nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  


12.02.2007  Landbouw en natuur keren samen het tij

De landbouwers in Kruibeke hebben lang geprotesteerd tegen de komst van een gecontroleerd overstromingsgebied. Tevergeefs, ze kregen er in de geviseerde potpolder van 700 ha zelfs nog natuurcompensaties bovenop. “Blind verzet was zinloos”, vertelt Theo Cant, voorzitter van de lokale bedrijfsgilde. De boeren kozen dan maar voor intensieve samenwerking met de natuursector en de Afdeling Zeeschelde.

3 januari 1976. Een stormvloed zet ten zuiden van Antwerpen het dorpje Ruisbroek helemaal onder water nadat een dijk van het riviertje De Vliet het begeven heeft. Veel inwoners worden verrast en verliezen veelal hun bezittingen op het gelijkvloers. Tweeduizend mensen moeten geëvacueerd worden. Terwijl Vlaanderen voor het eerst kennismaakt met het fenomeen van de ramptoeristen, verloopt de hulpverlening erg stroef. Bovendien liggen de dijken van het zijriviertje van de Rupel er al jarenlang slecht bij. De frustraties bij de omwonenden loopt erg hoog op, de zalvende woorden van de inderhaast toegesnelde Koning Boudewijn ten spijt.

Een jaar later komt ons land op de proppen met een variant op het Nederlandse Deltaplan. Het zogeheten Sigmaplan – vanwege de ‘S’ van Schelde – moet het gebied rond de Zeeschelde beschermen tegen een nieuwe noodlottige combinatie van springtij en noordwestenwind, die het zeewater de Scheldemonding in blaast. In vergelijking met onze noorderburen zijn de Vlamingen nooit even fanatieke dijkenbouwers geweest. Toch is een belangrijk deel van de 500 kilometer geplande dijkverhogingen en -verstevingen intussen gerealiseerd en werden twaalf van de dertien overstromingsgebieden ingericht. Het dertiende en veruit grootste gecontroleerde overstromingsgebied van Kruibeke-Bazel-Rupelmonde is nog altijd in volle aanleg.

Het protest van de Kruibeekse boeren – geruggensteund door de lokale gemeenschap met inbegrip van de excentrieke burgemeester Denert – werd in de loop der jaren stap voor stap gesloopt door de wetgever. De Dijkenwet van juni 1979 gaf de landbouwers een eerste flinke knauw: de overheid kon op de benodigde gronden een erfdienstbaarheid leggen die toeliet om zonder voorafgaande onteigening dijkwerken uit te voeren. Eind 2001 trakteerde het fameuze Nooddecreet voor de aanleg van het Deurganckdok de Kruibeekse boeren op 150 hectare weidevogelgebied. Enkele maanden later volgde een resolutie over de toepassing van de Vogel- en Habitatrichtlijn ter compensatie van grote infrastructuurwerken in de Wester- en Zeeschelde. Goed voor nog eens 300 hectare slikken en schorren. En om de 20 hectare bos te vervangen die verdwijnt door de aanleg van een nagelnieuwe landinwaarts gelegen ringdijk, moet er straks dubbel zoveel bos bijkomen. Tot zover de dictaten. “We hebben er ons bij moeten neerleggen dat een democratisch verkozen meerderheid het zo gewild heeft”, zegt Cant ietwat filosofisch.

Nood breekt wet Wanneer de bouw van de ruim acht meter hoge ringdijk voltooid is, zal de bestaande dijk verlaagd worden van 8,35 naar 6,8 meter. Bedoeling is dat het overstromingsgebied ter hoogte van Kruibeke tweemaal daags onder water zal lopen voor de creatie van slikken en schorren, in Bazel en Rupelmonde wordt hoofdzakelijk weidevogelgebied ontwikkeld. Voor de begrazing dachten de plannenmakers aanvankelijk alleen maar aan exotische Galloway-runderen en Koningspaarden, de lokale landbouw stond buitenspel. Konden de boeren de onteigeningspremie niet gewoon opstrijken en elders een nieuw boerenbestaan opbouwen? Theo Cant: “Slechts een enkele boer lag met zijn bedrijfszetel in het overstromingsgebied. De bijna zeventig andere landbouwers dreigden enkel een deel van hun akkers en weilanden te verliezen, voornamelijk pachtgronden. Het gevolg is dat nagenoeg alle getroffen landbouwers verder boeren, maar gedoemd zijn om in de streek op zoek te gaan naar nieuwe gronden voor hun mestafzet en ruwvoederwinning, met als onvermijdelijk gevolg een grondjacht”. De Vlaamse Landmaatschappij (VLM) snelde de boeren ter hulp met een grondenbank, maar die bevat op dit ogenblik welgeteld één perceel. “Een gigantische flop dus”, zegt Cant. “Om de ontwrichting van de landbouw in en rond Kruibeke te vermijden, moesten we ons op een of andere manier toch zien te handhaven in het weidevogelgebied”.

Maar hoe moest dat gebeuren? Voor een dialoog met de nieuwkomers in de potpolder leek het water op het eerste gezicht veel te diep. Gerechtelijke procedures van individuele boeren zouden dan weer de behoorlijk goede onteigeningsvoorwaarden in gevaar brengen. “Op dat ogenblik heb ik als voorzitter van de bedrijfsgilde mijn verantwoordelijkheid genomen”, vertelt Cant, die ook als landbouwer betrokken partij is aangezien een kwart van zijn gronden in het overstromingsgebied ligt. “Omdat door de bouw van de ringdijk de toegang tot onze percelen geblokkeerd werd, hebben we onze moed bij elkaar geraapt om te gaan praten met de afdeling Zeeschelde”. Wonderwel kwamen beide partijen tot een vergelijk: de overheid had er immers belang bij dat de gronden tijdens de jarenlange overgangsfase naar de inrichting van de potpolder in goede staat onderhouden werden. Achter de ringdijk werd een landbouwweg aangelegd. “Die blijk van goodwill heeft voor de ommekeer gezorgd. In plaats van vijanden werden we plots partners”.

Op gronden die nog niet onteigend waren, konden de landbouwers ongestoord verder boeren. Maar wat met gronden die al wel onteigend waren? Theo Cant: “De Afdeling Zeeschelde is met de idee van jaarlijkse onderhoudscontracten op de proppen gekomen. Vervolgens werd met de Afdeling Natuur afgesproken om het type beheersmaatregelen op de onteigende gronden elk jaar te herbekijken in functie van de werkzaamheden in het overstromingsgebied”. De allereerste contracten waren te streng omdat dergelijk maatwerk nog niet ingeburgerd was bij de milieuadministratie. Gelukkig werd tijdig bijgestuurd, zodat de boeren niet massaal afhaakten en de maatregelen nu geleidelijk meegroeien met de timing van de infrastructuurwerken en de behoeften van het weidevogelgebied. De onderhandelingen hierover werden aanvankelijk gevoerd in een werkgroep, sinds enkele maanden is hiervoor een representatief samengestelde beheercommissie opgericht.

Duurzame relatie? Naar eigen zeggen heeft Cant er bij de beheercommissie zelf op aangedrongen om de vergoedingen voor de boeren in de onderhoudscontracten “zo laag mogelijk” te houden. Kwestie van misbruik door de enen en kritiek van de anderen in de kiem te smoren. Het zorgt er ook voor dat de diverse partijen met elkaar onderhandelen in termen van economisch rendement. “Vroeger was het onmogelijk om een gesprek op gang te krijgen over rendabele vormen van landbouw in het overstromingsgebied. Nu heeft men er begrip voor dat ook de boer een homo economicus is: indien de gestelde voorwaarden onnodig strak zouden zijn, verdwijnt hij uit het gebied. Van onze kant moeten wij ervoor zorgen dat er honderd broedparen komen in het weidevogelgebied, zoniet hebben we een fameus probleem om onze aanwezigheid er nog langer te verantwoorden. Daarom zie je vrijwel enkel nog grasland wanneer je er vandaag doorheen de potpolder rijdt. De omzetting van akkerland naar gras is voor rundveebedrijven een vrij drastische ingreep, maar het is haalbaar. Voorlopig kunnen we er trouwens onze mest nog kwijt. Zo’n samenwerking puzzel je enkel in elkaar met wederzijds begrip tussen alle partners. In de beheercommissie neemt elke partij de tijd om te luisteren naar de argumenten van de partners”.

Maar mooie liedjes duren niet lang: in de wandelgangen van de Afdeling Zeeschelde is te horen dat de werken in 2008 of 2009 zullen afgerond zijn. De eindscenario’s voorzien nog steeds geen plaats voor de landbouw, maar Theo Cant maakt zich sterk dat de boeren ook in de toekomst in de weidevogelgebieden getolereerd en creatief gebruikt zullen worden. “Door de onderhoudscontracten zijn we nu al bezig met de natuurinrichting van het gebied. Misschien zullen de beperkende maatregelen niet eens zo streng moeten zijn eenmaal de werken voltooid zijn. Daar hopen we op. Vanaf dan zouden we ook kunnen werken met langlopende contracten”. Cant is ervan overtuigd dat dit ook in de toekomst haast zonder vergoeding mogelijk is. Dan zijn volgens hem wel enkele innovatieve instrumenten nodig, zoals een fiscale vrijstelling voor de gebruikte percelen in het overstromingsgebied. En een flexibele regeling voor de toeslagrechten zou een herverkaveling van de percelen in grotere blokken mogelijk maken. “We zullen op goodwill van de overheid moeten rekenen nadat eerder beslist werd dat de boeren in dit overstromingsgebied geen gebruik kunnen maken van de flankerende landbouwmaatregelen die uitgewerkt worden voor het geactualiseerde Sigmaplan. Dat was toch een flinke streep door onze rekening”.

Het kroonjuweel van de samenwerking in Kruibeke is de mestverwerkingsinstallatie die misschien dit jaar nog operationeel zal zijn. De lokale boeren hebben zich alvast verenigd in een coöperatieve vennootschap, de VLM heeft een perceel gekocht en het agentschap Waterwegen en Zeekanaal NV is principieel akkoord met het hele project. “Wij noemen het een mestdrukverminderingsinstallatie”, preciseert Cant. “Het is enkel de bedoeling dat de overheid ervoor zorgt dat we straks onze mest nog aan dezelfde prijzen kunnen afzetten zoals vroeger het geval was. Als deze doelstelling gehaald wordt, kunnen we in de beheercommissie soepel praten over strengere bemestingsnormen in de weidevogelgebieden”. Of de portemonnee van de boeren aan het eind van het hele verhaal zwaarder of lichter zal wegen? “Dat is moeilijk in te schatten”, zucht Cant. “We hebben in de loop der jaren toch 50 à 60 boeren aan boord kunnen houden in het overstromingsgebied, wat toch veelbetekenend is. Dit is in elk geval een belangrijk pilootproject waar ook landbouwers uit andere streken naar komen kijken. Men moet het kansen blijven geven”.


Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via