nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Plattelandsbeleid in de weegschaal
27.04.2009  Katrien Van Dingenen (Idea Consult) en Koen Carels (Landbouw en Visserij)

De tweede pijler van het Europese landbouwbeleid is bijna tien jaar oud. Een reden tot feesten? De Vlaamse landbouwadministratie gaf aan een consortium onder leiding van Idea Consult de opdracht om de impact te bestuderen van het voorbije programma voor plattelandsontwikkeling, dat van 2000 tot 2006 ongeveer 500 miljoen euro in het Vlaamse platteland pompte. Over deze studie voelden we Katrien Van Dingenen (Idea Consult) en Koen Carels (Departement Landbouw en Visserij) aan de tand.

Hoe en waarom werd het onderzoek uitgevoerd?
Koen Carels: Eigenlijk gaat het om een Europese verplichting. Alle lidstaten kregen de opdracht om uiterlijk twee jaar na de beëindiging van hun allereerste programma voor plattelandsontwikkeling een rapport in te dienen bij de Europese Commissie. Ter verduidelijking: het is veel méér dan een controle waarbij nagegaan wordt of alle middelen wel juist aangewend werden. Het is de bedoeling om op wetenschappelijke basis de impact van de tweede pijler van het Europees landbouwbeleid te meten op de landbouweconomie, het milieu en de leefbaarheid van het platteland. In Vlaanderen is dat gebeurd op basis van de beschikbare opvolgingsgegevens van de verschillende beheersdiensten en een enquête bij een representatief staal van driehonderd landbouwers die deel uitmaken van het Landbouwmonitoringsnetwerk. Het lijdt geen twijfel dat Europa het studiewerk van de lidstaten zal gebruiken om straks het debat over het landbouwbeleid na 2013 te stofferen.

Kan u nog even de grote lijnen van het programma voor plattelandsontwikkeling in herinnering brengen?
Koen Carels: De lidstaten kunnen sinds 2000 zelf een programma met een duurtijd van zes jaar samenstellen uit een hele reeks maatregelen die Europa oplijst. Het eerste Vlaamse programma heeft uiteindelijk 487 miljoen euro gekost, waarvan 40 procent gefinancierd werd met Europese bijdragen. De grote thema’s zijn landbouwinvesteringen, vorming, milieumaatregelen, natuurzorg, en tot slot is er ook een luik voorzien voor projecten die de kwaliteit van het brede platteland opwaarderen.

In Vlaanderen is dat eerste programma voor plattelandsontwikkeling moeizaam op gang gekomen?
Koen Carels: Sommige landen waren al sinds de jaren tachtig bezig met agromilieumaatregelen, terwijl we daar in Vlaanderen pas in 1998 mee gestart zijn. Voor onze regio was het dan ook niet evident om twee jaar later al voluit mee op de kar van de beheerovereenkomsten te springen. Bovendien werd ons programma ook nog eens laattijdig goedgekeurd door Europa. Sinds 2004 draait de plattelandsontwikkeling echter op volle toeren, waardoor uiteindelijk 89 procent van het oorspronkelijke budget effectief vertaald kon worden in maatregelen.

Het kroonjuweel van het programma voor plattelandsontwikkeling is het Landbouwinvesteringsfonds. 73 procent van de bevraagde landbouwers stipt aan dat investeringen de fysieke werkbelasting doen dalen, maar anderzijds heeft Idea Consult geen effect kunnen vaststellen van de verleende investeringssteun op het inkomen. Hoe komt dat?
Katrien Van Dingenen: Er is wel degelijk een positieve correlatie tussen het inkomen en het gebruik van investeringssteun. De vraag naar de causaliteit valt echter moeilijker te beantwoorden: is het inkomen hoger als gevolg van de steun of zijn bedrijven met een hoger inkomensniveau gewoon alerter om in te spelen op beschikbare subsidies? Een gedetailleerde analyse bij melkveebedrijven heeft geleerd dat bedrijven die investeringssteun aanvragen gemiddeld een hoger familiaal inkomen genereren in vergelijking met bedrijven die dat niet doen. Anderzijds is er geen verschil tussen beide groepen wanneer gekeken wordt naar het inkomen per voltijdse arbeidskracht. Eigenlijk kan je hieruit concluderen dat vooral grotere bedrijven gebruikmaken van de investeringssteun.

Kan dat wel de bedoeling zijn?
Katrien Van Dingenen: Daar spreek ik me niet over uit, maar men mag de impact van de investeringssteun in ieder geval niet onderschatten. De rentesubsidie van het investeringsfonds doet de rentelasten van de investeringen immers sterk dalen, en dat is voor een bedrijfsleider een belangrijke stimulans om te investeren. Zo stipt ruim de helft van de ondervraagde landbouwers de steun aan als één van de belangrijkste redenen om daadwerkelijk te investeren. Meer dan een kwart van de boeren geeft toe dat de investeringen op het vlak van infrastructuur er zonder steunverlening niet zouden gekomen zijn. Voor milieu-investeringen loopt dat aandeel zelfs op tot meer dan de helft van de respondenten. En het zijn nu net die meer ‘innovatieve’ investeringen die de kwaliteit en competitiviteit van de sector op langere termijn verzekeren.

Volgens de studie zou alleen al de vestigingssteun gezorgd hebben voor het behoud van 3.150 arbeidsplaatsen in de primaire sector. Daarnaast concluderen jullie ook dat de plattelandssteun voor voedingsbedrijven een goede zaak is voor de boeren?
Katrien Van Dingenen: We merken bij de voedingsbedrijven die steun ontvingen een grotere groei van hun gemiddelde omzet dan bij andere firma’s. En specifiek voor de vlas- en groentesector hebben we ook kunnen aantonen dat er sprake is van een doorgeefeffect naar de boeren en tuinders, die voor de afzet van hun producten afhankelijk zijn van de prestaties van de verwerkende industrie.

De agromilieumaatregelen hebben sinds 2000 een significante bijdrage geleverd aan de inperking van het pesticidengebruik. Maar een tegenvaller is dat de mechanische onkruidbestrijding in de maïsteelt nog altijd niet doorgebroken is, terwijl uitgerekend daar de grootste milieueffecten behaald konden worden door de omvang van die teelt?
Katrien Van Dingenen: Dat klopt. Het beperkte succes is vooral te wijten aan het relatief arbeidsintensieve karakter van mechanische onkruidbestrijding in vergelijking met de klassieke landbouwpraktijken voor die teelt. Anderzijds is het misschien niet eens nodig om zwaar te blijven inzetten op deze steunmaatregel. Het pesticidengebruik werd de laatste decennia immers stelselmatig aan steeds strengere normen onderworpen, zowel op het vlak van volumes als intrinsieke eigenschappen van de gebruikte substanties. Deze trend zal ook voortgezet worden in de toekomst.

Zijn de beheerovereenkomsten in het algemeen een succes?
Katrien Van Dingenen: Een ‘algemene’ conclusie mag je helaas niet trekken voor de beheerovereenkomsten binnen het programma voor plattelandsontwikkeling. Zo waren de steun voor erosiebestrijding en groenbedekking echte meevallers. In 2006 bedroeg het vermeden bodemverlies ruim tien procent van het totale bodemverlies in Vlaanderen. De groenbedekkers hadden hun grote impact vooral te danken aan de omvang van het areaal waarop ze werden ingezaaid, met name 80.000 hectare. Dat staat in schril contrast met de beheerovereenkomsten die gericht zijn op natuurzorg, waar eigenlijk te weinig boeren op ingetekend hebben om op Vlaams niveau van een onverdeeld succes te kunnen spreken.

Landschapszorg is een maatschappelijk thema dat de jongste jaren sterk in de kijker loopt. Is daar volgens jullie ook iets van te merken bij de boeren?
Katrien Van Dingenen: Ook die steun slaat niet in alle regio’s even goed aan. Maar dat is ook niet onlogisch: polderboeren zijn nu eenmaal niet geneigd om hoogstamboomgaarden aan te planten. Samenvattend kan men stellen dat het succes van de beheerovereenkomsten sterk afhangt van de manier waarop ze ingrijpen op de bedrijfsvoering en welke compensaties tegenover de extra inspanningen staan. Ook hebben veel landbouwers nog geen natuurlijke reflex ontwikkeld om hun bedrijfsactiviteiten en leefomgeving als één geheel te zien, waarbij hun activiteiten kunnen bijdragen tot een betere kwaliteit van de natuurlijke en menselijke omgeving, en omgekeerd. De evolutie naar een meer maatschappelijke rol van de landbouw is in Europa nochtans heel sterk aanwezig. Daarom is het raadzaam om de land- en tuinbouwers op dit vlak te blijven sensibiliseren. En de inschakeling van bedrijfsplanners is zeker een goede zet geweest. Ze maken de boeren wegwijs doorheen een complex kluwen van maatregelen. Uit onze interviews is gebleken dat landbouwers dankzij deze begeleiding extra engagementen opnemen.

Is het niet teleurstellend dat de agromilieumaatregelen op Vlaams niveau geen significante impact hadden op de reductie van nutriënteninput en –residu? De daling bedroeg in 2006 minder dan vijf procent van de totale Vlaamse stikstofinput.
Katrien Van Dingenen: De beheerovereenkomst water legt een extra strenge bemestingsnorm op van 140 kilogram dierlijke mest per hectare, maar je mag niet uit het oog verliezen dat het een lokale maatregel is die focust op de meest kwetsbare gebieden, en daar is die ook heel effectief geweest. Het probleem is dat je dit niet kan veralgemenen op Vlaams niveau omdat de geproduceerde mest in die kwetsbare zones niet zomaar kan weggetoverd worden. Die moet onvermijdelijk vervoerd worden naar streken met een kleinere mestdruk. Netto heb je dus een verplaatsing van het probleem, en geen oplossing. Al is het natuurlijk aardig meegenomen dat de mestdruk in kwetsbare gebieden afgenomen is.

Moet de beheerovereenkomst water efficiënter gemaakt worden?
Katrien Van Dingenen: Men zou de bemestingsnorm bij deze – vrijwillige! – beheersovereenkomst nog lager kunnen leggen, en in zeer kwetsbare gebieden zou men via deze weg nulbemesting kunnen stimuleren. Bovendien moet dergelijk engagement dan ook lang genoeg volgehouden worden om zichtbare effecten op de bodem- en waterkwaliteit te zien.
Koen Carels: Het is logisch dat je strengere bemestingsnormen in een bepaald gebied pas kan valoriseren als je die mest niet in naburige streken afzet. Maar we mogen niet de fout maken om dit ene element van het totale mestbeleid zomaar los te koppelen van alle andere maatregelen. De puzzel moet in zijn geheel bekeken worden, met inbegrip van bijvoorbeeld de mestverwerkingsplicht.

De studie van Idea Consult is enthousiast over de impact van groenbedekking, maar de steun voor die maatregel werd afgeschaft?
Koen Carels: Je mag niet vergeten dat die maatregel negen jaar geleden werd ingevoerd. Deze beheerovereenkomst was zo succesvol dat we zonder overdrijven mogen stellen dat het ons gelukt is om landbouwers grondig te sensibiliseren over deze goede landbouwpraktijk. Daarom kunnen sinds 2007 geen nieuwe verbintenissen inzake groenbedekking meer aangegaan worden. Dat was een verstandige beleidsbeslissing aangezien uit het onderzoek blijkt dat het wegvallen van de steun voor slechts twintig procent van de landbouwers een reden is om niet langer te opteren voor groenbedekking.

Het programma voor plattelandsontwikkeling wil ook een goede aanzet geven voor een geïntegreerd plattelandsbeleid. Maar lukt dat door in de ene gemeente een kapel te restaureren en in een ander dorp fietspaden aan te leggen?
Katrien Van Dingenen: De maatregelen willen in de eerste plaats de leefkwaliteit van het Vlaamse platteland verbeteren. En op lokaal niveau doen ze dat zeker, soms slagen ze er zelfs in om dat niveau te overstijgen. Vergeet ook niet dat bij de goedkeuring van de projecten als voorwaarde gesteld wordt dat ze op een interdisciplinaire en geïntegreerde wijze aangepakt worden, en bij voorkeur moeten ze ook hefboomeffecten creëren. Natuurlijk hebben alle betrokken actoren op het platteland tussen 2000 en 2006 in de eerste plaats een belangrijk leertraject doorgemaakt, dat de basis heeft gelegd voor een hele reeks projecten die met een sterk participatieve aanpak inspelen op de groeiende noodzaak aan functieverweving op het Vlaamse platteland. Bovendien werd naast het neerpoten van infrastructuur in een aantal gebieden ook een sociaaleconomische dynamiek gecreëerd, die het sociaal weefsel en de economische slagkracht van deze plattelandsregio’s positief beïnvloed heeft.

Hoe luidt de globale beoordeling van het eerste programma voor plattelandsontwikkeling?
Katrien Van Dingenen: Het programma speelt goed in op de noden van de boeren en het platteland. Vlaanderen heeft immers nood aan geëngageerde en professionele landbouwers, die het belang inzien van meer milieubewuste bedrijfsprocessen en het opnemen van maatschappelijke taken. De tweede pijler reikt instrumenten aan om te beantwoorden aan deze nood, bijvoorbeeld door een sterke stimulans van ‘groene’ investeringen, door de vestigingssteun die de intrede van jonge krachten in de landbouw stimuleert, en door het verstrekken van vorming. Uit het zeer hoge bereik van de georganiseerde cursussen is overigens gebleken dat het opleidingsluik in het programma erg succesvol was. Er zijn vanzelfsprekend een aantal verbeteringen mogelijk, zoals een meer gebiedsgerichte aanpak, een intensievere promotie van agrarisch natuurbeheer, enzovoort.

Maar in zijn totaliteit krijgt het programma voor plattelandsontwikkeling van Idea Consult dus goede punten?
Katrien Van Dingenen: Het programma draagt in aanzienlijke mate bij tot een meer kwalitatieve Vlaamse landbouw dankzij een meer geïntegreerd plattelandsbeleid. De geïnvesteerde Europese, Vlaamse en lokale middelen worden dus goed besteed.
Koen Carels: De studie heeft ons geleerd dat het niet mogelijk is om altijd alles te meten. Maar het is duidelijk dat Vlaanderen er de voorbije jaren in geslaagd is om het Europese raamwerk voor een plattelandsbeleid een mooie vertaalslag te geven. En het staat in de sterren geschreven dat de Europese Commissie de studies van de lidstaten zal aangrijpen om de tweede pijler na 2013 nog verder uit te bouwen.
 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via