nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Wetenschappelijke adviezen aan de basis van een verbeterd marien ruimtelijk plan voor Belgisch deel Noordzee
10.06.2013  Ruimtelijke planning op zee

België was in vergelijking met andere Europese kuststaten tot enkele jaren geleden voorloper in het opstellen van een zoneringsplan voor ons deeltje van de Noordzee. Naast zones voor natuurbescherming zijn er gebieden afgebakend voor de meeste menselijke activiteiten op zee, zoals zandontginning, terugstorten van baggerspecie, windenergie en scheepvaart. Momenteel ligt de focus van het beleid van de federale minister van de Noordzee op de vertaling van dat zoneringsplan in een echt ruimtelijk beheersplan om bepaalde zones beter te beschermen en eventueel nieuwe activiteiten beter in te kunnen plannen. De mariene wetenschappers van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek ondersteunen dit planologisch proces met cijfergegevens en adviezen.

Net zoals de ruimtelijke planning op land zowel een beperking als een bescherming van functies en bestemmingen inhoudt, zo heeft ook het ruimtelijk beheersplan voor de Belgische zeegebieden als doel om de economische én ecologische activiteiten op een duurzame manier naast elkaar te laten bestaan. Kris Hostens, Ellen Pecceu en Gert Van Hoey van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO-Aquatisch Milieu en Kwaliteit) vertellen ons er meer over.

De federale ministerraad keurde onlangs het ontwerp van marien ruimtelijk plan van de Belgische zeegebieden principieel goed. Ook de procedure rond een nieuwe activiteit, namelijk het energie-atol is uitgeschreven. Wat gaat dat in de praktijk van de gebruikers van de zee en voor de mariene wetenschappers veranderen?

Kris Hostens: Op korte termijn zal er voor hen niet zoveel veranderen, op de lange termijn ongetwijfeld wel. De ruimtelijke zoneringsplannen voor de Noordzee en de andere Europese zeeën kennen al een vrij lange geschiedenis. Nadat bleek dat diverse functies met elkaar in conflict leken te komen, rees de behoefte aan duidelijke afspraken. In het Belgisch deel van de Noordzee (BDNZ) ligt één van de drukste scheepvaartroutes ter wereld. Daarnaast is men al sinds de jaren ‘70 bezig met zandwinning in de Belgische wateren, maar doordat er steeds op dezelfde zandbank werd ontgonnen, dreigde er in het begin van de 21ste eeuw overexploitatie van zand in dat ene gebied. Visserij is er altijd al geweest en we weten allemaal dat overexploitatie van de visstocks wereldwijd voor grote problemen zorgt. Ondanks een steeds inkrimpende vloot is de impact van de visserij op diverse ecosysteemfuncties in het BDNZ zeker niet te onderschatten. Sinds een jaar of tien zien we een expansie van hernieuwbare energie-exploitatie op zee in de vorm van windmolens en de eventuele bouw van een energie-atol. Op het eerste zicht dus te veel activiteiten voor een te kleine oppervlakte.

Via een zoneringsplan (1999-2005) werd een eerste stap gezet om de mogelijke conflicten in kaart te brengen en te minimaliseren. Zo werden de windmolenconcessies precies op de Thorntonbank en de omliggende zandbanken gelokaliseerd, niet alleen omwille van de draagkracht en de bodemgesteldheid, maar vooral omdat voor de Vlaamse visserij deze gebieden commercieel minder interessant waren. Het omzetten van het marien zoneringsplan naar een afdwingbaar ruimtelijk beheersplan zal volgens mij echter vooral het natuurbehoud ten goede komen, waarbij de mariene wetenschappers duidelijk in beeld zullen komen. Naast dit ruimtelijk plan heeft de implementatie van diverse Europese natuurbehoudsrichtlijnen een hele machinerie in gang gezet. Je moet daarbij in kaart hebben wat de huidige toestand is, welke soorten er bedreigd worden, waar de knelpunten liggen. Vervolgens wordt bekeken welke gebieden er extra moeten beschermd worden en welke maatregelen kunnen leiden tot een verbetering.

Hoeveel mariene natuurgebieden zijn er in ons deel van de Noordzee?
Ellen Pecceu: Het Belgisch deel van de Noordzee is relatief klein maar wel erg gevarieerd. We hebben 67 km kustlijn en 3.600 km² zee, ruwweg in de vorm van een trapezium dat maximaal 87 km uit de kust reikt. In dat gebied ligt een complex zandbankensysteem opgedeeld in 4 groepen: de Kustbanken, de Vlaamse Banken, de Zeelandbanken en de Hinderbanken. Naast deze permanent onder water liggende zandbanken, vinden we er ook grindbedden en biogene riffen, gevormd door kokerbouwende organismen.

De eerste stap naar natuurbescherming op zee heeft een voorgeschiedenis van bijna 20 jaar, met nogal wat tegenkantingen en politiek getouwtrek. De impuls voor natuurbehoud kwam vanuit Europa: met de oprichting van een netwerk van Natura2000-gebieden mikt men op het behoud van het leefgebied voor een aantal bedreigde vogel- en diersoorten. In de periode 1999 tot 2003 mislukten alle pogingen om natuurbeschermingsgebieden af te bakenen in het Belgisch deel van de Noordzee, vooral ten gevolge van slechte communicatie. In 2005 werden vijf gebieden dicht bij de kust afgebakend in het kader van het Natura2000-netwerk: drie vogelrichtlijngebieden (de speciale beschermingszones V1 nieuwpoort, V2 Oostende en V3 Zeebrugge) en twee habitatrichtlijngebieden (Trapegeer-Stroombank en Vlakte van de Raan). In 2006 kwam er nog een klein reservaat (de Baai van Heist) bij als marien beschermd gebied of MPA. Na een slopende procedure bij de Raad van State werd op vraag van een elektriciteitsbedrijf in 2008 de beschermingsstatus van het gebied de Vlakte van de Raan geannuleerd. Tot op heden is dit nog steeds een conflict tussen de Belgische staat en Europa, waarvoor geen duidelijke oplossing in zicht is.

In 2010-2011 werd er een vrij revolutionaire stap gezet op het vlak van mariene natuurbescherming. Europa verplicht elke lidstaat om tussen 20 en 60 procent van een bepaald habitattype in hun zeegebied als habitatrichtlijngebied af te bakenen. Op basis van gefundeerde wetenschappelijke adviezen werd het Trapegeer-Stroombankgebied uitgebreid over de volledige Vlaamse Banken, waardoor momenteel het totale aantal km² beschermd gebied is uitgebreid tot één derde van het BDNZ. Met die 33 procent zitten we dus ergens in het gemiddelde van wat Europa ons oplegt.

Waar staan we nu?
Kris Hostens: Voor elk van die natuurgebieden moet er een Europees goedgekeurd beleidsplan komen met maatregelen die het habitat echt beschermen en de overleving van de aanwezige populaties (o.a. bodemdieren, zeezoogdieren, zeevogels) ondersteunen of bevorderen. Maar daar zijn we dus nog niet. De wettelijke omkadering van het marien ruimtelijk beheersplan, dat door het kabinet Vande Lanotte wordt uitgewerkt, trekt volop de kaart van natuurbehoud. Er wordt onderzocht in hoeverre bepaalde activiteiten en functies kunnen gecombineerd worden in eenzelfde zone, bijvoorbeeld maricultuur én rustplaatsen voor zeehonden in windmolenparken, die ook als refugium voor tal van organismen kunnen dienen. Ook revolutionair is dat er over economisch nieuwe activiteiten wordt nagedacht, zoals zones voor de opslag van energie (energie-atol), al dan niet in combinatie met toerisme en natuurbescherming. Anderzijds wordt er ook gekeken of bepaalde activiteiten (zoals sommige types visserij) in de speciale natuurbeschermingszones moeten vermeden worden - al dan niet gedurende bepaalde periodes in het jaar - om de vooropgestelde instandhoudingsdoelstellingen voor het natuurbehoud te bereiken. Dit alles gebeurt in overleg met alle betrokken partijen.

Het geamendeerde ruimtelijk beheersplan voor het BDNZ bezit nu een wettelijke basis om de natuurbescherming op zee beter afdwingbaar te maken. Zijn de maatregelen er al?
Gert Van Hoey: De procedure is in grote lijnen uitgestippeld. Met de uitwerking zijn we nog volop bezig. Naast dit ruimtelijk beheersplan is er namelijk een heel belangrijke Europese richtlijn, de kaderrichtlijn Mariene Strategie, die een ‘goede milieutoestand’ wenst te bereiken voor alle Europese zeeën tegen 2020. Die vormt de motor om de kwaliteit van het mariene milieu te verbeteren. De implementatie van de richtlijn Mariene Strategie zit nu in een eerste cyclus. In eerste instantie werd een nulmeting opgesteld door de BMM (federale Beheerseenheid Mathematisch Model van de Noordzee) in samenwerking met de volledige mariene onderzoekswereld. Dat had heel wat voeten in de aarde: we moesten als wetenschappers eerst beslissen hoe en met welke indicatoren de afzonderlijke gebieden in de gaten zouden worden gehouden en hoe de cijfers over vooruitgang, achteruitgang of status quo van het aanwezige mariene leven zouden worden gegenereerd. Dit werk is nog niet af en zal progressief, via lopend onderzoek en monitoring, bijgestuurd worden gedurende die eerste zesjarige cyclus.

Hiervoor kan er geput worden uit het lopend onderzoek aan de verschillende wetenschappelijk instellingen in België. De BMM is in samenwerking met de FOD Leefmilieu verantwoordelijk voor de coördinatie van dit alles. Verder voert de BMM de monitoring uit naar zeezoogdieren (o.a. bruinvissen) en fauna van harde substraten en chemische analyses in de waterkolom. Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek staat onder andere in voor de biologische monitoring van benthos, zooplankton en juveniele vissen, de chemische analyses in sediment en biota, en de bepaling van commerciële visbestanden. Het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek (INBO) monitort het zeevogelbestand en de zeezoogdieren. De sectie Mariene Biologie van de UGent focust zich meer op de biochemische processen bij bodemorganismen.

Daarnaast is het ook belangrijk om de intensiteit waarmee bepaalde activiteiten worden uitgevoerd op te volgen, om een correlatie met de ecologische indicatoren en de mogelijke effecten op het milieu mogelijk te maken. Voor zandwinning worden de zogenoemde blackbox (intensiteits)gegevens gebruikt. Om de impact van visserij te achterhalen, zal ILVO gebruikmaken van het zogenaamde VMS, Vessel Monitoring System. Dat is een systeem waarbij alle vissersboten verplicht om de 2 uur een signaal uitsturen waardoor hun traject te tekenen is. Niet alleen van de Belgische vaartuigen moeten dat doen. Ook de buitenlandse vissersvaartuigen die in Belgische wateren actief zijn.

Zijn de meetmethodes en verbeteringsstrategieën voor de marien beschermde gebieden vergelijkbaar in heel Europa?
Kris Hostens: Nog niet, maar als mariene wetenschappers werken we daar volop aan. Voor het bepalen van de visserijquota bestaat er al langer Europese afstemming. De voorbije jaren zijn er zogenaamde descriptoren of meetcriteria uitgewerkt voor de fysische, chemische en biologische toestand van het milieu. We hebben al meerdere zogenaamde intercalibratie oefeningen georganiseerd om de vele bestaande en nieuw ontwikkelde indicatoren in de verschillende Europese landen op elkaar af te stemmen. Ik verwacht nog felle debatten over hoe de maatregelen uiteindelijk geïmplementeerd zullen worden.

Wat zeker ook nog moet gebeuren, is een betere afstemming met onze directe buurlanden Nederland en Frankrijk. Het heeft bijvoorbeeld geen zin om onze eigen Vlaamse vissers te vragen om in een beschermd gebied een ander visserijmethode te hanteren zodat de populaties van bepaalde bodemdieren beschermd worden, terwijl de andere landen dat gebied vrolijk kunnen blijven leegscheppen.

Er is dus nog wel wat werk aan de winkel, en niet alleen voor de mariene wetenschappers. Ondertussen is wel duidelijk dat onze wetenschappelijke adviezen het Belgisch en Europees marien ruimtelijk beheer zeker ten goede komen. Zo werkt ILVO mee aan het Europees project MESMA omtrent monitoring en evaluatie van mariene ruimtelijk beheerde gebieden, waarbij onder andere het volledige verloop van de ruimtelijke planning in het Belgisch deel van de Noordzee wordt vergeleken met negen andere gebieden verspreid over de Europese zeeën. Tussen 8 en 10 oktober gaan we de eindresultaten van dit grootschalig onderzoek voorstellen op een conferentie in Lissabon.

Bron: |

In samenwerking met: ILVO

Volg VILT ook via