nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

07.10.2019 Europees Hof sterkt markttoelating van gewasbescherming

Drie jaar geleden kregen een aantal winkels in Frankrijk ongewenst bezoek van activisten die er in de tuinafdeling glyfosaatverpakkingen en glazen kasten voor bestrijdingsmiddelen vernielden. Een 20-tal personen moeten zich daarvoor verantwoorden voor de strafrechter in Foix. Voor hun verdediging beroepen zij zich op het voorzorgsbeginsel omdat herbiciden op basis van glyfosaat zonder voldoende waarschuwingen in de handel zouden zijn gebracht. Hebben zij andermans goederen zonder meer vernield, of – zoals ze zelf beweren – de volksgezondheid een dienst bewezen? Die vraag durfde de Franse rechter niet te beantwoorden zonder eerst het Europees Hof van Justitie te horen. Het Hof spreekt naar aanleiding van deze zaak zijn vertrouwen uit in de Europese toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen.

Een 20-tal activisten wordt in Frankrijk strafrechtelijk vervolgd wegens de vernieling van winkelrekken met bestrijdingsmiddelen voor hobbytuinders. Ze hadden het specifiek gemunt op onkruidverdelgers met glyfosaat als actieve stof. De verdachten beroepen zich voor de rechter in Foix op de noodtoestand en het voorzorgsbeginsel. Concreet voeren ze aan dat hun handelingen bedoeld waren “om de betrokken winkels en hun klanten te informeren over de gevaren, om het in de handel brengen van glyfosaatproducten te voorkomen en om de volksgezondheid en hun eigen gezondheid te beschermen”.

De rechtbank van eerste aanleg nam deze verdediging ernstig en vroeg zich af of de EU-wetgeving voldoende bescherming biedt tegen de gezondheidsrisico’s van bestrijdingsmiddelen. De rechter in Foix schorste de behandeling van de zaak en verzocht het Europees Hof van Justitie om hulp. Vier vragen werden er voorgelegd aan het Hof, ter toetsing van de EU-verordening die het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen regelt. Bijvoorbeeld of die verordening wel in overeenstemming is met het voorzorgsbeginsel wanneer het toelatingsdossier op één werkzame stof is afgestemd terwijl het in de handel gebrachte eindproduct uit verschillende stoffen bestaat.

Zowel het Europees Parlement als de Europese Commissie kwamen tussen in deze zaak om de ontvankelijkheid van het verzoek om prejudiciële beslissing te betwisten. Toch is het Europees Hof van Justitie op de grond van deze zaak ingegaan. Bij het vaststellen van regels voor gewasbeschermingsmiddelen, zoals verordening 1107 uit 2009, moet de EU-wetgever het voorzorgsbeginsel naleven ter bescherming van de volksgezondheid. Volgens dit beginsel kunnen bij onzekerheid over het bestaan en de omvang van risico’s voor de menselijke gezondheid, beschermende maatregelen worden genomen zonder dat hoeft te worden gewacht totdat de realiteit en de ernst van deze risico’s volledig zijn aangetoond.

De Europese gewasbeschermingsmiddelenverordening is gestoeld op het voorzorgsbeginsel, maar dat volstaat op zich niet als bewijs. Uit het arrest valt op te maken dat de Franse rechter zelf zijn twijfels had bij de verenigbaarheid. Zo merkte hij op dat de verordening de term ‘werkzame stof’ niet definieert en vraagt hij zich net zoals de verdediging af of een firma gelijk welk bestanddeel van een middel kan aanstippen als de werkzame stof ervan. Het Europees Hof neemt deze bezorgdheid als volgt weg: “Elke werkzame stof moet vergezeld gaan van een volledig dossier. Geeft de aanvrager niet alle werkzame stoffen op, dan loopt hij het risico dat de markttoelating wordt ingetrokken.”

Ook in de zoektocht naar een antwoord op de andere vragen van de Franse rechter komt het Europees Hof nergens tot de conclusie dat er ‘een kennelijke beoordelingsfout’ in de EU-wetgeving vervat zit. Zo worden ook de twijfels weggenomen omtrent het cumulatief effect van een gewasbeschermingsmiddel. De verwijzende rechter krijgt te horen dat bij de toelatingsprocedure niet alleen de effecten van elk van de werkzame bestanddelen, maar ook hun gecumuleerde effecten worden beoordeeld. En over de betrouwbaarheid van de studies die aan de basis liggen van een Europese markttoelating zegt het Hof onder meer het volgende: “De studies en analysen waarmee de aanvrager de onschadelijkheid van een middel aantoont, moeten zijn uitgevoerd door een betrouwbare instelling en volgens erkende wetenschappelijke methoden.”

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via