nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Ommezwaai in teelttechniek op sterk hellende percelen
02.06.2014  Erosiebeleid

Met knikkende knieën, zo keken landbouwers dit voorjaar naar de kleurtjes op hun computerscherm tijdens het invoeren van de perceelgegevens in het elektronisch loket van de overheid. Kleurde een perceel paars (zeer hoog erosiegevoelig) of rood (hoog erosiegevoelig), dan volgde het besef dat de veldwerkzaamheden niet meer zullen zijn wat ze waren. Vlaanderen verlangt namelijk extra inspanningen van haar boeren om de bodem te beschermen tegen erosie. Teelttechnieken die vaak van vader op zoon worden doorgegeven, voldoen soms niet langer. Voortaan moet het anders, grondig en bewust anders. Door maïs te zaaien na een strip-till bodembewerking bijvoorbeeld, of door drempeltjes aan te leggen bij ruggenteelt van aardappelen of wortelen. Wij zetten alle maatregelen op een rijtje voor de grote teelten. Op de inspanningen die de overheid verlangt van fruit- en siertelers komen we later in een nieuwsartikel terug.

Ruim 83.000 hectare landbouwgrond in Vlaanderen is door de hellingsgraad van de percelen matig tot zeer gevoelig voor erosie. Op de percelen met een hoog tot zeer hoog risico op erosie, bijna 50.000 hectare, dienen landbouwers hun teelttechniek aan te passen om te voorkomen dat vruchtbare grond wegspoelt en voor overlast zorgt. Deze percelen situeren zich voornamelijk in de Vlaamse Ardennen, het West-Vlaamse Heuvelland en het zuiden van Limburg en Vlaams-Brabant, de grensstreek tussen Vlaanderen en Wallonië dus. Op de minder sterk hellende percelen gelden geen verplichtingen, maar moedigt de overheid de landbouwer zachtjes aan om iets te ondernemen. Alleen al uit welbegrepen eigenbelang - samen met de modder spoelt ook een deel opbrengst weg - is dat een aanrader. Het opbrengstverlies door erosie is meer specifiek te wijten aan het wegspoelen van de vruchtbare bovenlaag, waarbij ook zaaigoed, gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest verloren gaan. Ook de productkwaliteit kan er onder lijden, denk maar aan aardappelen die groen verkleuren wanneer ze niet meer met een ‘rug’ grond bedekt worden.

Probleemstelling          

Erosie is niet alleen landbouwkundig nadelig. Omwonenden kunnen hinder ervaren door modder op de wegen en - in het slechtste geval - in hun huizen. Samen met het slib kunnen er nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen in de waterlopen belanden, wat nadelig is voor het milieu. Jaarlijks komt er door erosie naar schatting 400.000 ton slib in de waterlopen terecht. Deze waterlopen en daarnaast ook de riolen ruimen, kost handenvol geld. Het probleem aanpakken, kan ‘aan de bron’ of onderaan het perceel. De oorzaken van erosie wegnemen, lukt met de juiste teelttechniek: de bodem gedurende het jaar zo veel als mogelijk bedekt houden met weinig erosiegevoelige teelten en met vanggewassen (gele mosterd, raaigras, enz.), het organische stofgehalte verhogen met stalmest en compost zodat de bovenste bodemlaag stabieler wordt, niet-kerende bodembewerking toepassen zodat oogstresten aan de oppervlakte blijven, enz. Weet bijvoorbeeld dat niet-kerende bodembewerking de erosie met 85 (!) procent vermindert.

akker_geVILT.jpg

Vlaams erosiebeleid           

Gestaag maar eerder traag boekte Vlaanderen de voorbije jaren vooruitgang in de strijd tegen erosie. In 2014 is ongeveer 14 procent van de voornaamste erosieproblemen opgelost. Dat is toe te schrijven aan de landbouwers die verplicht hun teelttechniek aanpassen op zeer hoog erosiegevoelige percelen, aan de vele landbouwers die vrijwillig beheerovereenkomsten voor erosiebestrijding afsluiten, aan de erosiebestrijdingswerken die in tal van gemeenten met Vlaamse overheidssteun uitgevoerd worden en aan de inspanningen die de erosiecoördinatoren op het terrein leveren. Het bestaande beleid was dus wel effectief, maar te weinig efficiënt. Op de oude manier alle belangrijke erosieproblemen verhelpen, zou 80 jaar tijd vergen. Gelet op de maatschappelijke kost van erosie is die tijd er niet. Bovendien opteerden landbouwers op sterk hellende percelen nog vaak voor erosiegevoelige teelten als aardappelen en maïs. Zonder een aangepaste teelttechniek is dat vragen om problemen.

Daarom heeft de Vlaamse regering dit voorjaar het erosiebeleid verstrengd. Richting 2018 worden de regels in meerdere fases verder aangescherpt. Naargelang de teelt zijn er bijkomende verplichtingen op de ‘paarse’ percelen en voor een aantal erosiegevoelige teelten zijn er voor het eerst ook verplichtingen op de ‘rode’ percelen. Deze kleurtjes geven in de verzamelaanvraag van de landbouwer de erosiegevoeligheid van een landbouwperceel weer. Paars staat voor zeer hoog erosiegevoelig (9.842 hectare), rood voor hoog erosiegevoelig (39.427 hectare), oranje voor medium erosiegevoelig en geel voor laag erosiegevoelig. Het areaal waarop landbouwers verplicht aan erosiebestrijding doen, vervijfvoudigt dus. In 2016 is een evaluatie van de maatregelen gepland en wordt het erosiebestrijdingsplan van de Vlaamse overheid, indien nodig, bijgestuurd.

drempel.erosie_geVILT.jpg

Bodembedekking voorafgaand aan winterteelt          

Een eerste nieuwigheid sinds dit jaar is dat de bodem op paarse en rode percelen maximaal twee maanden onbedekt mag zijn voorafgaand aan de aanleg van het zaaibed voor wintergranen of winterkoolzaad. Voorheen was dat maximaal drie maanden, en uitsluitend op de zeer hoog erosiegevoelige (paarse) percelen. Qua wijziging in de teelttechniek is dit een kleintje, en komt het er ofwel op neer dat de landbouwer niets moet doen ofwel dat hij een groenbedekker moet inzaaien voorafgaand aan het wintergraan of -koolzaad.

Enkele voorbeelden maken dat duidelijk. Wie begin augustus wintertarwe dorst, zal korte tijd later al winterkoolzaad willen zaaien en voelt dus weinig tijdsdruk vanwege de randvoorwaarden erosie. In een teeltrotatie waarin gerst op tarwe volgt, lijkt het kort dag voor een groenbedekker en efficiënter om de gerst tijdig (binnen de twee maanden na de tarweoogst) te zaaien. Bij aardappelen zal het tijdstip van rooien bepalen of meteen een wintergraan dan wel eerst een groenbedekker ingezaaid wordt. Hou in het achterhoofd dat de weersomstandigheden in het najaar wisselvallig kunnen zijn. De weergoden hebben lak aan de twee-maanden-regel als je zou wachten tot november of december om de wintergranen te zaaien. Vanwege het vroege zaaitijdstip van zomergranen en vlas (januari - begin april) mag de bodem voorafgaand aan deze twee teelten maar twee weken onbedekt blijven.

Groenbedekker tot het voorjaar          

De algemene regel dat de bodem niet langer dan twee maanden onbedekt mag blijven, geldt niet alleen voor winterteelten maar evenzeer voor de meeste voorjaarsgewassen (aardappelen, cichorei, wortelen, suikerbieten, maïs, enz.) op paars en - vanaf 2015 - ook op rood ingekleurde percelen. Bij deze teelten vergt een langdurige bodembedekking al wat meer puzzelwerk. De voorafgaande oogst moet tijdig van het veld zodat er voor 1 oktober een groenbedekker ingezaaid kan worden die de tijd heeft om te ontwikkelen voor het weer omslaat. In de praktijk zullen boeren hun planning moeten aanpassen om bijvoorbeeld late aardappelen en suikerbieten tijdig van het veld te halen. Wie de bieten pas laat aan de suikerfabriek mag leveren, moet dus alsnog vroeg rooien en de bieten bewaren op het veld. Zelfs voor kuilmaïs kan 1 oktober als uiterste oogsttijdstip krap worden zonder een goede planning en een vroeg rijpende variëteit. Bovenstaande regel geldt voor het hoofdgewas dat op 31 mei aanwezig is op het veld of - bij gebrek daaraan - de eerstvolgende teelt daarna.

groenbedekker_geVILT.jpg

Een landbouwer die constateert dat het hoofdgewas onmogelijk tijdig van het veld geraakt, zal bij het Agentschap voor Landbouw en Visserij een afwijking kunnen vragen. Let wel, dit dient gemotiveerd te worden. Wie de kuilmaïs laat zaaide en op de koop toe voor een late variëteit koos, zal weinig begrip ervaren wanneer hij in het najaar in de problemen komt met de deadline. De afwijking is er veeleer gekomen met het oog op late groenteteelten zoals spruitjes of winterkolen, die vaak pas na Nieuwjaar geoogst worden. In de meeste andere gevallen zal een landbouwer zijn plan kunnen trekken met een slimme en zo nodig flexibele teeltrotatie. Neem nu dat het perceel cichorei waar in 2015 maïs gezaaid zou worden pas half oktober geoogst wordt. Het is dan te laat om nog tijdig een groenbedekker in te zaaien in afwachting van de maïsteelt. Wintertarwe zou dan een goed alternatief zijn aangezien er nog tot half december tijd is om te zaaien.

Door het late oogsttijdstip van korrelmaïs voorziet de wetgever een uitzondering voor deze teelt. De korrelmaïs moet voor 15 november van het veld en het verhakselde maïsstro dient als een bodembedekkende mulch achter te blijven op het veld. De oogstresten mogen verkleind worden met een klepelmaaier. Eventueel kan een oppervlakkige niet-kerende bodembewerking uitgevoerd worden, zolang er maar voldoende maïsstro op de bodem aanwezig blijft. Een landbouwer mag er met andere woorden ‘een tand (cultivator, nvdr.) door trekken’.

Teeltbeperkingen op paarse percelen          

Geen betere manier om erosie tegen te gaan, dan een permanente bedekking met gras of gras-klaver. Daarom komt er in 2015 een verbod om op zeer hoog erosiegevoelige percelen blijvend grasland om te zetten naar akkerland. Dat staat volledig los van de regels inzake het individueel referentieareaal blijvend grasland. Voor een rood perceel geldt geen beperking op scheuren in de randvoorwaarden erosie.

Verder is op de paarse percelen slechts één keer om de drie jaar ruggenteelt van aardappelen, cichorei, witloof en wortelen toegelaten, evenals alle groenten in openlucht en maïs. Een pientere boer mag hier niet uit afleiden dat wortelen en witloof wel in een korte teeltrotatie met aardappelen of maïs mogen als ze niet op ruggen geteeld worden. Ze vallen immers onder de categorie ‘groenten in openlucht’. Ook aardbeien die in volle grond geteeld worden, horen hier thuis. Al deze erosiegevoelige teelten moeten op de paarse percelen minstens twee jaar afgewisseld worden met teelten met een beperkt risico op erosie. Dat zijn gewassen die het jaar rond voor een volledige bedekking zorgen (bv. grasland), winter- en zomergranen, winterkoolzaad of vlas. Ook mogelijk in de rotatie zijn mulchzaai of strip-till van maïs of een teelt met meer dan 80 procent waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen. Dat kan gras zijn, maar bijvoorbeeld ook het inzaaien van bieten in een dekvrucht.

striptill.mais_Hooibeekhoeve_geVILT.jpg

Eens 2018 volstaat het op de zeer hoog erosiegevoelige percelen niet meer om groenten en maïs af te wisselen met teelten die het risico op erosie beperken. Groenteteelt, inclusief aardbeien, wordt er verboden tenzij tussen de rijen een waterdoorlatende bedekking (bv. gras) aangebracht wordt. Het gras of een andere bodembedekker moet minstens 80 procent van het perceel tegen erosie beschermen. In 2014 werd er nog ruim 1.000 hectare maïs geteeld op paarse percelen. Ook dat zal vanaf 2018 niet meer mogelijk zijn, tenzij er geopteerd wordt voor mulchzaai of strip-till techniek. Daarover lees je zo dadelijk meer.

Ruggenteelt op paarse en rode percelen          

Voor ruggenteelt worden de regels op termijn nog een stuk strenger. In 2015 worden drempeltjes verplicht die afstromend water tussen de ruggen kunnen afremmen. Twee loonwerkers uit de Vlaamse Ardennen hebben hun aardappelplanter alvast uitgerust met drempelvormers. Op de ene machine wordt het drempeltje gevormd door een klep die met luchtdruk aangestuurd wordt. De andere loonwerker koos voor een volledig mechanisch systeem met drie schoepen dat automatisch kuiltjes maakt wanneer tractor en machine vooruit bewegen. Gelet op de 90 hectare aardappelen die er dit jaar op paarse percelen staat, zullen zij volgend jaar nog niet overdreven veel werk hebben. Dat verandert in 2016, wanneer drempeltjes ook een noodzaak worden bij ruggenteelt op rode percelen. Dan spreken we al gauw over meer dan 2.000 hectare aardappelen.

drempelvormer_geVILT.jpg

Een aardappel- of groenteteler (witloof en wortelen op ruggen) die geen beroep kan doen op een loonwerker met het geschikte materiaal zal de overweging moeten maken of het de investering waard is. Indien hij zelf een machine aanschaft om de drempeltjes in een aparte werkgang aan te leggen, dan kan de loonwerker met gangbaar materiaal aardappelen poten, witloof of wortelen zaaien. Vanwege de bodemverdichting onder de wielsporen geniet het de voorkeur om de ruggen en de drempeltjes ertussen in één werkgang aan te leggen. Drempeltjes zijn ook nuttig op minder erosiegevoelige percelen: ze verminderen ook daar de erosie, zorgen voor meer beschikbaar vocht en houden de afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen tegen.

Zowel landbouwers als loonwerkers moeten in het achterhoofd houden dat de investering in een drempelvormer afgeschreven moet worden via de ruggenteelt op rode percelen. Op de zeer hoog erosiegevoelige (paarse) percelen dooft ruggenteelt immers uit. Reeds in 2016 mag de rug niet met een frees opgebouwd worden, maar moet het op de oude manier, met een niet aangedreven werktuig. Twee jaar later mag er op geen paars perceel nog ruggenteelt te bespeuren zijn. Cichorei hoeft niet per se op ruggen geteeld te worden. De verplichting inzake drempeltjes kan dus omzeild worden door op een vlak veld cichorei te zaaien. Toch is er ook in dat geval een aanpassing van de teelttechniek, namelijk niet-kerende grondbewerking, nodig op paarse en rode percelen (°2018).

Mulchzaai           

Op mulchzaai en strip-till als zaaitechnieken voor maïs komen we nog even terug. Wie één van beide technieken gebruikt, hoeft zich op de paarse percelen niets aan te trekken van de teeltbeperking voor maïs. Het risico op erosie is immers klein door de grote hoeveelheid organisch materiaal die dankzij deze teelttechnieken aan het bodemoppervlak blijft. Mulchzaai wordt uitgevoerd met een zaaimachine die uitgerust is met schijven of een combinatie van schijven en tanden die een minimale voorbewerking (maximum 3 cm breed) doen in dezelfde lijn als de zaaikouter. Vervolgens brengt een zaaikouter het zaad in de bodem die bedekt is met raaigras, gele mosterd of een andere groenbedekker. Er mag ook direct gezaaid worden in een mulch van korrelmaïsstro.

directzaai_Trekkerweb_geVILT.jpg

Een Vlaamse maïsteler die met directzaai aan de slag wil, moet het jaar voordien vóór 15 september een bodembedekker zaaien. In het voorjaar kan hij die verkleinen met een klepelmaaier, vernietigen met een totaalherbicide of maaien in het geval van raaigras. Een oppervlakkige bodembewerking voor het zaaien van de hoofdteelt maïs mag daarentegen niet. In het buitenland (Verenigd Koninkrijk, VS, Zuid-Amerika, enz.) blijft een bodembewerking vaak volledig achterwege omdat monoculturen granen of teeltrotaties van granen, maïs en soja zich uitermate lenen voor directzaai. In een voor Vlaanderen typische teeltrotatie heeft het jaar na jaar toepassen van directzaai weinig kans op slagen. De wetgever hield daar ook rekening mee. Voor het inzaaien van de groenbedekker die de maïs voorafgaat, mag de bodem daarom bewerkt worden.

Strip-till          

Onder de noemer ‘strip-till’ bewerkt de landbouwer of diens loonwerker een smalle (maximaal 15 cm) strook grond en laat hij de rest van het veld onaangeroerd. Ook hier moet er een bodembedekker aanwezig zijn die voor 15 september het jaar voordien is ingezaaid of moet het korrelmaïsstro nog bovenop liggen. De Vlaamse praktijkcentra die ervaring opdoen met deze techniek gebruiken een demomachine van Gaspardo of Kuhn voor het aanleggen van de proeven. Bij PIBO in Tongeren zette een Nederlandse loonwerker een zelfrijder in die tezelfdertijd drijfmest injecteert en een strip-till bewerking uitvoert met een Evers-machine.

Op de verschillende proefvelden in Tongeren, Geel (Hooibeekhoeve) en Huldenberg (in het kader van een demonstratiedag erosiebestrijding dit najaar) is duidelijk te zien dat de grote hoeveelheid gewasresten die aan het bodemoppervlak blijft het potentieel heeft om erosie te voorkomen. De uitdaging zit hem eerder in het op peil houden van de gewasopbrengst. De omstandigheden waarin gezaaid wordt, zijn erg belangrijk. Bovendien is het voor de tractorbestuurder niet evident om op een hellend perceel exact in de bewerkte stroken te zaaien, ook al krijgt hij daarbij de hulp van GPS. Strip-till en zaaien in één werkgang uitvoeren, vermijdt dat probleem maar de veldomstandigheden (te vochtige grond, nvdr.) zullen dat niet altijd toelaten.

striptill_Hooibeekhoeve_geVILT.jpg

Het zijn de machineverdelers Packo (Zedelgem) en Maschio Gaspardo (Paal-Beringen) die hun medewerking verlenen aan de demonstratievelden in Vlaanderen. Zij merken dat hier stilaan meer belangstelling is voor de techniek, maar de eerste verkoop aan een landbouwer of loonwerker moet nog beklonken worden. “Bij een nieuwe techniek komt pionierswerk kijken. En boeren overtuigen van een nieuwe teelttechniek mag je gerust missionarissenwerk noemen”, grapt Maurice Malpas van Packo. Hij legt uit dat de Kuhn-machine die reeds aangeschaft werd op het onderzoekscentrum van CRA-W in Gembloux veelzijdiger is dan maïsteelt alleen. “Wij hebben bijvoorbeeld meer ervaring met bietenteelt via strip-till. Ook bepaalde vollegrondgroenten zoals boontjes lijken mij mogelijk.”

Zijn concullega bij Maschio Gaspardo, Gert Van den Eynde, legt uit dat hun strip-till machine een combinatie is van een dieper werkende woeltand en schijven die de grond in een intensiever bewerkte strook afleggen. De breedte van de bewerkte strook is afhankelijk van de afstelling, de grondsoort en de rijsnelheid. Gelet op de nieuwe randvoorwaarden erosie zal de machine smal afgesteld moeten worden zodat de (effectieve) werkbreedte niet meer dan 15 cm bedraagt. De strip-till techniek zou ook met een strokenfrees uitgevoerd kunnen worden.

Niet-kerende bodembewerking          

Aandachtige lezers zullen zich afvragen waar ‘niet-kerende bodembewerking’ gebleven is in de plannen van de overheid om erosie te bekampen. Dat is heus niet verdwenen. Op de paarse percelen, en vanaf 2018 ook op de rode percelen, is deze teelttechniek (of directzaai) verplicht voor maïs, suikerbieten, voederbieten, cichorei en witloof (die niet op ruggen maar op een vlak zaaibed geteeld worden) en voor alle groentegewassen. In de bietenteelt is er al wat ervaring met ‘ploegloos boeren’, maar in de groenteteelt moet nog pionierswerk verricht worden. Dat leiden we af uit de ongerustheid van de diepvriesgroentenindustrie, die vreest dat fijnzadige groenten telen moeilijk wordt zonder het mooie en vochtige zaaibed dat na ploegen bekomen wordt. Ook bestaat de vrees dat de oogst van spinazie verontreinigd wordt door de vele gewasresten die in de bovenste bodemlaag aanwezig blijven.

groenteteelt_LoonwerkDefour_geVILT.jpg

Dit jaar kunnen groentetelers eventueel de kat nog uit de boom kijken, door de niet-kerende bodembewerking op paarse percelen te vervangen door een grasbufferstrook onderaan het perceel, of een andere curatieve maatregel uit de beheerovereenkomst erosie. Op termijn moet de knop wel omgedraaid worden want niet-kerende bodembewerking is vanaf 2015 op de paarse en vanaf 2018 op de rode percelen verplicht voor groenten, suikerbieten, voederbieten, cichorei en enkele minder vaak voorkomende teelten zoals rapen.

Zaaien volgens de hoogtelijnen          

Zeer effectief is ook het zaaien volgens de hoogtelijnen. Op de paarse percelen was dat al verplicht voor wintergranen en winterkoolzaad. Dat blijft zo, en vanaf 2015 wordt dat ook zo voor wintergranen en -koolzaad op rode percelen. De maatregel geldt in twee fases (vanaf 2015 op rode percelen) ook voor zomergranen en vlas. Percelen zijn van onder tot boven vaak langer dan dwars op de helling. Om de veldwerkzaamheden niet te lastig te maken, moet het zaaien maar volgens de hoogtelijnen gebeuren voor zover het perceel in die richting meer dan 100 meter lang is. In 2014 kan een landbouwer aan deze verplichting op de paarse percelen ook voldoen met een beheerovereenkomst erosie die nog tot het jaareinde loopt. Dat wil zeggen dat een grasbuffer of dam onderaan het perceel evenwaardig zijn aan het zaaien van granen, koolzaad en vlas volgens de hoogtelijnen. Landbouwers kunnen ook kiezen om een techniek toe te passen die verder gaat dan de verplichting om te zaaien volgens de hoogtelijnen, ze kunnen ook niet-kerende bodembewerking toepassen.

erosie.jpg

Organische stof          

Vanaf 2014 kunnen landbouwers een aanvraag indienen om de erosiegevoeligheid van het betrokken perceel met één categorie te laten dalen. Dit is mogelijk indien landbouwers aan de hand van een bodemanalyse kunnen aantonen dat het koolstofgehalte minstens 1,7 procent bedraagt en de zuurtegraad (pH) in een optimale zone ligt. Door een categorie in erosiegevoeligheid te dalen, ontsnapt een perceel deels (van paars naar rood) of geheel (van rood naar oranje) aan het verplichte maatregelenpakket van de overheid. Let op, deze aanpassing geldt niet voor percelen blijvend grasland.

Naast verplichte ook stimulerende maatregelen           

De verplichte, brongerichte maatregelen op de percelen kunnen het risico op erosie niet volledig uitsluiten. Daarom voorziet de Vlaamse overheid ook in de nodige stimuli voor remediërende maatregelen. Via het Erosiebesluit worden gemeenten zoals vanouds gesubsidieerd voor kleinschalige erosiebestrijdingswerken zoals dammen met erosiepoel en buffergrachten. Op eigen initiatief en tegen een vergoeding kunnen ook landbouwers acties ondernemen die de gevolgen van erosie verzachten: grasbufferstroken, strodammen, enz. Deze beheerovereenkomsten blijven bestaan in het derde plattelandsprogramma. De nieuwe beheerovereenkomst Water zal een stimulans betekenen voor teelten die niet alleen een laag nitraatresidu achterlaten maar ook het koolstofgehalte van de bodem verbeteren en daardoor erosie reduceren. Tot slot zal ook het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds zijn duit in het zakje doen, door niet-productieve investeringen in het kader van erosiebestrijding (bv. dammen van plantaardig materiaal zoals gehakseld hout) te subsidiëren.

Meer weten over erosiebestrijding? Stem af op kanaal 22 (PlattelandsTV) op Telenet Digitale tv. Op regelmatige tijdstippen (bv. dinsdag 22.30u, woensdag en donderdag 16.30u, vrijdag 20.30u en 22.30u, zondag 12.30u, 13.30u en 15u) zie je een blok VILT TeeVee. De eerste videoreportage in onze rubriek 'Uitgespit' op VILT TeeVee behandelt erosie. Je kan de reportage hieronder bekijken:

Nog vragen? Breng dan een bezoek aan de opendeurdag die het landbouwministerie op vrijdag 6 juni organiseert op een akkerbouwbedrijf in Huldenberg. Hou ook donderdag 4 september vrij in je agenda want dan vindt op diezelfde locatie een demonstratiedag erosiebestrijding plaats. Je kan alles nog eens in detail nalezen in de brochure over de randvoorwaarden.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Hooibeekhoeve / Loonwerk Defour / Trekkerweb.nl / VILT

Volg VILT ook via