nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

10.07.2019 Boeren zitten met veel vragen tijdens infosessies MAP6

Deze en vorige maand organiseerde de Vlaamse Landmaatschappij infosessies voor landbouwers over het nieuwe mestactieplan (MAP6). VILT was aanwezig in Glabbeek en vernam er dat het met de waterkwaliteit in Vlaams-Brabant vrij goed zit, uitgezonderd in het oosten van de provincie. “In deze streek is de nitraatdruk vanuit landbouw kleiner dan in West-Vlaanderen, maar de ondergrond maakt dat nitraat trager wordt afgebroken in het grondwater”, luidt de verklaring. Met die grondwaterkwaliteit wordt meer rekening gehouden in MAP6 zodat extra inspanningen nodig zijn om de nitraatconcentraties omlaag te brengen. De luisterbereidheid bij de talrijk opgedaagde landbouwers was groot. Uit de talrijke vragen bleek ongerustheid omtrent de complexiteit en rigiditeit van MAP6.

Het mestbeleid heeft de waterkwaliteit in Vlaanderen onmiskenbaar verbeterd, maar de progressie is in 2013 stilgevallen. “Onder meer door de ongunstige weersomstandigheden zagen we afgelopen winterjaar een verslechtering van de nitraatgehaltes in oppervlaktewater, naargelang het stroomgebied tot wel 38 procent rode MAP-meetpunten”, zegt Koen Desimpelaere, diensthoofd Mestbeleid bij de Vlaamse Landmaatschappij. De provincie Vlaams-Brabant scoort over het algemeen goed, maar in Glabbeek – waar de infosessie over MAP6 plaatsvond – en bij uitbreiding het ganse oosten van de provincie kleurt de kaart overwegend rood en oranje. Die kleuren stemmen overeen met de gebiedstypes 2 en 3, waar de nitraatdruk het grootst is en een goede waterkwaliteit nog veraf is.

De oude indeling in focusgebied en niet-focusgebied is verlaten voor een indeling in vier gebiedstypes. In gebiedstype 0 (goed voor 272.430 hectare) is het beoogde resultaat, een goede waterkwaliteit, reeds bereikt. In gebiedstypes 1, 2 en 3 (samen goed voor 60% van het Vlaamse landbouwareaal) zijn daarentegen nog kleine tot grote inspanningen voor nodig. De afstand tot het doel wordt in MAP6 niet alleen meer afgemeten aan de kwaliteit van het oppervlaktewater, maar ook aan die van het grondwater. Voor de landbouwers in het oosten van Vlaams-Brabant is dat een nadeel. De nitraatdruk door landbouw is er kleiner dan in West-Vlaanderen (waar de problemen zich vooral in het IJzerbekken en Leiebekken situeren, nvdr.) maar de regio is benadeeld met een ondergrond die de afbraak van nitraat in het grondwater belemmert.

Deze ‘natuurlijke handicap’ zullen de Brabantse boeren en tuinders voor lief moeten nemen. Hun bemestingspraktijken moeten de komende vier jaar verder gefinetuned worden. Tijd om te verliezen, is er niet want een eerste evaluatie van het vernieuwde mestbeleid dringt zich volgende zomer al op. “We willen dus snel resultaat boeken”, zegt Desimpelaere, “en gaan alles in het werk stellen om de Europese doelen voor de waterkwaliteit te behalen.” Het zogenaamde 4J-principe wordt de leidraad voor de aanpak op het terrein, waarbij ‘4J’ staat voor de juiste mestsoort aan de juiste dosis op het juiste tijdstip met de juiste techniek.

Voor de politieke goedkeuring van het zesde mestactieplan was een extra plenaire zitting van het Vlaams Parlement voor de verkiezingen nodig. Het hobbelige parcours dat MAP6 aflegde, resulteert nu in grote tijdsdruk. Met onmiddellijke ingang, zelfs met terugwerkende kracht tot begin dit jaar, treedt het nieuwe Mestdecreet in werking. Eind juni is het informeren van landbouwers volop op gang gekomen, maar 14 juli is voor landbouwers al de eerste deadline voor een aantal administratieve verplichtingen. Zo moet de derogatie voor die datum aangevraagd worden door bedrijven die dierlijke mest optimaal willen benutten binnen strenge randvoorwaarden. Nog deze week moeten landbouwers ook beslissen over het al dan niet indienen van een vrijstellingsaanvraag op basis van een positieve bedrijfsevaluatie. Wie aan de hand van nitraatresidustaalnamen op bedrijfsniveau kan aantonen dat hij zorgvuldig bemest, wordt namelijk vrijgesteld van de drie belangrijkste nieuwe maatregelen uit MAP6.

De drie maatregelen waarvan hierboven sprake is, gelden specifiek voor de gebiedstypes 2 en 3 waar de waterkwaliteit nog aanzienlijk moet verbeteren. Het gaat om de stapsgewijze daling van de bemestingsnorm voor stikstof, het richting 2022 stijgende percentage van het akkerland dat verplicht ingezaaid moet worden met groenbedekkers en de regel dat vanaf 1 augustus vloeibare mest alleen nog met transportmiddelen uitgerust met AGR-GPS naar de akkers gevoerd mag worden. Aan het gemor in de zaal kon je merken dat er ongerustheid heerst over de haalbaarheid en betaalbaarheid van deze maatregelen. “Landbouwers worden door de Mestbank gewantrouwd”, zo interpreteerde iemand de verplichting om in de zomer de eigen mesttank werkloos te laten en een loonwerker (erkende mestvoerder die beschikt over AGR-GPS, nvdr.) te betalen voor het uitvoeren van drijfmest op de graanstoppel.

In een tweede artikel staan we onder meer stil bij de verplichting inzake vanggewassen. Het grote aantal vragen in Glabbeek verraadde de complexiteit van de nieuwe regeling. Een weerkerende bezorgdheid was bijvoorbeeld dat het zaaien van wintergraan als nateelt na een hoofdteelt aardappelen niet meetelt voor het doelareaal vanggewassen. Wintergraan ingezaaid na een ‘nitraatveilige’ hoofdteelt als granen of suikerbieten telt daarentegen wel mee.

Landbouwers vinden een overzicht van de administratieve deadlines op de website van de Vlaamse Landmaatschappij. De presentatie die getoond werd tijdens de infosessies staat ook online (onder de hoofding MAP6).

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via