nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

13.02.2020 Compactheid bij planten ingebouwd in hun DNA

Onderzoekers van ILVO en UGent zijn erin geslaagd om ‘compactheid’ als genetisch kenmerk in te bouwen bij drie sierteeltgewassen: viool, Sinningia en Osteospermum. Tot nu toe realiseren siertelers compacte groei door plantengroeiregulatoren te gebruiken, door licht- en temperatuursregimes te wijzigen of door te spelen met bemesting. De onderzoekers maken zich sterk dat deze techniek op termijn in staat is om het gebruik van groeiregulatoren in de sector met de helft te reduceren. “Dat zou een zeer significante economische én ecologische winst kunnen opleveren voor de sierteeltsector”, klinkt het.

Een sierplant hoort voor de consument vooral aantrekkelijk te zijn en te blijven. De planten worden dus liefst niet te groot of te grillig. Om daarvoor te zorgen heeft een sierteler verschillende technieken ter beschikking: spelen met lichtintensiteit en –spectrum, een wisselende dag- en nachttemperatuur én het gebruik van chemische groeiremmers. Ook in de klassieke kruisingsveredeling is er aandacht voor compactheid, maar soms met weinig succes.

In het VLAIO-onderzoeksproject ‘Compacte Planten’ is, met steun van de sector, drie jaar geëxperimenteerd met co-cultivatie met de natuurlijke bodembacterie Rhizobium rhizogenes, die in bepaalde gevallen het groeigedrag kan beïnvloeden. Concreet brengen de sierteeltonderzoekers in gecontroleerde laboratoriumomstandigheden twee dingen samen: plantenweefsel en de bewuste bacteriën. “De bacteriën dringen binnen in de plantencellen”, legt Ellen De Keyser, onderzoeker bij ILVO uit. “Daarna is het de uitdaging om uit de plantencellen alsnog nieuwe plantjes te laten groeien. Hun gewijzigd DNA (van binnenuit) dicteert dat er anders – in het beste geval dus beperkter - wordt gegroeid. De groeiwijze is met deze techniek blijvend gewijzigd, en dat is precies wat we willen.”

De onderzoekers zijn begonnen met vier voor de Vlaamse sierteelt waardevolle typegewassen waar compactheid een belangrijk kwaliteitscriterium is: viool, Osteospermum, Sinningia en azalea. Voor drie van de vier typegewassen (viool, Sinningia en Osteospermum) konden ze reeds effectief compactere planten realiseren. “Ook de proeven op bepaalde rozensoorten zijn veelbelovend”, klinkt het.

“Compactheid als eigenschap zit verspreid over heel wat genen die elkaar op een complexe manier beïnvloeden”, weet Ellen De Keyser. “Elke plantensoort is bovendien verschillend. Daarom zijn deze eerste successen een mogelijke game changer voor de sector.” De productie van compacte regeneranten is een stap in de pre-breeding, het basismateriaal waar een veredelaar uiteindelijk een marktklare cultivar uit kweekt. “Er is dus nog een veredelingsstap nodig om tot een commercieel waardevol product te komen. Maar met deze techniek kan door middel van selectie wel een duurzaam compacte plant verkregen worden die voldoet aan alle commerciële criteria. Ook de nakomelingen zullen voorbestemd zijn om compacter te blijven.” De onderzoekers geloven dat deze techniek op termijn in staat is om het gebruik van groeiregulatoren in de sector met de helft te reduceren.

Tijdens de komende FLORALL-beurs (3 maart – Waregem) demonstreren de onderzoekers de resultaten en nodigen ze siertelers uit om ook proeven te doen met andere sierteeltgewassen.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: ILVO

Volg VILT ook via