efficiëntieverhoging door agro-ecologische intensivering. “Dit maakt dat er ook zoiets mogelijk is als een middelgrote schaal”, stelt Watté. “Door cyclussen van levende organismen toe te voegen en het bodemleven in te schakelen, kan je als boer komen tot een meerproductie zonder schaalvergroting.”

Het laatste thema ten slotte, voedselverspilling, bracht opnieuw eensgezindheid onder de studenten. De meesten vinden dat groenten en fruit met een vlek of deuk verkocht mogen worden in de supermarkt (85,6%), zolang het maar kwaliteitsvolle producten zijn (66,5%). De oplossingen die door Jan Van de Poel van 11.11.11 werden voorgesteld tegen voedselverspilling, zoals ‘Ugly Vegetables’-standen in supermarkten, gebruik van overschotten als veevoeder en samenwerking met voedselbanken, werden in de zaal goed onthaald. Eén student opperde zelfs dat fruit en groenten die in de rekken blijven liggen, verwerkt kunnen worden in soep, confituur, fruitsla enzovoort.

“Toch stellen wij vast dat bijvoorbeeld systemen van snelverkoop (voor producten die hun houdbaarheidsdatum bijna bereiken, nvdr.) in de praktijk niet goed werken”, bracht Peter Vandenberghe van Comeos (Belgische Federatie voor Handel en Diensten) daartegen in. “Vaak wordt geopperd dat de supermarkt bepaalt wat de consument koopt, maar wij stellen vast dat de consument alleen op zoek gaat naar wat hij kent. En als hij in één supermarkt alleen kromme wortels vindt, gaat hij de volgende keer gewoon naar de concurrent.”

“Misschien zit daar wel een taak in voor het onderwijs”, besloot een afgevaardigde van de studenten zelf. “Als wij als jonge consumenten blijkbaar al gewoontes en bepaalde eisen hebben op het vlak van voeding, moet het onderwijs misschien tegengewicht bieden.” De studenten zullen op basis van hun bevindingen tijdens het parlement een memorandum opstellen met soortgelijke aanbevelingen, dat ze op de slotdag van de beurs (zondag 8 december) officieel zullen overhandigen aan hun voogdijminister Pascal Smet.

Die sprak de jongeren aan het begin van het parlement toe in een videoboodschap: “Ik vind het erg belangrijk dat jullie, als consumenten van de toekomst, nadenken over waar we met onze voedselproductie naartoe moeten.” Ook premier Elio Di Rupo, die het jongerenparlement even bezocht, benadrukte het belang ervan. “Landbouw is een belangrijke economische sector voor ons land. Het is dan ook belangrijk dat jullie, die toch de toekomst van ons land uitmaken, daar jullie zegje over kunnen doen.”

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via