nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

17.02.2012 Organische stofgehalte in bodem neemt opnieuw toe

Het gehalte organische stof in de bodem van Belgische landbouwgrond is de jongste jaren opnieuw aan het stijgen nadat het sinds 2000 gestaag was afgenomen. Organische stof is een basisparameter voor de bodemkwaliteit en de bodemvruchtbaarheid. “Responsabilisering van de boeren en maatregelen zoals niet-kerende grondbewerking en groenbedekkers werpen hun vruchten af”, klinkt het bij de Bodemkundige Dienst van België.

Over het algemeen heeft het merendeel van de Belgische akkerbouwpercelen een goede voorziening aan organische stof, maar de laatste 15 jaar werd een daling van de bodemvoorraad aan organische stof vastgesteld. Een aantal oorzaken van de daling waren de toenemende ploegdiepte, erosie, de afvoer van oogstresten, opgelegde beperkingen van het mestdecreet en gescheurde weilanden. “Het vraagt van de landbouwer een investering om op lange termijn de bodem in goede conditie te houden”, legt Annemie Elsen van de Bodemkundige Dienst uit.

Nochtans is het belang van voldoende organische stof in de bodem niet te onderschatten. “Het bevordert de structuur en de vochthuishouding van de bodem. Daardoor neemt de erosiegevoeligheid en de kans op verslemping van de bodem af, vooral op leemgronden. De organische stof zorgt ook voor een verhoging van het waterbergend vermogen van de grond. Daarnaast verbetert het de verluchting van de bodem en stimuleert het het bodemleven. Tot slot heeft het ook een belangrijke invloed op het vasthouden van voedingselementen”, aldus Elsen.

Het enige probleem is dat organische stof in de bodem niet kan gemeten worden. Daarom wordt het percentage koolstof gebruikt als parameter voor het organische stofgehalte omdat wordt aangenomen dat het organisch materiaal in de bodem gemiddeld 58 procent koolstof bevat. Op ongeveer de helft van de akkerbouwpercelen in België werd voor de periode 2008-2011 een goed gehalte aan koolstof vastgesteld. Daarmee wordt opnieuw het niveau van 1989-1999 gehaald. Nadien ging het bergaf met het koolstofgehalte. Tussen 2004 en 2007 viel minder dan 38 procent binnen de streefzone.

Ook bij weilanden werd een stijging van het koolstofgehalte genoteerd. Met 38 procent van de weides met een goed gehalte aan koolstof werd in de periode 2008-2011 het hoogste peil bereikt sinds de metingen. Tussen 1989 en 1991 viel 36 procent van de percelen binnen de streefzone. In de periode 2004-2007 was dit nog maar 32 procent. “Hoewel de trend minder duidelijk is dan bij de akkerbouwpercelen, zien we toch dat de jarenlange afname van het koolstofgehalte is afgewend”, zegt Elsen. “Maar op zanderige bodems is er wel nog werk aan de winkel.”

De positieve evolutie kan volgens de Bodemkundige Dienst voor een groot deel worden toegeschreven aan de responsabilisering van de land- en tuinbouwers en de toenemende toepassing van maatregelen zoals groenbedekkers, het inwerken van teeltresten en niet-kerende grondbewerking. De vrij sterke toename van het areaal korrelmaïs met veel oogstresten speelt eveneens een rol. “Ook het belang van perceelsspecifieke adviezen mag zeker niet uit het oog verloren worden”, benadrukt Annemie Elsen.

Zij wijst ook op een dubbele uitdaging waar de land- en tuinbouwers mee geconfronteerd worden. “We hebben gemerkt dat percelen met een zeer hoog koolstofgehalte vaker in de problemen komen en de stikstofnorm van 90 kilo stikstof per hectare overschrijden. Vandaar zal elke landbouwer een fijne evenwichtsoefening moeten maken tussen de normen van het mestdecreet en de randvoorwaarden inzake bodemkwaliteit die worden opgelegd in het kader van de Midterm Review. Meten om te sturen blijft dus meer dan ooit noodzakelijk”, besluit Elsen.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: LCV

Volg VILT ook via