nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

27.06.2019 Autoriteiten zoeken gerichter naar residuen in voeding

De datavergaring door voedselveiligheidsautoriteit EFSA toont aan dat overschrijdingen van de maximale residulimieten (MRL) voor gewasbeschermingsmiddelen in 2017 iets vaker voorkwamen dan het jaar voordien. Het aantal overschrijdingen stijgt van 3,8 naar 4,1 procent, wat vooral te wijten is aan meer gerichte staalnamen op voeding afkomstig uit (derde) landen waarvan de autoriteiten weten dat het probleem zich er nog stelde in het verleden. Op de globale rapportering voor de 28 lidstaten zit twee jaar vertraging. Een constante doorheen de jaren is dat voeding van Europese herkomst beter scoort dan import, want bij tropisch fruit en andere ingevoerde voedingswaren brengen labo-analyses in 7,6 procent van de gevallen een overschrijding aan het licht.

Ter bescherming van de consument zijn er in Europa voor meer dan 370 voedingsproducten maximale residulimieten voor een 500-tal gewasbeschermingsmiddelen vastgesteld. Wordt er bij staalname een groter restant van een actieve stof teruggevonden, dan gaat het voedingsmiddel in kwestie van de markt. Dat gebeurt vooral uit voorzorg, en is naar de producenten toe een duidelijk signaal dat ze de goede landbouwpraktijken dienen na te leven. Een overschrijding van de MRL houdt daarom nog geen risico op gezondheidsschade in. De limieten zijn immers zo laag dat iemand al onnoemelijk veel van een lichtjes gecontamineerd voedingsproduct zou moeten eten.

De jongste rapportering door EFSA heeft betrekking op de data die de nationale autoriteiten in 2017 verzamelden. In de 28 lidstaten, IJsland en Noorwegen werden dat jaar circa 88.000 stalen van voedingswaren genomen. In 4,1 procent van de stalen werd een overschrijding van een residulimiet gemeten. Bijna 96 op 100 voedingswaren scoorden veilig, dat wil zeggen dat er geen sporen van gewasbeschermingsmiddelen in teruggevonden werden (54,1%) of de gemeten residuen binnen de wettelijke limieten vielen (41,8%). Met de gesofisticeerde meettechnieken in een labo kan men tegenwoordig een concentratie van 0,01 mg van een actieve stof per kilo van een voedingsproduct opsporen. Dat is het equivalent van vijf koffielepeltjes suiker in een zwembad met Olympische afmetingen.

Overschrijdingen van de MRL’s kwamen in 2017 iets vaker voor, in 4,1 op de 100 staalnamen. De jaren voordien bleef dat aandeel altijd onder de 4 of zelfs onder de 3 procent. Volgens de voedselveiligheidsautoriteit is daar een logische verklaring voor: er wordt gerichter gezocht. Bij geïmporteerde voedingswaren stelt zich vaker het probleem dat de strenge EU-normen voor pesticidenresiduen overschreden zijn. Daarom werd er meer werk gemaakt van doelgerichte staalname die rekening houdt met de herkomst van een voedingsmiddel. Op 100 stalen zijn er 12 die niet lukraak maar weloverwogen gekozen zijn. In eigen land werd er twee jaar geleden 2.780 keer gezocht naar pesticidenresiduen. In 5,6 procent van die stalen werd een te hoog restant gemeten. Kijken we opnieuw naar het totaalplaatje, dan zie je dat bijna één op drie stalen werden genomen van buiten Europa ingevoerde voedingswaren. Turkije is goed voor 9.000 van de in totaal 31.00 analyses op ingevoerde producten.

Voor het ene product wordt er ook intensiever gezocht naar sporen van gewasbeschermingsmiddelen dan voor het andere. Bij (sub)tropisch fruit zijn de voedselagentschappen extra waakzaam want één op tien stalen overschrijdt de residulimiet. Logischerwijze controleert men deze categorie dan ook vaker dan bijvoorbeeld steen- en pitfruit. Bij de groenten zie je dat telers van bladgroenten harder worstelen met de MRL’s dan de telers van vruchtgroenten. Voor waterkers blijkt het bijvoorbeeld bijzonder moeilijk om de MRL’s niet te overschrijden. Eén op twee stalen voldeed niet. Bij de verwerkte voedingswaren scoren koffie, thee en cacao niet goed (16,1% overschrijdingen). Jonge ouders mogen op hun twee oren slapen want fabrikanten van babyvoeding zijn erg beducht voor de MRL’s. In bijna 95 procent van de gevallen blijven stalen van babyvoeding niet alleen onder de veiligheidslimiet maar ook onder de detectielimiet.

Zoals ieder jaar zijn in ongeveer een kwart (27,5%) van de circa 88.000 geanalyseerde stalen residu’s aangetroffen van meer dan één gewasbeschermingsmiddel. Dat kwam het vaakst voor bij aardbeien en ander zachtfruit alsook bij citrusvruchten. Zolang elke actieve stof onder de wettelijke limiet blijft, is er voor EFSA niet meteen probleem. Met de wetenschappelijke kennis die vandaag voorhanden is, maakt de Europese autoriteit zich sterk dat het onwaarschijnlijk is dat blootstelling aan een combinatie van pesticidenresiduen een gevaar inhoudt voor de volksgezondheid, en dat zowel op korte als op lange termijn. Een normaal eetpatroon zal consumenten altijd blootstellen aan meerdere residuen tezelfdertijd. Met een nieuwe meetmethode gaat EFSA in de toekomst een beter zicht krijgen op het gecombineerd effect daarvan. Over het zogenaamde combitox-effect liet VILT recent nog een expert in gewasbescherming aan het woord. Professor Pieter Spanoghe (UGent) werkte mee aan de nieuwe meetmethode.

Ongerustheid is er niet zozeer over het combitox-effect, wel over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die hun markttoelating in Europa reeds verloren zijn. Herhaaldelijk werden actieve stoffen gemeten die hier niet toegelaten zijn zodat EFSA misbruik vermoedt, onder meer door wortel- en uientelers, en de lidstaten de raad geeft om dit goed op te volgen. Het probleem stelt zich overigens ook bij geïmporteerde voedingswaren, meer bepaald bij kiwi’s, appelsienen, droge bonen en rijst. Van de nog altijd toegelaten maar omstreden stof glyfosaat zeggen tegenstanders dat ze overal in het leefmilieu voorkomt. Amper of niet in onze voeding, zo blijkt, want in 97,5 procent van bijna 8.700 stalen werd de onkruidbestrijder helemaal niet gedetecteerd. In 2 op 100 stalen werd glyfosaat gemeten en slechts in 2 op 1000 stalen werd de residulimiet overschreden. Aangezien glyfosaat een niet selectief herbicide is dat enkel ingezet kan worden op braakliggende gronden of op percelen waar gras als groenbedekker groeit, hoeft dat niet eens te verbazen.

Meer info: EFSA

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: faculteit Bio-ingenieurswetenschappen UGent

Volg VILT ook via