nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Nieuw beleid nodig om milieudoelstellingen te halen"
17.05.2010  Stijn Overloop (VMM) en Dirk Van Gijseghem (AMS)

Volstaat het huidige milieubeleid om de Europese milieudoelstellingen te halen? Met die vraag in het achterhoofd tekende de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) in nauw overleg met andere administraties toekomstscenario’s uit. Voor de landbouwsector waren Stijn Overloop, verantwoordelijke voor landbouw bij de dienst Milieurapportering van VMM, en Dirk Van Gijseghem, afdelingshoofd Afdeling Monitoring en Studie, de architecten van dienst. Op basis van twee scenario’s berekenden zij in welke mate landbouw bijdraagt tot het behalen van de milieudoelstellingen. Alle resultaten zitten vervat in de studie Milieuverkenning 2030.

Wat is het doel van de Milieuverkenning 2030?
Stijn Overloop: De Milieuverkenning 2030 is een rapport dat geschreven is om ideeën aan te leveren voor het te voeren milieubeleid in de periode 2011-2015. De Vlaamse overheid is volop bezig met de voorbereiding voor een nieuw milieubeleidsplan voor die periode: het MINA-plan 4. Toch kozen we ervoor om vooruit te kijken tot 2030 omdat de uitdagingen groter zijn dan we op korte termijn kunnen realiseren. Daarnaast willen we met dit rapport ook inspirerend werken voor andere beleidsdomeinen. De Milieuverkenning is trouwens een knap staaltje van beleidsdomeinoverschrijdende samenwerking. Voor elke sector werken we nauw samen met de administraties van andere beleidsdomeinen, zoals landbouw.

Welke sectoren werden opgenomen in de studie?
Stijn Overloop: Naast landbouw zijn dat huishoudens en handel & diensten, industrie, transport en energieproductie. Voor elk van die sectoren zijn we gaan kijken naar hun impact op landgebruik, water- en luchtkwaliteit. De Milieuverkenning laat ons toe om te bepalen welke impact elke sector heeft op het milieu. Zo kunnen we bijvoorbeeld voor het thema verzuring bepalen welk aandeel landbouw, industrie of transport heeft in de vervuiling.

Jullie vertrekken in de studie vanuit twee scenario’s voor landbouw. Waarom?
Dirk Van Gijseghem: Een scenario is een samenhangend pakket beleidsmaatregelen. Je kan het zien als een soort van toekomstverhalen: hoe kan de toekomst eruit zien en welk beleid hoort daar dan bij? Het laat toe om verschillende keuzes tegenover elkaar te stellen. Natuurlijk kan je daar ver in gaan, maar om het overzicht te bewaren, hebben we ons in het rapport beperkt tot drie scenario’s. Voor landbouw hebben we het zelfs op twee gehouden omdat bleek dat drie scenario’s uitwerken onmogelijk was. Enkel voor de glastuinbouwsector hebben we er nog een derde uitgewerkt.

Hoe zijn die scenario’s tot stand gekomen?
Stijn Overloop: Vanuit de VMM hebben we eerst een blauwdruk van de scenario’s gemaakt. Die hebben we voorgelegd aan experten in milieu- en landbouwbeleid, zoals mensen uit overheidsadministraties, wetenschappers van ILVO, enz. In een volgende stap hebben we die scenario’s voorgelegd aan lectoren uit het brede maatschappelijke veld met de vraag of de juiste conclusies werden getrokken uit het cijfermateriaal dat geproduceerd is. Die werkwijze hanteren we altijd bij MIRA.

Welke scenario’s werden gebruikt voor landbouw?
Stijn Overloop: Het eerste scenario is het referentiescenario. Dit toont aan waar we naar toe gaan met landbouw en milieu als het huidig beleid wordt verder gezet. Onder het huidig beleid verstaan we onder meer het mestbeleid, de maatregelen rond emissiearme stallen en de beheerovereenkomsten die een betekenisvolle bijdrage leveren aan een verbeterde milieukwaliteit. Op die manier kunnen we nagaan of er bijkomende milieumaatregelen nodig zijn om een aantal doelstellingen te halen die in het Vlaamse milieubeleid zijn ingeschreven.

En het tweede scenario?
Stijn Overloop: Dat is het Europa-scenario. Hier zijn we vertrokken van de milieudoelstellingen die ons opgelegd zijn door Europa. Om die te realiseren is er een aangescherpt beleid nodig. Zo wordt het mestbeleid strenger, het landbouwareaal waar maatregelen worden genomen voor bescherming van milieu en natuur breidt uit van 22.000 hectare tot 162.000 hectare. Dat is ongeveer een kwart van het totale landbouwareaal. Het gaat over percelen gelegen langs waterlopen en sterk erosiegevoelige percelen. Wij geven in ons rapport geen details over hoe dit moet gerealiseerd worden, we laten dit over aan het beleid. Voor de glastuinbouwsector hebben we nog een derde scenario uitgewerkt, het visionair scenario. Daarin wordt nagegaan welke maatregelen moeten genomen worden om de uitstoot van broeikasgassen met de helft te verminderen. Dat vergt een heel andere manier van omgaan met energie. De landbouwsector in het algemeen is veel te divers en er zijn nog veel te veel onzekerheden om dit te kunnen doen, vandaar dat we ons beperkt hebben tot de glastuinbouw.
Dirk Van Gijseghem: Om alles te kunnen extrapoleren in de tijd, moeten we dit in een model gieten. We moeten dus van een aantal vooronderstellingen uitgaan waarmee we gaan rekenen. De grote assumptie die we gehanteerd hebben, is winstmaximalisatie. Elke boer streeft er immers naar om zijn winst te maximaliseren. Die vooronderstellingen zijn inherent aan modelberekeningen. Je kan er niet oneindig veel variaties in aanbrengen. Beide scenario’s vertrekken wel van dezelfde demografische variabelen zoals de bevolkingsgroei en dezelfde economische variabelen. Ook hebben we de zekerheden uit het toekomstige Europees landbouwbeleid meegenomen, zoals de afschaffing van het melkquotum in 2015.

Jullie hebben voor beide scenario’s de impact op de veestapel berekend.
Stijn Overloop: Klopt. Bij ongewijzigd beleid geeft het model aan dat de veestapel zal toenemen, bij bijkomend milieubeleid zal hij dalen. Het verschil zit hem vooral bij de vleesveestapel. Die daalt in beide scenario’s. De rendabiliteit van de vleesveesector lijdt het sterkst onder een aangescherpt mestbeleid. Ergens is dat jammer want voor het behoud van het blijvend graslandareaal heb je vleesvee nodig. De varkens- en pluimveesector komt er veel beter uit omdat mestverwerking ons toelaat om het mestoverschot weg te werken. Veronderstelling daarbij is wel dat alle verwerkte mest een afzet vindt in binnen- of buitenland. Want bij strengere bemestingsnormen ontstaat er opnieuw een mestoverschot.
Dirk Van Gijseghem: Het meest opmerkelijke van de berekeningen is toch wel dat de huidige varkens- en pluimveestapel kan behouden blijven. Dat is allemaal te danken aan de mestverwerking. Toen we in 2001 dezelfde oefening gemaakt hebben, waren er duidelijke krimpscenario’s voorzien voor de intensieve veehouderij omwille van de milieudruk. Ondertussen is de techniek van mestverwerking op punt gesteld en liggen de kaarten helemaal anders. We zien wel dat de vleesveesector het blijft moeilijk hebben, maar dat is puur een verhaal van rendabiliteit. Wat uiteraard niet uitsluit dat er in de toekomst nieuwe technieken of systeeminnovaties komen die de rendabiliteit kunnen verhogen.

Wat gebeurt er in beide scenario’s met het landbouwareaal?
Stijn Overloop: De bevolking groeit tegen 2030 met 12 procent. Daardoor stijgt de vraag naar ruimte om te wonen. We gaan ervan uit dat het landbouwareaal licht afneemt met 3 tot 5 procent. Die afname kan getemperd worden door bijvoorbeeld kleinere bouwkavels in te stellen. In het Europa-scenario zijn extra maatregelen nodig in gebieden rond waterlopen en in sterk erosiegevoelige gebieden om de waterkwaliteit te verbeteren. Dit leidt tot een inkomstenderving voor de landbouwers van ongeveer 10 procent. Een mogelijkheid om dit te realiseren, is via beheerovereenkomsten. Hoe de sector daarvoor vergoed wordt, is een keuze die buiten deze scenario’s dient gemaakt te worden.

Het energiegebruik daalt volgens de scenario’s?
Stijn Overloop: Volgens cijfers van 2006 is 64 procent van het energiegebruik in de landbouw voor rekening van de glastuinbouw. Daarom hebben we in het rapport vooral gekeken naar de mogelijkheden voor efficiënter energiegebruik en alternatieve energiebronnen in serres. Het energiegebruik daalt in alle scenario’s door de vervanging van steenkool en stookolie door gas, warmtekrachtkoppeling, industriële restwarmte of energiebesparende teelttechnieken. Daardoor kan een omschakeling naar meer energie-intensieve gewassen ervoor zorgen dat het energiegebruik per eenheid oppervlakte weer toeneemt. Voor de andere landbouwsectoren zijn ook efficiëntiewinsten mogelijk en nodig naarmate de prijzen van brandstoffen verder zullen stijgen in de toekomst.

Hoe is het in 2030 gesteld met de uitstoot van broeikasgassen?
Stijn Overloop:
De landbouw, en meer bepaald de veeteelt, stoot vooral lachgas en methaan uit. Door evoluties in de veestapel en in de glastuinbouw kan bij huidig beleid de uitstoot met 11 procent dalen tegen 2030 in vergelijking met 2006. Met nieuwe maatregelen in het Europa-scenario kan een daling van 22% gerealiseerd worden. Een betere beheersing van de emissies bij mestverwerking, bijvoorbeeld door biogaswinning, kan de uitstoot verder reduceren. Zo kan landbouw zijn voortrekkersrol inzake emissiereductie behouden.

Wat zeggen de scenario’s over nitraat en fosfaat?
Stijn Overloop: De milieudruk naar oppervlakte- en grondwater voor nitraat en fosfaat wordt uitgedrukt via het overschot op de bodembalans van nutriënten. Met het huidige beleid en de ontwikkelingen van de landbouwprijzen zal het overschot op de bodembalans voor stikstof verder dalen. Deze daling is wellicht niet voldoende om de landbouwbijdrage te verzekeren aan een goede waterkwaliteit. De realisatie van de goede waterkwaliteit is als doelstelling opgenomen in het Europa-scenario en komt voort uit het Europese integrale waterbeleid. De aanscherping van het mestbeleid verzekert wel dat de stikstofstroom uit de landbouw naar het water voldoende afneemt. Voor fosfaat tonen de scenario’s dat ook de voortzetting van het huidig beleid leidt tot een nuloverschot. Met andere woorden, na jaren van fosfaatoverschot op de landbouwgronden toont dit scenario aan dat dit overschot volledig weggewerkt kan worden. Enkel zo kan de fosfaatverzadiging op heel wat gronden teruggeschroefd worden. Voorwaarde is wel dat ook de mestverwerking sterk wordt uitgebouwd.

Tot slot is er nog de luchtkwaliteit. Kan die op lange termijn verbeterd worden?
Stijn Overloop: De landbouw beïnvloedt de luchtkwaliteit vooral door de uitstoot van verzurende stoffen, zoals ammoniak, en door fijn stof. Ammoniakemissies kunnen sterk teruggedrongen worden bij de voortzetting van het huidig beleid rond emissiearme stallen, tenminste als bij elke hervergunning de stal emissiearm wordt gebouwd. Dat leidt tot emissiedalingen die veel verder kunnen gaan dan wat nu momenteel op tafel ligt bij de onderhandelingen over emissienormen in het kader van het Europees luchtbeleid. Als we de primaire stofemissie bekijken, dan is de bijdrage die landbouw daaraan levert, belangrijk. Voor de fijnste fracties stof dat effect heeft op de volksgezondheid, is landbouw verantwoordelijk voor 21 procent van de emissies. Een dalende veestapel en emissie-arme stallen leiden tot lagere stofemissies: een daling van 14 procent kan gerealiseerd worden.

Om even samen te vatten: als het huidig beleid wordt verder gezet, waar duiken er dan problemen op?
Stijn Overloop: Volgens het referentiescenario komen we in de problemen met de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, waar ik ook de Nitraatrichtlijn bij betrek. Ook voor de emissies naar de lucht zoals ammoniak en fijn stof is het, volgens de berekeningen, nodig om bijkomende maatregelen te nemen. We moeten ook verder inzetten op onderzoek naar nieuwe technieken en processen. Uit de scenario’s blijkt immers dat we met de huidige kennis van milieutechnische maatregelen, niet veel verbetering meer kunnen realiseren na 2020. De ontwikkeling van nieuwe technologieën speelt zowel in het verbeteren van bestaande productiesystemen als in het ontwerpen van nieuwe systemen, een belangrijke rol.

Kan het Europa-scenario dit opvangen?
Dirk Van Gijseghem: In het Europa-scenario is het mogelijk om de meeste milieudoelstellingen te halen. Dit houdt onder meer een strenger mestbeleid in en een substantiële toename van het landbouwareaal met milieudoelstellingen.

Laat het Europa-scenario een leefbare landbouwsector toe?
Dirk Van Gijseghem: Het areaal onder beheerovereenkomst moet uitbreiden van 22.000 hectare naar 162.000 hectare. Daardoor zou het landbouwinkomen met 10 procent dalen. De vergoedingen voor landbouwgronden met beheerovereenkomsten zullen ook in de toekomst moeten blijven bestaan. Dit strookt ook met bepaalde ideeën van de Europese Commissie die er van uitgaat dat de landbouw in de toekomst zal vergoed worden voor de maatschappelijke diensten, de zogenaamde groene en blauwe diensten, die hij aanbiedt.

Hoe doen we het in vergelijking met de andere sectoren?
Stijn Overloop: We hebben dat niet expliciet geëvalueerd, maar landbouw is zeker niet de slechtste leerling van de klas. Op vlak van broeikasgassen zijn we relatief goed bezig en het energiegebruik van de landbouwsector is niet zo slecht. Er zijn wel nog twee knelpunten: water en biodiversiteit. Daar moeten we absoluut een extra inspanning leveren.

Jullie willen met dit rapport geen beleidsaanbevelingen doen. Waarom niet?
Stijn Overloop: Beleidskeuzes maken is voor de politiek. Wij willen met deze berekeningen er wel voor zorgen dat slimmere beleidsbeslissingen kunnen gemaakt worden. Vandaar dat we enkel aangeven waar je geraakt met welke maatregel. Welke maatregel er uiteindelijk gekozen wordt, valt buiten onze taak. Maar we hopen wel dat we een aantal zaken duidelijk gesteld hebben. Enkel met nieuw beleid zal de realisatie van de milieudoelstellingen mogelijk zijn!

 

Meer informatie: Milieuverkenning 2030: Landbouw

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via