nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

10.09.2020 "Export gewasbescherming gebeurt in alle openheid"

Volgens Greenpeace voert België elk jaar 5.000 ton gewasbeschermingsmiddelen uit waarvan het gebruik in Europa verboden is. Die komen vooral terecht in armere of minder ontwikkelde landen. Dat is perfect legaal want deze middelen mogen volgens de EU-wetgeving wel nog geproduceerd worden. Volgens Phytofar, de federatie van de industrie van gewasbeschermingsmiddelen, gebeurt deze export in alle openheid. “De producenten moeten alle informatie over die middelen ter beschikking stellen aan het land dat de producten ontvangt en het land moet duidelijk instemmen met ontvangst”, klinkt het.

Het produceren van gewasbeschermingsmiddelen die in de Europese Unie verboden zijn om ze nadien te exporteren, is niet alleen een praktijk die in België voorkomt. In totaal zijn er 17 Westerse landen die producten uitvoeren naar 85 andere landen waar het gebruik van het product niet verboden is. Dat becijferde de Britse afdeling van Greenpeace in samenwerking met journalisten van Unearthed en de Zwitserse ngo Public Eye. Greenpeace noemt dit hypocriet. “Europa besliste dat deze producten te schadelijk zijn en verbood ze, maar ze mogen wel nog naar andere landen geëxporteerd worden”, zegt hoofdonderzoeker Doug Parr van Greenpeace.

Export naar 20 landen

Volgens de cijfers van Greenpeace blijkt ons land vooral acetochlor en carbendazim uit te voeren. “Twee stoffen waarvan niemand betwist dat ze schadelijk zijn. Acetochlor zou kanker verwekken en is al sinds 2008 verboden in Europa. Carbendazim zou dan weer geboorteafwijkingen en fertiliteitsproblemen veroorzaken en staat sinds 2016 op de zwarte lijst van de EU. Beide stoffen zijn ook problematisch voor de biodiversiteit”, klinkt het. De productie ervan in België wordt uitgevoerd naar 20 landen, waaronder Oekraïne, Honduras, Egypte, Bangladesh en de Filipijnen.

Phytofar wijst erop dat hun leden zich aan de regels van de rechtsstaat houden, waar ze ook actief zijn. “Europese exporteurs moeten hun nationale regelgevende instanties voorzien van informatie over bepaalde chemische exportproducten, waaronder gewasbeschermingsmiddelen. Dat is een Europese vereiste en zoals je weet is de Europese regelgeving streng”, zegt woordvoerder Sigrid Maebe.

Ze wijst erop dat landen die producten ontvangen die in andere landen verboden zijn, ermee moeten instemmen deze te ontvangen. “De Europese wetgeving, gekend als de PIC-verordening, is bedoeld om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen door ontwikkelingslanden te voorzien van informatie over de veilige opslag, het vervoer, het gebruik en de verwijdering van gevaarlijke chemische stoffen. Wij steunen deze rapportageverplichting, die bovendien volledig transparant is”, klinkt het.

Ook Greenpeace erkent dat lokale overheden op die manier weten wat ze importeren. “Maar of dat de boeren dat ook weten, is een andere zaak. Daarnaast is het de vraag of ze de veiligheidslabels op het product kunnen lezen en of het beschermingsmateriaal dat ze nodig hebben, te verkrijgen is”, zegt Greenpeace. “Wij hebben in Europa de omslag kunnen maken naar minder schadelijke producten. We zouden andere landen kunnen begeleiden om dat ook te doen, in plaats van hen gif te leveren.”
De milieuorganisatie vindt dat Europa consequent moet zijn. “Stoffen die niet gebruikt mogen worden, mogen ook niet meer geproduceerd worden”, klinkt het. Frankrijk, dat zelf zo’n 7.666 ton verboden gewasbeschermingsmiddelen uitvoert, zou tegen 2022 op een productieverbod mikken.

“Maar een rechtbank moet nog uitklaren of Frankrijk dit eenzijdig kan opleggen”, zegt Maarten Trybou, hoofd van de dienst Gewasbeschermingsmiddelen van de FOD Volksgezondheid. Hij wijst erop dat er vraag is naar deze producten. “Als bij ons de productie stopt, verhuist die naar elders, waar mogelijk geen strenge regelgeving en goede werkomstandigheden voorhanden zijn. Als je zo’n verbod uitvaardigt, dan moet dat op Europees niveau. Bovendien zouden alle lidstaten geen producten meer mogen importeren waarbij deze producten gebruikt zijn voor de teelt. Het verhaal is dus echt niet zo eenduidig”, besluit hij.

Complexiteit als gevolg van wereldhandel

Ook Phytofar wijst op de complexiteit van dit dossier met oog op de wereldhandel. “Westerse consumenten zijn gewoon om het hele jaar door een ruim aanbod producten in de winkel te hebben. Dat gaat van lokaal geteelde producten tot de meest exotische gewassen, zoals papaja’s, bananen of avocado’s. De wereldwijde handel in landbouwproducten is gedurende de afgelopen decennia dan ook sterk gegroeid. Om dit mogelijk te maken en om de veiligheid van de consument te waarborgen, worden maximale residulimieten en importtoleranties voor gewasbeschermingsmiddelen gehanteerd”, verduidelijkt de sectorfederatie.

De maximale residulimiet is een wettelijk vastgelegde norm in de EU en geeft de maximale hoeveelheid restanten van gewasbeschermingsmiddelen weer die je mag terugvinden op een gewas. “Het is geen toxiciteitslimiet, maar wel een referentie voor het controleren van de goede landbouwpraktijken. Een maximale residulimiet wordt wel alleen maar vastgelegd als het bewezen wordt dat dit niveau van residu geen risico inhoudt voor de consument”, aldus Phytofar. Voor elke erkende actieve stof van een gewasbeschermingsmiddel en voor elk erkend gebruik of gewas, is er een wettelijke limiet vastgelegd. “Deze limiet houdt niet alleen rekening met de goede landbouwpraktijken zoals voorgeschreven op het etiket, maar ook met het voedingspatroon van de verschillende groepen uit onze samenleving (kinderen, peuters,…) en daarbij worden grote veiligheidsmarges gehanteerd.”

Als er geen maximale residulimiet van kracht is omdat de actieve stof niet of niet langer erkend is in de betrokken teelt in Europa, dan kan er een importtolerantie aangevraagd en vastgelegd worden om import in Europa mogelijk te maken. “Dit kan enkel en alleen als de reden waarom de actieve stof in Europa niet (meer) erkend is, geen risico inhoudt voor de volksgezondheid. Een importtolerantie wordt bepaald volgens dezelfde Europese verordening waarbij dezelfde veiligheidsstandaarden als voor een maximale residulimiet worden gehanteerd”, legt Maebe uit.

En net zoals voor een maximale residulimiet, wordt de limiet van de importtolerantie gebaseerd op de goede landbouwpraktijken, maar dan volgens deze van het exporterende niet-Europese land, zo benadrukt Phytofar. “Ook deze norm houdt rekening met het voedingspatroon van de verschillende groepen uit onze samenleving. Importtoleranties kunnen enkel worden vastgelegd, op voorwaarde dat er wordt voldaan aan de Europese beoordelingsvereisten, inclusief de beoordeling van het consumentenrisico om de veiligheid van de consument te waarborgen. Daarom zal de consumptie van geïmporteerde producten in Europa volgens de importtolerantie, geen enkel risico inhouden voor de volksgezondheid”, klinkt het.

Een importtolerantie is nodig in een heel aantal gevallen. Bijvoorbeeld wanneer teelten in Europa niet mogelijk zijn omwille van klimatologische omstandigheden, denk maar aan bananen of papaja’s. Import van deze producten is alleen mogelijk wanneer er een importtolerantie voor gewasbeschermingsmiddelen die in deze teelten worden gebruikt, vastgelegd wordt. Soms zijn er ook lokale omstandigheden waarbij landen te maken krijgen met ziekten of plagen die in Europese landen niet voorkomen. Dan kan een ander gebruik van een erkend gewasbeschermingsmiddel (frequentie, toepassing of dosis) of een niet-erkend middel nodig zijn om het gewas te beschermen.

Streng Europa

Phytofar merkt op dat er door het huidige, strenge en op gevaar gebaseerde evaluatiebeleid van gewasbeschermingsmiddelen in Europa ertoe leidt dat er een aanzienlijk aantal maximale residulimieten worden ingetrokken. “Een wijziging van die limieten brengt onzekerheden met zich mee voor zowel landbouwers in de exporterende landen, als voor de gewasbeschermings- en de voedingsindustrie”, vertelt de woordvoerder.

Dit strenge beleid heeft de Europese Commissie ertoe bewogen om een voorstel te lanceren om de importtolerantie en maximale residulimieten te verwijderen voor actieve stoffen die niet meer zijn goedgekeurd in Europa. Tegelijkertijd heeft de Europese Commissie voorgesteld om een heraanvraag voor importtoleranties toe te staan voor deze niet-vernieuwde actieve stoffen, die vervolgens geval per geval aan een risicobeoordeling worden onderworpen.

“Een dergelijk beleid is heel onvoorspelbaar en biedt onzekerheden. De Europese markt is namelijk een belangrijk mondiaal handelspunt voor landbouw- en voedselgerelateerde producten. De omgekeerde situatie geldt ook: middelen die erkend zijn in Europa, bijvoorbeeld voor spruiten, hebben een importtollerantie nodig voor landen naar waar wij exporteren”, aldus Phytofar. De federatie benadrukt dat het vrije verkeer van goederen in een geglobaliseerde economie van het grootste belang is. “Een uitgebreide analyse uitgevoerd door Bryant Christie schatte de waarde van wereldwijde grondstoffen die mogelijks door dit beleid worden getroffen op 70 miljard euro. Residulimieten zijn dus een uitdaging voor de hele voedselketen in een complexe wereldhandel”, luidt het.

Bron: Het Nieuwsblad/eigen verslaggeving

Volg VILT ook via